Personen- en familierecht
Vraag of er sprake is van 'family life' tussen de verwekker en het kind aan de hand van getuigenverklaringen…
Gerechtshof 's-Gravenhage, 23 september 2009
ECLI:NL:GHSGR:2009:BK2138 · Gerechtshof 's-Gravenhage · 23 september 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-gravenhage/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghsgr-2009-bk2138
Zaakgegevens
Op 23 september 2009 heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-GravenhageGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 september 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 105.011.423
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSGR:2009:BK2138
Samenvatting
Vraag of er sprake is van 'family life' tussen de verwekker en het kind aan de hand van getuigenverklaringen bevestigend beantwoord.
Procesgang
Gerechtshof 's-Gravenhage · 23 september 2009deze uitspraak
ECLI:NL:GHSGR:2009:BK2138
Gerechtshof 's-Gravenhage · 12 oktober 2011
ECLI:NL:GHSGR:2011:BU2937Hoge Raad · 2 november 2012
ECLI:NL:HR:2012:BX5798(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 november 2012
ECLI:NL:PHR:2012:BX5798
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 23 september 2009
Zaaknummer : 105.011.423/01
Rekestnummer : 851-R-07
Rekestnr. rechtbank : F1 RK 06-1997
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. N.C. Bellen te Rotterdam,
tegen
[belanghebbende 1],
hierna te noemen: de vrouw,
en
[belanghebbende 2],
hierna te noemen: [naam],
beiden wonende te [woonplaats],
verweersters in hoger beroep,
gezamenlijk te noemen: verweersters,
advocaat W.J. Eusman te Amsterdam.
HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
Op 9 juli 2008 heeft dit hof een tussenbeschikking gegeven.
Op 4 juni 2009 heeft er een getuigenverhoor plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal.
De man heeft op 2 juli 2009 een nadere conclusie na getuigenverhoor genomen.
Verweersters hebben op 31 augustus 2009 een nadere conclusie na getuigenverhoor genomen.
DE VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In de tussenbeschikking van 9 juli 2008 is de man toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat voor de geboorte van [het kind] tussen partijen is afgesproken dat:
a) de man [het kind] af en toe mag zien;
b) de man [het kind] af en toe een cadeau mag geven;
c) de man [het kind] af en toe mee mag nemen.
2. Gezien de inhoud van de getuigenverklaringen in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de man in zijn bewijsopdracht - zoals geformuleerd in rechtsoverweging 1 - is geslaagd.
De getuigen [X] heeft verklaard:
“[appellant] had een aantal voorwaarden die hij wilde stellen aan de inseminatie. Deze voorwaarden waren:
1) Dat hij wilde weten of er sprake was van een stabiele relatie tussen [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1].
2) Dat hij contact zou kunnen hebben met het kind.
Voor [appellant] was het van belang dat hij contact met het kind kon hebben. Tijdens het gesprek waarbij ik aanwezig was, is hier niet afwijzend op gereageerd.”
[belanghebbende 2] heeft verklaard:
” Hij mocht een cadeau geven er is niet gesproken hoe hij het cadeau kon geven. Hij mocht van ons het kind een keertje zien.”
[belanghebbende 1] heeft verklaard:
” Tijdens het gesprek heeft hij gevraagd of hij het kind mocht zien. En of hij het kind een cadeau mocht geven. Hij mocht een keer het kind zien en hij mocht een keer het kind een cadeau geven. Dit is verder tijdens het gesprek niet verder uitgewerkt. Wij hebben ook een geboortekaart naar hem gestuurd. Na de geboorte is [appellant] langs gekomen. Hij had een cadeau bij zich zijnde een jurkje, 3 rompertjes en een T-shirt.”
De man heeft verklaard:
” Wij vieren hebben toen een gesprek gehad. Voordien is aan mij de vraag gesteld of ik bij een biseksuele vrouw een kind wilde maken. Ik heb toen ja gezegd, mits ik het kind kon zien, het kind een cadeau kon geven en af en toe kon meenemen. [belanghebbende 2] heeft mij gebeld toen [het kind] was geboren en heeft mij gezegd dat ik vader was geworden. Begin september 2005 heb ik een bezoek gebracht aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1]. Ik had toen een cadeau gekocht voor [het kind], zijnde een jurk en een T-shirt.”
3. Het hof is op basis van de getuigenverklaringen van partijen van oordeel dat de man in een zo nauwe persoonlijke betrekking staat of heeft gestaan dat hij gezinsleven met [het kind] in de zin van artikel 8 EVRM heeft gehad. Uit de getuigenverklaringen van de man en geïntimeerden volgt: dat de man tijdens de zwangerschap van de vrouw contact met haar heeft gehad, hij op de hoogte is gesteld van de geboorte van [het kind], hij het kind kort na de geboorte heeft bezocht en voor [het kind] een cadeau heeft gekocht. Gezien het feitelijk handelen van de man volgt dat de man een duidelijke betrokkenheid voelt bij het leven van [het kind].
4. Het hof acht voortzetting van de mondelinge behandeling noodzakelijk ten einde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan de omgangsregeling tussen de man en [het kind].
5. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING
Het hof:
bepaalt voortzetting van de mondelinge behandeling op een nog nader te bepalen datum;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van den Wildenberg en Van der Burght, bijgestaan door Muller-Rietveld als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2009.