Insolventierecht
Verzuim, ten gevolge waarvan te hoge uitkering binnen de termijn van vijf jaar, is van onvoldoende gewicht.
Gerechtshof 's-Gravenhage, 20 april 1999
ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9829 · Gerechtshof 's-Gravenhage · 20 april 1999
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-gravenhage/civiel-recht/insolventierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghsgr-1999-ae9829
Zaakgegevens
Op 20 april 1999 heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-GravenhageGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 april 1999
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R9900159
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9829
Samenvatting
Verzuim, ten gevolge waarvan te hoge uitkering binnen de termijn van vijf jaar, is van onvoldoende gewicht.
Uitspraak
Het Gerechtshof te 's-Gravenhage
Tweede civiele kamer,
heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:
X.,
(hierna te noemen: X),
wonende te P.
procureur: mr H.C. Grootveld.
Het geding in hoger beroep
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 maart 1999, heeft X. hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 3 maart 1999, waarbij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, X. alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 13 april 1999, waarbij X. is verschenen, bijgestaan door mr A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse.
Beoordeling van het hoger beroep
X. erkent dat zij over de periode van 18 januari 1996 tot en met 31 juli 1996 een te hoge bijstandsuitkering heeft ontvangen, aangezien zijn niet heeft gemeld aan de gemeente P. dat gedurende deze periode een meerderjarig persoon, Y (hierna: Y), bij haar heeft ingewoond die zelfstandig recht had op een uitkering van de Sociale Dienst; op deze grond heeft de gemeente P. een bedrag van f 4006,66 van haar te vorderen.
Ter zitting van het hof geeft X. als verklaring voor haar verzuim om te voldoen aan haar informatieplicht jegens de Sociale Dienst van de gemeente P - kort gezegd - aan, dat Y. nog minderjarig was toen zij bij haar kwam wonen, dat zij niet wist dat Y. na 18 januari 1996 - de dag waarop Y. de leeftijd 18 jaar bereikte - recht had op een bijstandsuitkering, en dat zij meende dat zij niet verplicht was om de inwoning van Y. te melden, omdat laatstgenoemde over de periode van 19 januari 1996 tot en met 31 juli 1996 niet om een uitkering van de Sociale Dienst had verzocht en Y. evenmin bijdroeg in de kosten van de huishouding van X. X. heeft Y. wel aangemeld bij de gemeente opdat zij in het bevolkingsregister zou worden ingeschreven.
Het hof is in het licht van hiervoor weergegeven betoog van X, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de in artikel 288 lid 2 onder b van de Faillissementswet genoemde weigeringsgrond zich te dezen niet voordoet; het hof acht het niet aannemelijk dat X. ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van bovengenoemde schuld, evenmin als ten aanzien van haar overige schulden die zijn opgesomd in de Verklaring schuldsanering ex artikel 285 lid 1 Faillissementswet, niet te goeder trouw is geweest.
Uit het voorgaande volgt dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en dat het inleidende verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog dient te worden toegewezen.
Beslissing
Het Gerechtshof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit;
verwijst de zaak naar de rechtbank te Rotterdam ter uitvoering van die regeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. Uhlenbeck-Lagerweij, Aukes-de Vries en Gerritzen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.