Belastingrecht

Artikel 6.17 e.v. Wet IB 2001 en artikel 6.32 e.v. Wet IB 2001. Specifieke zorgkosten. Giften. De inspecteur…

Zaakgegevens

Op 10 juni 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10 juni 2026
Datum publicatie
11 juni 2026
Zaaknummer
25/27
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1536
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Artikel 6.17 e.v. Wet IB 2001 en artikel 6.32 e.v. Wet IB 2001. Specifieke zorgkosten. Giften. De inspecteur neemt ter zitting van het hof uit coulance het standpunt in dat een hoger bedrag wegens uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit kan worden toegekend. Belanghebbende heeft de overige door hem geclaimde kosten en giften die uitkomen boven de drempel niet aannemelijk gemaakt.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 9 december 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:8413
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:1536

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Inhoudsopgave

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 25/27

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 december 2024, nummer BRE 23/9164, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting, op 13 april 2026, 14 april 2026, 15 april 2026, 16 april 2026, 17 april 2026 en 18 april 2026, diverse nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het hof. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van deze pleitnota.

1.7.

Op de zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 25/26 van de partner van belanghebbende, [partner] .

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

1.10.

Na sluiting van het onderzoek heeft het hof op 4 mei 2026 berichten ontvangen van belanghebbende met betrekking tot de vergoeding van proceskosten. Het hof heeft daarin geen aanleiding gezien tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het bericht zal daarom niet tot de gedingstukken worden gerekend en buiten beschouwing worden gelaten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende woont samen met zijn partner, [partner] (hierna: partner). Tussen belanghebbende en de partner is sprake van een fiscaal partnerschap. Belanghebbende en zijn partner hebben twee kinderen, [dochter 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 (hierna: dochter 1), en [dochter 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1994 (hierna: dochter 2). Dochter 1 is in het jaar 2016 woonachtig bij belanghebbende en zijn partner en dochter 2 is in het jaar 2016 woonachtig in [plaats 1] .

Aangifte en aanslagfase

2.2.1.

Belanghebbende heeft, na twee maal eerder een (herziene) aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 te hebben ingediend, op 14 juni 2017 een tweede herziene aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 ingediend.

2.2.2.

In de tweede (herziene) aangifte van 14 juni 2017 waren inkomsten uit vroegere dienstbetrekking begrepen en heeft belanghebbende (onder meer) rekening gehouden met betaalde premies voor inkomensvoorzieningen, een aftrek voor scholingsuitgaven, een aftrek voor uitgaven wegens specifieke zorgkosten en een aftrek wegens giften. Het uit de aangifte volgende verzamelinkomen is als volgt opgebouwd:

Inkomen uit werk en woning (box 1)

€ 23.154

Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

€ 8.331

Premies voor inkomensvoorzieningen

- € 3.538

Uitgaven voor specifieke zorgkosten:

- Kosten medicijnen

€ 942

- Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 2.585

- Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

€ 1.099

- Dieetkosten

€ 3.350

- Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 930

- Genees- en heelkundige hulp

€ 1.583

- Reiskosten ziekenbezoek

€ 390

- Uitgaven voor extra gezinshulp

(na toepassing drempel van € 455)

€ 15.369

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 26.248

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten

- € 980

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

- € 25.268

Scholingsuitgaven

- € 194

Giften (overige andere giften):

Totaalbedrag andere giften

€ 1.164

Drempel andere giften

€ 455

Maximale aftrek andere giften

- € 709

Verzamelinkomen

€ 1.776

2.3.

Bij brief van 25 juli 2017 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht informatie te verstrekken over de onder 2.2.2 bedoelde aangifte.

2.4.

Bij brief van 31 juli 2017 heeft belanghebbende op het informatieverzoek gereageerd en te kennen gegeven eerst de beantwoording van een informatieverzoek ten aanzien van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 af te willen ronden. Bij brief van 4 augustus 2017 heeft de inspecteur belanghebbende uitstel verleend voor de beantwoording van het onder 2.3 bedoelde informatieverzoek. In de brief verzoekt de inspecteur belanghebbende zo spoedig mogelijk de gevraagde informatie aan te leveren.

2.5.1.

Met dagtekening 21 december 2018 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2015 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.960 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.331 en het verzamelinkomen vastgesteld op € 31.291 (de aanslag). Hierbij heeft de inspecteur geen rekening gehouden met de in aangifte opgenomen betaalde premies voor inkomensvoorzieningen, aftrek voor uitgaven wegens specifieke zorgkosten en aftrek wegens giften. Wel is rekening gehouden met de aftrek voor scholingsuitgaven. Tevens is bij beschikking € 9 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking belastingrente).

2.5.2.

Aan de partner van belanghebbende is een aanslag IB/PVV 2015 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.622 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0.

Bezwaarfase

2.6.

Belanghebbende heeft tegen de aan hem opgelegde aanslag en de beschikking belastingrente bezwaar gemaakt.

2.7.

Bij brief van 25 februari 2019 heeft de inspecteur belanghebbende (opnieuw) verzocht informatie te verstrekken op uiterlijk 10 maart 2019. Hierin is, onder meer, het volgende vermeld:

“(…)

Correcties 2015

De inspecteur heeft de volgende correcties doorgevoerd in uw aangifte 2015.

(…)

U geeft in uw brief niet aan tegen welke correctie of correcties u bezwaar maakt. Ik verzoek u daarom mij de gronden van uw bezwaar toe te sturen. Tevens verzoek ik u mij de betalingsbewijzen en nota’s/facturen toe te sturen voor de betaalde lijfrentepremies, zorgkosten en giften.

(…)”

2.8.

Bij brief van 21 maart 2019 heeft de inspecteur belanghebbende, bij herhaald verzoek om informatie, verzocht de bij brief van 25 februari 2019 verzochte informatie te verstrekken op uiterlijk 3 april 2019.

2.9.

Bij brief van 11 juli 2019 heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals verzocht informatie te verstrekken op uiterlijk 31 juli 2019. De brief heeft eveneens de onder 2.7 aangehaalde inhoud.

2.10.

Bij brief van 31 juli 2019, door de inspecteur ontvangen op 19 augustus 2019, heeft belanghebbende op het onder 2.9 vermelde verzoek gereageerd. Belanghebbende heeft daarbij geen stukken overgelegd.

2.11.

Bij brief van 7 oktober 2019 heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals verzocht informatie te verstrekken op uiterlijk 13 november 2019:

“(…)

In uw aangifte 2015 hebt u (…) aftrekposten opgegeven.

(…)

Tijdens het vaststellen van uw aanslag 2015 hebt u geen bewijsstukken aangeleverd voor deze aftrekposten waardoor deze bedragen niet zijn meegenomen in de aanslag als aftrekpost. Dit heeft geresulteerd in een te betalen aanslag.

Indien u van mening bent dat deze aftrekposten onterecht zijn gecorrigeerd, verzoek ik u mij de volgende informatie toe te sturen.

- de polis van de lijfrenteverzekering

- betalingsbewijzen van de betaalde premies (bijv. bankafschriften)

- facturen en nota’s van de zorgkosten

- betalingsbewijzen van de zorgkosten (bijv. bankafschriften)

- dieetverklaringen

- betalingsbewijzen van de giften (bijv. bankafschriften)

(…)”

2.12.

Tot de stukken van het geding in de zaak 25/26 behoort een door belanghebbende opgemaakt gespreksverslag van 10 mei 2020 van een gesprek dat hij en zijn partner op 7 mei 2020 met een medewerker van de Belastingdienst hebben gevoerd.

2.13.

Uit een interne notitie van de Belastingdienst van 21 augustus 2020 volgt dat belanghebbende aan de inspecteur een USB-stick (USB-stick 1) heeft gezonden met stukken ter onderbouwing van de in de aangifte IB/PVV 2015 in aftrek gebrachte bedragen met daarop diverse stukken, zoals bonnen, bank-/rekeningafschriften, facturen, een dieetverklaring en door hem opgestelde kostenoverzichten ter onderbouwing van de door hem in de aangifte in aanmerking genomen uitgaven wegens betaalde premies voor inkomensvoorzieningen, specifieke zorgkosten en giften.

2.14.

Bij brief van 24 augustus 2020 heeft de inspecteur belanghebbende en zijn partner (nogmaals) verzocht informatie te verstrekken. De brief ziet op bezwaarschriften van belanghebbende voor de jaren 2015 en 2017 en van de partner voor het jaar 2016. De inspecteur heeft in de brief per jaar vermeld wat de stand van zaken is ten aanzien van de (verzochte) aanlevering van stukken en belanghebbende voor het jaar 2015 nogmaals in de gelegenheid gesteld stukken (“die duidelijk zijn en de juiste vormvereisten hebben”) aan te leveren ten aanzien van de uitgaven voor specifieke zorgkosten en de giften in dat jaar. De brief vermeldt een reactietermijn tot uiterlijk 13 september 2020.

2.15.1.

Bij e-mailbericht van 4 september 2020 heeft belanghebbende op het onder 2.14 vermelde verzoek gereageerd. In het e-mailbericht is onder meer het volgende vermeld:

“Onlangs ontvingen wij uw brief d.d. 24 -08-2020. eerlijk gezegd begrijpen we er niets meer van. U heeft het over meerdere jaren, waarvan, voor zover wij weten, alleen 2016 bij u ligt.

2015: [belanghebbende] : dit ligt allemaal bij uw collega (…). Wij hebben hem een usb-stick gestuurd met al de gevraagde gegevens. Hij heeft wel aangegeven dat hij deze stick heeft ontvangen, maar voor zover wij weten, ligt dat al ongeveer een jaar te wachten op antwoord.

2016: [partner] : dit ligt inderdaad nog voor u te wachten. Wij zijn hiermee bezig en sturen u zo spoedig mogelijk de gevraagde gegevens.

(…)

Nogmaals zullen we u binnenkort de gevraagde gegevens over 2016 sturen en hopelijk is het nu zover klaar.”

2.15.2.

Op 4 september 2020 heeft de inspecteur per e-mailbericht gereageerd en uiteen gezet wat de stand van zaken is voor de in het onder 2.14 vermelde verzoek genoemde jaren en voor belanghebbende samengevat hetgeen nog van belanghebbende verwacht wordt.

2.15.3.

Vervolgens heeft in de periode 4 september 2020 tot en met 25 november 2020 tussen partijen hierover correspondentie per e-mail plaatsgevonden. In deze periode is afgesproken dat belanghebbende vooralsnog de gevraagde informatie niet hoeft aan te leveren, in afwachting van de beoordeling door de Belastingdienst van de informatie die op de voor het jaar 2015 aangeleverde USB-stick 1 (zie 2.13) is aangeleverd en dat partijen op korte termijn in gesprek zullen gaan waarna verder zal worden gesproken over de in geschil zijnde jaren. Dit gesprek heeft vervolgens niet plaatsgevonden in verband met destijds geldende maatregelen in verband met COVID-19. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 13 november 2020 te kennen gegeven om welke reden bepaalde kosten niet voor aftrek in aanmerking komen. Belanghebbende is vervolgens bij e-mailbericht van 23 november 2020 in de gelegenheid gesteld stukken aan te leveren tot uiterlijk 6 december 2020.

2.16.1.

Vervolgens heeft belanghebbende de inspecteur een USB-stick (USB-stick 2) toegezonden, door de inspecteur ontvangen op 21 december 2020, met daarop diverse stukken, zoals bonnen, bankafschriften, afsprakenkaarten, een dieetverklaring en door hem opgestelde kostenoverzichten ter onderbouwing van de door hem in de aangifte in aanmerking genomen uitgaven wegens premies voor inkomensvoorzieningen, specifieke zorgkosten en giften.

2.16.2.

Tot de door belanghebbende overgelegde kostenoverzichten behoort een opstelling “Zorgkosten” die een totaalbedrag vermeldt van € 978,93, een opstelling “2015-Zorgkosten” die optelt tot een totaalbedrag van € 2.845,32, daarin begrepen “forfait” voor beddengoed/kleding, “forfait” voor dieet en € 1.235,42 voor reiskosten, en voorts een overzicht “Reizen zorg” dat optelt tot een totaalbedrag van € 886,44. Ter zake van de giften heeft belanghebbende een overzicht overgelegd met daarop vermeld een aantal organisaties met bankrekeningnummers en een drietal organisaties met daarbij vermeld “vrijwilligerswerk” (Gaia, Natuurmonumenten en IVN) en daarbij bankafschriften overgelegd. Verder heeft belanghebbende ter zake van de giften een overzicht “Giften 2015” overgelegd, met daarop vermeld een aantal (deels andere) organisaties waaraan giften zijn gedaan, opgeteld tot een subtotaalbedrag van € 195,68, en een afzonderlijk gift van € 25. Hierbij heeft hij een aantal bankafschriften en afschrijvingen overgelegd.

2.17.

Bij brief van 12 november 2021 heeft de inspecteur belanghebbende een “Vooraankondiging uitspraak op bezwaar” gezonden. Bij brief met dagtekening 25 november 2021 heeft belanghebbende de inspecteur te kennen gegeven een hoorgesprek op prijs te stellen. Op 18 juli 2022 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

2.18.

Vervolgens heeft in de periode 31 mei 2023 tot en met 5 juni 2023 tussen partijen correspondentie per e-mail plaatsgevonden over nog aan te leveren stukken, die belanghebbende tijdens het hoorgesprek van 18 juli 2022 heeft toegezegd te zullen aanleveren. Bij e-mailbericht van 2 juni 2023 heeft belanghebbende nogmaals toegezegd de stukken te zullen aanleveren. Bij e-mailbericht van 5 juni 2023 heeft belanghebbende de inspecteur bericht alles al eerder te hebben overgelegd en niet meer stukken te hebben.

2.19.1.

Bij brief van 22 juni 2023 heeft de inspecteur belanghebbende de “motivering uitspraak op het bezwaar” toegezonden. In de brief verklaart de inspecteur het bezwaar gegrond en kent hij alsnog een aftrek uitgaven wegens specifieke zorgkosten voor de hierna onder 2.19.2 tot en met 2.19.7 genoemde posten toe. Ter zake van giften kent de inspecteur alsnog een aftrek van € 231 toe, abusievelijk zonder daarbij rekening te houden met de drempel.

2.19.2.

Ter zake van kosten voor medicijnen kent de inspecteur alsnog een bedrag van € 106 in aftrek toe, nu tot dat bedrag uit de door belanghebbende overgelegde informatie volgt dat deze medicijnen door een arts zijn voorgeschreven en dat deze contant zijn betaald, en daarmee aannemelijk is geworden dat deze kosten op belanghebbende hebben gedrukt.

2.19.3.

Ter zake van uitgaven voor hulpmiddelen kent de inspecteur alsnog een bedrag toe van in totaal € 944, ter zake van batterijen voor de hoortoestellen van belanghebbende en de partner (€ 581,52), een trilschijf (€ 46,69) en verzekering van een CI-implantaat (€ 115,45) in verband met de slechthorendheid van de partner en kosten voor steunzolen (€ 200).

2.19.4.

Ter zake van uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit kent de inspecteur alsnog een bedrag van € 587 toe in verband met vervoerskosten ter verkrijging van genees- en heelkundige hulp.

2.19.5.

Ter zake van dieetkosten kent de inspecteur alsnog een bedrag toe van in totaal € 1.100. Hierbij heeft de inspecteur rekening gehouden met twee van de vijf door de huisarts voorgeschreven diëten die voorkomen in een door belanghebbende aangeleverde dieetverklaring. De dieetverklaring noemt de volgende diëten, waarbij op grond van artikel 37, lid 3, onder a en c, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 de volgende aftrekbare bedragen horen:

35

Energieverrijkt t.a.v. ziektebeeld oncologie

€ 700

36

Koemelkeiwitvrij t.a.v. overige ziektebeelden

€ 300

20

Energieverrijkt t.a.v. ziektebeeld maag-lever en darmziekten

€ 700

42

Koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrij t.a.v. overige ziektebeelden

€ 350

43

Koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrij en kippen-eiwitvrij t.a.v.

overige ziektebeelden

€ 400

De inspecteur heeft slechts de volgende diëten in aftrek toegestaan:

“(…) is het totale aftrekbaar bedrag aan dieetkosten in uw geval € 1.100. De reden hiervoor is dat diëten die voorgeschreven zijn voor hetzelfde ziektebeeld, slechts eenmaal in aftrek gebracht kunnen worden. Er mag € 700 in aftrek gebracht worden voor het dieet dat koemelkeiwitvrij, kippenei-eiwitvrij en soja-eiwitvrij is. Daarnaast mag u € 400 in aftrek brengen voor het dieet dat energieverrijkt is.”.

2.19.6.

Ter zake van uitgaven voor kleding en beddengoed kent de inspecteur alsnog een aftrek toe tot een bedrag van € 300.

2.19.7.

Ter zake van uitgaven voor genees- en heelkundige hulp kent de inspecteur alsnog een bedrag van € 163 ter zake van behandelingen bij een podotherapeut in aftrek toe.

2.19.8.

In totaal accepteert de inspecteur daarmee een totaalbedrag van € 3.200 aan uitgaven wegens specifieke zorgkosten. Rekening houdend met een drempel van € 1.184, komen de aftrekbare specifieke zorgkosten daarmee op € 2.016.

2.19.9.

Het vorenstaande leidt tot de volgende opstelling:

Inkomen uit werk en woning (box 1)

€ 23.154

Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

€ 8.331

Premies voor inkomensvoorzieningen

€ 0

Uitgaven voor specifieke zorgkosten:

- Kosten medicijnen

€ 106

- Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 944

- Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

€ 587

- Dieetkosten

€ 1.100

- Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 300

- Genees- en heelkundige hulp

€ 163

- Reiskosten ziekenbezoek

€ 0

- Uitgaven voor extra gezinshulp

(na toepassing drempel van € 455)

€ 0

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 3.200

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten

- € 1.184

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

- € 2.016

Scholingsuitgaven

- € 194

Giften (overige andere giften):

Totaalbedrag andere giften

€231

Drempel andere giften

€ 0

Maximale aftrek andere giften

- € 231

Verzamelinkomen

€ 29.044

2.20.

Met dagtekening 7 juli 2023 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar (hierna: de uitspraak op bezwaar) aan belanghebbende gezonden. In de uitspraak op bezwaar is, rekening houdend met hetgeen onder 2.19 is vermeld, het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 20.713, het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 8.331 en het verzamelinkomen op € 29.044. Tevens is de belastingrente nader vastgesteld op € 7.

Beroepsfase

2.21.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. In de beroepsfase heeft belanghebbende diverse stukken ingediend. Dit betreffen onder meer diverse bonnen, bankafschriften, vervoersbewijzen en nadere opstellingen/overzichten van door hem (nader) in aftrek geclaimde uitgaven wegens specifieke zorgkosten en giften. In reactie op het verweerschrift van de inspecteur heeft belanghebbende in de beroepsfase voor een aantal van de door hem geclaimde uitgaven voor specifieke zorgkosten en giften een reactie en/of kostenopstelling ingezonden.

2.22.1.

Ter zake van de dieetkosten heeft belanghebbende in de beroepsfase een opstelling ingediend waarin hij zijn eerdere opstelling daarvan “verbetert”. Hij stelt daarin met de hierna volgende diëten voor een (hogere) aftrek van in totaal € 3.400 in aanmerking te komen en somt dit als volgt op:

18

Energieverrijkt in combinatie met MCT-verrijkt (met en zonder vitaminepreparaat) t.a.v. maag-, darm- en leverziekten

€ 1.350

35

Lactosebeperkt/lactosevrij t.a.v. voedselovergevoeligheid

€ 200

36

Tarwevrij t.a.v. voedselovergevoeligheid

€ 700

42

Koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij t.a.v. voedselovergevoeligheid

€ 1.100

2.22.2.

Verder heeft belanghebbende overgelegd een opstelling “Zorgkosten [naam 1] 2015” die optelt tot een totaalbedrag van € 488,27 en daarnaast nog een aantal aparte posten noemt.

2.23.

Belanghebbende heeft ter zitting van de rechtbank de in de aangifte opgenomen aftrek van reiskosten voor ziekenbezoek laten vallen.

2.24.

De inspecteur heeft in de beroepsfase in zijn verweerschrift, aangevuld ter zitting van de rechtbank, ten aanzien van (onder meer) de volgende posten aan specifieke zorgkosten en de giften, waarvoor hij bij de uitspraak op bezwaar bedragen in aftrek heeft toegestaan, gemotiveerd en om de volgende redenen een beroep op interne compensatie gedaan:

  • kosten van medicijnen: een bedrag van € 106 is ten onrechte in aftrek toegestaan;

  • uitgaven voor hulpmiddelen: een bedrag van € 100 is ten onrechte in aftrek toegestaan;

  • uitgaven voor dieetkosten: een bedrag van € 50 is ten onrechte in aftrek toegestaan;

  • uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit: een bedrag van € 587 is ten onrechte in aftrek toegestaan;

  • giften: een bedrag van € 231 is ten onrechte in aftrek toegestaan, nu bij het doen van de uitspraak op bezwaar ten onrechte geen rekening is gehouden met de drempel.

2.25.1.

De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 9 december 2024 het beroep ongegrond verklaard.

2.25.2.

In haar uitspraak heeft de rechtbank per post behandeld welke posten en bedragen al dan niet voor aftrek in aanmerking komen en kent zij (alsnog) een aftrek uitgaven specifieke zorgkosten voor de hierna onder 2.25.3 tot en met 2.25.5 genoemde posten toe.

2.25.3.

De rechtbank heeft de uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit, nu de hoogte van die kosten niet duidelijk is geworden, schattenderwijs bepaald op € 600, wat betekent dat bij de uitspraak op bezwaar € 13 te weinig aftrek is toegekend.

2.25.4.

De rechtbank heeft, gelijk de inspecteur in de beroepsfase heeft gesteld, de aftrekbare dieetkosten op € 1.050 bepaald, wat betekent dat bij de uitspraak op bezwaar € 50 te veel in aftrek is verleend.

2.25.5.

De rechtbank heeft wegens uitgaven voor kleding en beddengoed, naast de al bij uitspraak op bezwaar toegekende aftrek van € 300, een aanvullend bedrag van € 320 (gelijk de door de inspecteur in de beroepsfase ingenomen stelling) in aftrek toegestaan, zodat voor die post een totaalbedrag van € 620 in aanmerking komt voor aftrek.

2.25.6.

Nu de inspecteur in de beroepsfase echter voor een aantal andere posten, met een beroep op interne compensatie, volgens de rechtbank terecht heeft gesteld dat deze niet (of tot een lager bedrag) in aanmerking kunnen worden genomen (kosten medicijnen: geen aftrek; uitgaven voor hulpmiddelen: een lagere aftrek; uitgaven voor genees- en heelkundige hulp: geen aftrek), leidt voornoemde onder 2.25.3 tot en met 2.25.5 volgens de rechtbank echter niet tot een vermindering van de aanslag en heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

2.25.7.

De uitspraak van de rechtbank leidt dan tot de volgende opstelling die niet tot vermindering van de aanslag leidt:

Inkomen uit werk en woning (box 1)

€ 23.154

Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

€ 8.331

Premies voor inkomensvoorzieningen

€ 0

Uitgaven voor specifieke zorgkosten:

- Kosten medicijnen

€ 0

- Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 744

- Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

€ 600

- Dieetkosten

€ 1.050

- Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 620

- Genees- en heelkundige hulp

€ 163

- Reiskosten ziekenbezoek

€ 0

- Uitgaven voor extra gezinshulp

(na toepassing drempel van € 455)

€ 0

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 3.177

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten

- € 1.184

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

- € 1.993

Scholingsuitgaven

- € 194

Giften (overige andere giften):

Totaalbedrag andere giften

€193

Drempel andere giften

€ 491

Maximale aftrek andere giften

- € 0

Verzamelinkomen

€ 29.298

Hogerberoepsfase

2.26.

In hoger beroep heeft belanghebbende op 13 april 2026, 14 april 2026, 15 april 2026, 16 april 2026, 17 april 2026 en 18 april 2026 een grote hoeveelheid aan nadere (al dan niet nieuwe) stukken bij het hof ingediend. Hieronder vallen, naast onder meer diverse bonnen en rekeningafschriften, onder meer de volgende stukken:

  • een stuk “Voorwoord extra onkosten [naam 2] ” (met een opstelling “Kurzweil onkosten”) waarin belanghebbende verwoordt dat ter zake van deze kosten een bedrag van € 1.720 per jaar in aftrek wordt gebracht onder de noemer zorgkosten;

  • een stuk “Voorwoord voor aftrekpost: Dieet 2015” waarin belanghebbende op een aftrek wegens dieetkosten komt tot een bedrag van € 2.950;

  • een stuk “Voorwoord reiskosten 2015-2016”;

  • een stuk “Textiel forfait voor [belanghebbende] en [dochter 1] )”, waarin is vermeld “wegens gebruik van vetten en olie en gevoeligheid voor “vuil” (ook vocht, zweet, enz.) moeten meneer en onze dochters textiel (veel) vaker gewassen worden dan gebruikelijk”;

  • een stuk “Giften:. 63”;

  • een opstelling van “zorgreizen 2015” van belanghebbende, de partner en dochter 1 die optelt tot een totaalbedrag van € 1.478,51;

  • een stuk “Lijst afspraken [Ziekenhuis] ” ten aanzien van de partner, met daarin opgenomen afspraken bij diverse behandelend personen op het gebied van C1 logopedie, maatschappelijk werk, C1 fitting, C1 audiometrie en CTR. otologie. Verder zijn enkele afspraakbevestigingen van [Ziekenhuis] , operatieve geneeskunde overgelegd;

  • een afschrift van de voorwaarden van de Hema zorgverzekering 2016;

  • een opstelling “2015”, waarin een aantal posten aan zorgkosten wordt opgesomd en dat optelt tot een totaalbedrag van € 3.710,61, daarin begrepen € 300 voor beddengoed/kleding forfait, € 900 voor “dieet forfait” en € 1.297 voor reiskosten.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Komt belanghebbende in aanmerking voor een nadere aftrek voor uitgaven wegens specifieke zorgkosten?

II. Komt belanghebbende in aanmerking voor een aftrek wegens giften?

III. Is het inkomen uit sparen en beleggen tot een te hoog bedrag vastgesteld?

IV. Is terecht belastingrente berekend?

Belanghebbende beantwoordt vragen I tot en met III bevestigend en vraag IV ontkennend; de inspecteur beantwoordt deze vragen tegengesteld.

3.2.

Ter zitting van het hof is komen vast te staan dat belanghebbende niet langer aanspraak maakt op het in de aangifte in aanmerking genomen bedrag ter zake van betaalde premies voor inkomensvoorzieningen ten bedrage van € 3.538 en voorts dat belanghebbende ter zake van dieetkosten, in afwijking van de aangifte, een bedrag van € 2.950 in aftrek wenst te brengen.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, tot vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen en tot vernietiging van de beschikking belastingrente.

3.4.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Het is voor belanghebbende tot op heden onduidelijk (gebleven) welke stukken (op welke manier) van hem worden verlangd ter zake van de door hem in aanmerking genomen uitgaven wegens specifieke zorgkosten en giften. De kosten moeten aannemelijk worden gemaakt en deze moeten op belanghebbende drukken. Onduidelijk blijft voor belanghebbende hoe hij dit moet verantwoorden. De informatie van de Belastingdienst is, aldus belanghebbende, misleidend en de Belastingdienst is stukken kwijtgeraakt en vervolgens doet de rechtbank of deze stukken nooit zijn overgelegd. Met betrekking tot de vereiste stukken is de informatie van de Belastingdienst en de rechtbank niet onderling in overeenstemming, dit voelt als willekeur. Het op digitale wijze moeten aanleveren van stukken, dan wel procederen, leidt tot ongelijke behandeling, nu dit niet voor iedereen mogelijk is en de bewijsvoering bemoeilijkt, zo stelt belanghebbende. Ook ervaart belanghebbende dit als een inbreuk op zijn privacy en is de verregaande digitalisering privacygevoelig. Belanghebbende heeft het recht medische gegevens alleen ter inzage vrij te geven. Dit recht is belanghebbende ontzegd. De bewijsregels voor de twee soorten aftrekposten voor uitgaven wegens vervoer in verband met ziekte en invaliditeit (met autoritten dan wel met openbaar vervoer) verschillen, waarbij geldt dat de uitgaven voor autoritten gemakkelijker te bewijzen zijn. Belanghebbende kan zich geen belastingadviseur permitteren, waardoor het onderbouwen van de aftrekposten wordt bemoeilijkt. Dit levert een ongelijke behandeling op. Nu de afhandeling van het jaar 2015 lange tijd op zich heeft laten wachten, kan niet worden verwacht dat alles bewaard is gebleven, aldus belanghebbende. De diverse aftrekposten zijn onvolledig behandeld en ook niet goed behandeld. Alle aftrekposten zijn door belanghebbende aannemelijk gemaakt en de bewijsstukken waren oorspronkelijk goed geordend tot deze door toedoen van de Belastingdienst opnieuw moesten worden aangeleverd. Alle stukken zijn, anders dan de inspecteur stelt en de rechtbank in haar uitspraak schrijft, aangeleverd. Ten aanzien van een aantal giften geldt dat belanghebbende kosten heeft gemaakt voor een algemeen nut beogende instelling (ANBI), welke kosten belanghebbende niet heeft gedeclareerd en daarom in aftrek mag brengen. Belanghebbende heeft immers vooraf met de ANBI’s de afspraak gemaakt dat hij zulke kosten niet zal declareren en als een gift beschouwt. De rechtbank heeft de verkeerde dieetlijst gebruikt (lijst 2016). Steunzolen worden niet vergoed door de basisverzekering, en een aanvullende verzekering had belanghebbende niet. Belanghebbende verzoekt het hof dan ook alsnog de nog in geschil zijnde aftrekposten (waaronder niet langer vallen de reiskosten voor ziekenbezoek € 193 en de premies voor inkomensvoorzieningen € 3.538 en waarbij de dieetkosten voor een lager bedrag van € 2.950 in aanmerking genomen moeten worden dan oorspronkelijk in de herziene aangifte is opgenomen € 3.350) toe te kennen. Verder is belastingrente geheven terwijl de Belastingdienst zelf traag heeft gehandeld. Voorts stelt belanghebbende dat sprake is van dubbele heffing ten aanzien van het inkomen uit sparen en beleggen.

4.2.

De inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd betwist en stelt dat de uitspraak van de rechtbank op alle punten juist is. Verder is de aangifte gevolgd ten aanzien van het inkomen uit sparen en beleggen en volgt uit de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 die aan de partner is opgelegd, dat bij de partner geen inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen. Ook is de belastingrente terecht en over de juiste periode berekend.

Vooraf

4.3.

Belanghebbende stelt dat tijdens het onder 2.12 bedoelde gesprek met een medewerker van de Belastingdienst door belanghebbende en zijn partner op verzoek van de medewerker stukken zijn achtergelaten teneinde daarvan kopieën te kunnen maken en dat, anders dan is afgesproken, belanghebbende deze stukken niet meer heeft teruggekregen, waardoor hij daar niet meer de beschikking over heeft en in bewijsnood verkeert. De inspecteur heeft dit ter zitting van het hof gemotiveerd weersproken. Hij heeft contact opgenomen met de medewerker van de Belastingdienst die het hoorgesprek heeft gevoerd en die heeft verklaard gehandeld te hebben overeenkomstig het bij de Belastingdienst geldende beleid dat geen stukken worden ingenomen tijdens een hoorgesprek en dat eventueel gewenste kopieën van die stukken direct ter plekke worden gemaakt. De medewerker heeft, aldus de inspecteur, verklaard dat afspraken zijn gemaakt over het indienen van aanvullende stukken, dat hij alle stukken tijdens het hoorverslag heeft bekeken en dat hij geen stukken heeft ingenomen. Het hof heeft, mede gelet op de inhoud van het door belanghebbende van dit verslag opgemaakte gespreksverslag dat deel uitmaakt van het dossier in de zaak met nummer 25/26 van de partner van belanghebbende (zie 2.12) dat geenszins over ingenomen stukken rept, geen reden hier aan te twijfelen. Deze stelling van belanghebbende faalt derhalve. Belanghebbende persisteert, ook nog ter zitting, in zijn stelling dat de Belastingdienst (enige) stukken heeft ingenomen en niet heeft geretourneerd. Het hof hecht er daarom aan over deze kwestie nog het volgende op te merken. Indien voor de zaak relevante stukken ontbreken dient het hof zich doorgaans te buigen over de vraag welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden en daarmee voor wiens rekening en risico het ontbreken van die stukken moet komen. In dit geval acht het hof het antwoord op die vraag van ondergeschikt belang. De complexiteit van deze zaak wordt namelijk niet opgeroepen door de vraag of er stukken ontbreken die voor belanghebbende tot bewijs van enige stelling kunnen dienen, maar louter en alleen door de volstrekt ongestructureerde wijze waarop de (wel aanwezige) honderden stukken ook weer bij het hof zijn ingebracht. Het heeft de rechtbank al doen verzuchten dat het zo wel heel erg moeilijk wordt om de juistheid van de aftrekposten te controleren. Het moet de inspecteur dan ook worden nagegeven dat die zich – zelfs nog ter zitting van het hof – tot het uiterste heeft ingespannen om die controle uit te voeren.

4.4.

Het hof volgt belanghebbende ook niet in haar stelling dat het op digitale wijze (moeten) aanleveren van (bewijs)stukken, dan wel procederen, leidt tot ongelijke behandeling, nu dit niet voor iedereen mogelijk is en de bewijsvoering bemoeilijkt. Allereerst is belanghebbende niet verplicht stukken digitaal aan te leveren, hoewel dat gelet op de omvang wel wenselijk is, maar uit het indienen van de bewijsstukken via een USB-stick blijkt bovendien dat belanghebbende daarin wel is geslaagd. Verder geldt dat zowel de wijze van bewijsvoering voor de door belanghebbende gewenste aftrekposten als de wijze van procederen geldt voor iedere belastingplichtige, zodat van de door belanghebbende gestelde discriminatie geen sprake is.

4.5.

Belanghebbende stelt verder dat sprake is van schending van zijn privacy nu hij geacht wordt medische gegevens te overleggen. Gelet op artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geldt voor een ieder die in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet is betrokken een geheimhoudingsplicht. Deze geldt dus zowel voor alle medewerkers van de Belastingdienst, waaronder de inspecteur, als voor alle medewerkers van de rechtbank en het hof. Nu belanghebbende aanspraak maakt op aftrek wegens specifieke zorgkosten en giften, is het aanleveren van het wettelijk vereiste bewijs daarvoor dan ook een vereiste om aanspraak te kunnen maken op die aftrek, waarbij geldt dat al deze informatie onder de geheimhoudingsplicht valt van allen die dat in dit verband onder ogen krijgen.

Ten aanzien van het geschil

Specifieke zorgkosten; uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit

4.6.

De rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van de persoonsgebonden aftrek en specifieke zorgkosten in het algemeen en de uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit in het bijzonder het volgende overwogen:

“3. Op belanghebbende, die persoonsgebonden aftrek claimt, rust de last om aannemelijk te maken dat de bedragen waarvoor hij aftrek claimt aftrekbaar zijn. (…)

(…)

Zorgkosten

3.2.

Voor aftrek van zorgkosten moet belanghebbende aannemelijk maken dat die bedragen (i) betrekking hebben op in de wet (artikel 6.17 Wet IB 2001) genoemde zorgkosten (ii) door hem of zijn partner zijn betaald en op hen drukken, dat wil zeggen dat de kosten niet vergoed (kunnen) worden door de verzekering en (iii) niet onder het eigen risico vallen, omdat voor kosten die onder het eigen risico vallen aftrek is uitgesloten.

Reiskosten

3.3.

De inspecteur stelt thans dat geen kosten van vervoer geaccepteerd hadden mogen worden omdat belanghebbende geen auto heeft en de opgevoerde kosten van vervoer naar ziekenhuizen, artsen, audioloog en podoloog niet aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende heeft een overzicht van de reizen overgelegd bij de aanvullende stukken van 16 oktober 2024 maar daaruit blijkt niet hoe is gereisd en wat de kosten waren. Daar is wel een handgeschreven overzicht bijgevoegd maar dat niet duidelijk leesbaar en ook is onduidelijk waar de vermelde reiskosten vandaan komen. Ook ter zitting is dat niet duidelijk geworden.

3.3.1.

Artikel 6.17, zesde lid, Wet IB 2001 bepaalt dat voor vervoer aftrekbaar is (a) bij reizen per auto anders dan per taxi € 0,19 per kilometer en (b) bij reizen op andere wijze de werkelijke kosten.

3.3.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij voor het vervoer soms de auto van de buren leent maar dat hij meestal met openbaar vervoer reist. Ter zitting is niet komen vast te staan welke reizen op welke data zijn gemaakt en ook niet hoe die reizen zijn gemaakt (met openbaar vervoer of een geleende auto). Wel is uit overgelegde afspraakbrieven en een behandeloverzicht van de KNO-arts aannemelijk dat belanghebbende in verband met het kennelijk in 2015 geplaatste cochleair implantaat zeer regelmatig in 2015 is gereisd naar het academisch ziekenhuis in [plaats 2] . De rechtbank acht aannemelijk en redelijk dat de partner daarbij ter ondersteuning regelmatig is meegegaan. De rechtbank acht de door belanghebbende opgevoerde 28 keer aannemelijk. Tevens is aannemelijk dat gereisd is naar de huisarts, de homeopatisch arts, de tandarts, de podoloog en de audicien, maar over de frequentie daarvan is geen duidelijkheid omdat belanghebbende geen afsprakenkaarten heeft overgelegd. Het zijn wel reizen in verband met ziekte en daarom behoren de daarvoor gemaakte reiskosten tot de (aftrekbare) zorgkosten. Omdat de hoogte van die kosten niet duidelijk is, zal de rechtbank ze in redelijkheid schatten op € 600. Dat betekent dat € 13 te weinig aftrek is gegeven in de uitspraak op bezwaar.”

4.7.

Belanghebbende heeft in hoger beroep een nadere opstelling van ziektereizen 2015 van belanghebbende, de partner en dochter 1 overgelegd, die optelt tot een totaalbedrag van (afgerond) € 1.478.

4.8.

Ter zitting heeft de inspecteur zich bereid verklaard deze opstelling te beoordelen en zich nader op het standpunt gesteld dat in zijn totaliteit ter zake van vervoerskosten een bedrag van € 1.128 alsnog voor aftrek in aanmerking komt en dat voor een bedrag van € 350 geldt dat deze kosten niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden om voor aftrek in aanmerking te komen. Het hof sluit zich ten aanzien van de resterende € 350 aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de onder 4.6 aangehaalde overwegingen en heeft geen aanleiding te veronderstellen dat er meer kosten voor aftrek in aanmerking komen, nu belanghebbende niet op georganiseerde (en chronologische) wijze een opstelling met achterliggende bewijsstukken heeft aangereikt, aan de hand waarvan het hof in redelijke tijd kan beoordelen of ook voor het resterende bedrag aanspraak kan worden gemaakt op een aftrek wegens uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit. Voorts heeft de inspecteur er terecht op gewezen dat een deel van de resterende kosten ziet op behandelingen ten aanzien waarvan niet aannemelijk is geworden dat deze zijn verricht door of onder toezicht van een arts, waardoor deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten wegens ziekte of invaliditeit en de daarmee verband houdende vervoerskosten evenmin. De resterende € 350 komt dan ook niet voor aftrek in aanmerking.

4.9.

Het hof zal rekening houdend met vorenstaande de aanslag verminderen, in die zin dat alsnog rekening wordt gehouden met een totaalbedrag van € 1.128 aan uitgaven wegens vervoer in verband met ziekte en invaliditeit.

Overige specifieke zorgkosten

4.10.

De rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van de extra kosten van kleding en beddengoed het volgende overwogen:

“2.2.5. De extra kosten van kleding en beddengoed heeft belanghebbende gesteld op € 930. De aftrek is in de uitspraak op bezwaar beperkt tot het in artikel 38 URIB genoemde bedrag van € 300. Tussen partijen is niet in geschil dat dat bedrag moet worden gesteld op € 310 op grond van artikel 38 Uitvoeringsregeling IB 2001. Ter zitting is bovendien komen vast te staan dat deze aftrek verdubbeld moet worden tot € 620. De aftrek moet dus met € 320 worden verhoogd."

4.11.

De rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van de dieetkosten (zie ook 3.2), kosten van begeleiding dochter, kosten van medicijnen, kosten voor hulpmiddelen, het volgende overwogen:

“Dieetkosten

3.4.

Artikel 37, lid 3, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst 2016) beperkt de aftrek van extra dieetkosten, genoemd in het eerste lid, voor (a) eenzelfde dieettypering die meerdere keren in aanmerking zou komen tot éénmaal het bedrag behorende bij die dieettypering; (b) verschillende dieettyperingen die in aanmerking zouden komen bij eenzelfde ziektebeeld en aandoening tot elk van de bij die dieettyperingen behorende bedragen; en (c) deels overeenkomende dieettyperingen bij eenzelfde ziektebeeld en aandoening, tot alleen het hoogste van de voor het van toepassing zijnde ziektebeeld en aandoening geldende bedragen.

3.4.1.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de diëten met de nummers 35 en 20 betrekking op eenzelfde dieettypering, en zijn de diëten met de nummers 36, 42 en 43 deels overeenkomend terwijl zij kennelijk betrekking hebben op hetzelfde ziektebeeld (lactose-intolerantie). De inspecteur stelt dus terecht dat de aftrek voor de diëten 35 en 20 beperkt moet worden tot € 600 en voor de diëten met de nummers 36, 42 en 43 tot € 450. Dat naast de in 2.2.2 vermelde diëten ook rekening gehouden moet worden met een dieet wegens darmproblemen is niet aannemelijk gemaakt, reeds omdat de door de huisarts gegeven dieetverklaring daar niet over rept. Dat betekent dat € 50 te veel aftrek voor diëten is gegeven in de uitspraak op bezwaar.

Begeleiding dochter

3.5.

Tot de stukken behoren verder overzichten van de kosten voor begeleiding van de dochter. Omdat niet aannemelijk is dat die begeleiding door of onder toezicht van een arts of aangewezen zorgverlener plaatsvond, zijn de kosten daarvan niet aftrekbaar.

Medicijnen

3.6.

Voor de medicijnen acht de inspecteur aftrek van de geaccepteerde € 106 niet toegestaan omdat niet duidelijk is of het gaat om medicijnen/farmaceutische hulpmiddelen die door de verzekering zijn vergoed of onder het eigen risico vallen. De rechtbank heeft daarover ook geen duidelijkheid gekregen. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten aftrekbaar zijn. Voor de overige door belanghebbende geclaimde kosten van medicijnen geldt hetzelfde. Bovendien is niet aannemelijk dat die medicijnen steeds zijn voorgeschreven door een arts. Er is ook aftrek gevraagd voor paracetamol en ibuprofen die zonder recept verkrijgbaar zijn. Belanghebbende heeft daarover ook geen duidelijkheid verschaft, onder meer doordat hij de omschrijving van de medicijnen op de facturen onleesbaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende het recht op aftrek voor deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat betekent dat € 106 te veel aftrek voor medicijnen is gegeven in de uitspraak op bezwaar

Hulpmiddelen

3.7.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat de verzekering de kosten vergoedt van batterijen voor het hoorapparaat en de trilschijf en van de verzekering van een CI-implantaat. Belanghebbende had dat zonder meer aannemelijk kunnen maken door de verzekeringspolis aan de inspecteur ter inzage te geven en de rechtbank begrijpt niet waarom hij dat niet heeft gedaan. Maar dergelijke kosten plegen, naar van algemene bekendheid is, niet door een ziektekostenverzekering te worden gedekt, dus de rechtbank zal daarvan uitgaan. Dat geldt echter niet voor de aftrek van € 200 voor de podotherapeut (zolen). De rechtbank begrijpt dat die kosten betrekking hebben op één van de dochters en in de uitspraak op bezwaar blijkt dat het gaat om steunzolen. Niet duidelijk is echter of de kosten door de verzekering zijn of konden worden vergoed en evenmin of die kosten onder het eigen risico vielen. Andere kosten voor hulpmiddelen zijn niet aannemelijk gemaakt. Er zijn op de usb-stick bonnen overgelegd van (onder meer) de Action , Shoe Centrum en Ikea maar het is niet aannemelijk geworden dat die betrekking hebben op hulpmiddelen die door niet-gezonde mensen gebruikt worden. Al met al is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze voor hulpmiddelen opgevoerde kosten aftrekbaar zijn. Uit het voorgaande volgt dat in de uitspraak op bezwaar € 200 (hulpmiddelen) te veel in aftrek is toegelaten.”

4.12.

Het hof acht de onder 4.10 en 4.11 aangehaalde overwegingen van de rechtbank op juiste en goede gronden gegeven, maakt die overwegingen tot de zijne en heeft geen aanleiding te veronderstellen dat er meer kosten voor aftrek in aanmerking komen. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt en ook in hoger beroep niet op een toegankelijke wijze verifieerbaar bewijs geleverd dat tot een hogere aftrek moet leiden. Anders dan belanghebbende meent, heeft de inspecteur de juiste lijst (2015) gebruikt ter bepaling van de dieetkosten. Verder heeft belanghebbende ter zitting van het hof bevestigd dat de uitgaven wegens extra gezinshulp niet zien op huishoudelijke hulp maar zien op door belanghebbende gemaakte kosten die sinds het afschaffen van het PGB op belanghebbende rusten zonder dat daar een compensatie tegenover staat. Gelet op de wettelijke bepalingen ten aanzien van de aftrek voor uitgaven wegens extra gezinshulp kan dit niet op de door belanghebbende voorgestane wijze alsnog in aftrek komen. De wetgever heeft de categorieën uitgaven die voor aftrek in aanmerking komen benoemd en de gemaakte uitgaven vallen onder geen van deze categorieën, althans belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven onder één van deze categorieën aftrekbaar zouden zijn. Er bestaat dan ook geen aanspraak op een aanvullende aftrek wegens specifieke zorgkosten, buiten het onder 4.9 vermelde bedrag van € 1.128, waarvan reeds € 587 in de uitspraak op bezwaar in mindering is gebracht.

Giften

4.13.

De rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van de giften het volgende overwogen:

“Giften

3.9.

Voor aftrek van giften moet hij aannemelijk maken dat die giften zijn gedaan aan een algemeen nut beogende instelling (anbi). Voor zover sprake is van vrijwilligerswerk kan alleen aftrek worden verleend vanwege het afzien van een vrijwilligersvergoeding indien de anbi verklaart dat belanghebbende aanspraak kan maken op en vrijwilligersvergoeding en de anbi bereid en in staat is die vergoeding uit te keren.

3.9.1.

In de aanvullende stukken van 16 oktober 2024 heeft belanghebbende een overzicht van giften overgelegd dat uitkomst op € 195,68, met de toevoeging: “Giften opzoeken: aantekening “Greenpeace, Unicef, War Child? Rode kruis? Anbi: Kerk: RSIN: [nummer] ”. Greenpeace en de kerk staan bij de begiftigden in het overzicht. Andere betalingen aan anbi’s kan de rechtbank niet zien.

3.9.2.

De rechtbank begrijpt dat belanghebbende daarnaast aftrek wil voor werkzaamheden voor de instellingen IVN, Natuurmonumenten en Gaia. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij of zijn partner recht zou hebben op een vrijwilligersvergoeding voor die werkzaamheden van die instellingen en evenmin dat kosten zijn gemaakt die door die instellingen vergoed zouden moeten worden. Daarom bestaat er geen recht op enige aftrek in verband met de werkzaamheden voor IVN, Natuurmonumenten en Gaia. De andere giften blijven onder de drempel voor aftrek van € 491.

4.14.

Het hof acht deze beslissing op juiste en goede gronden gegeven, maakt de hiervoor geciteerde overweging tot de zijne en heeft geen aanleiding te veronderstellen dat er een bedrag wegens giften voor aftrek in aanmerking komt. Ter zitting van het hof heeft belanghebbende verklaard dat de door hem geclaimde aftrek voor werkzaamheden voor de instellingen IVN, Natuurmonumenten en Gaia niet ziet op het afzien van een vrijwilligersvergoeding voor die werkzaamheden waarop hij recht zou hebben, maar ziet op het maken van kosten om het vrijwilligerswerk te kunnen verrichten, die hij vervolgens niet declareert bij de instellingen. De (eventueel) door hem gemaakte kosten, en het bestaan van de mogelijkheid om deze te declareren, acht het hof echter onvoldoende onderbouwd. Er bestaat dan ook, gelijk de rechtbank heeft overwogen, geen recht op een aftrek wegens giften.

Slotsom met betrekking tot het belastbaar inkomen uit werk en woning

4.15.

Gelet op het hiervoor door het hof overwogene, het onder 2.24 vermelde beroep van de inspecteur op interne compensatie voor de daar genoemde posten en hetgeen de rechtbank in haar uitspraak juist en op goede gronden heeft beslist, stelt het hof de voor aftrek in aanmerking komende specifieke zorgkosten als volgt vast:

  • uitgaven voor hulpmiddelen € 744 (bij de uitspraak op bezwaar toegestaan € 944 waarbij de rechtbank € 200 als interne compensatie heeft toegepast);

  • uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit (€ 1.128; zie 4.9);

  • dieetkosten € 1.050. (bij de uitspraak op bezwaar toegestaan € 1.100 waarbij de rechtbank € 50 als interne compensatie heeft toegepast);

  • extra uitgaven voor kleding en beddengoed (bij de uitspraak van de rechtbank op goede gronden toegestaan € 620);

  • uitgaven voor genees- en heelkundige hulp € 163 (bij de uitspraak op bezwaar toegestaan € 163, in beroep noch in hoger beroep is op dit punt een expliciet beroep op interne compensatie gedaan).

Het totaal van de specifieke zorgkosten komt daarmee op € 3.705. Rekening houdend met de daarvoor geldende drempel van € 1.184, heeft belanghebbende recht op een totale aftrek wegens specifieke zorgkosten van € 2.521.

4.16.

Gelet op het beroep op interne compensatie ten aanzien van de giften (de drempel is niet in acht genomen in de uitspraak op bezwaar), komt de giftenaftrek, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, te vervallen.

4.17.

De aftrek voor scholingsuitgaven tot een bedrag van € 194 is niet in geschil (zie 2.2.2 en 2.5.1).

4.18.

Al met al dient het belastbaar inkomen uit werk en woning dan te worden bepaald op € 20.439 (€ 23.154 aangegeven inkomen uit werk en woning (zie 2.2.2) minus in aftrek te brengen specifieke zorgkosten na toepassing van de drempel van € 2.521 minus scholingsuitgaven van € 194).

Inkomen uit sparen en beleggen

4.19.

Belanghebbende stelt dat sprake is van dubbele heffing ten aanzien van het inkomen uit sparen en beleggen, omdat met een familielid gehouden gezamenlijke rekeningen bij ieder voor het geheel in de heffing zijn betrokken. Ter zitting van het hof heeft belanghebbende echter verklaard dat dit in een ander jaar speelt. Het hof zal zich daarover verder dan ook niet uitlaten, omdat belanghebbende hier geen enkel financieel belang bij heeft.

Slotsom met betrekking tot het (verzamel)inikomen

4.20.

Het vorenstaande leidt dan tot de volgende opstelling waarbij het beroep op interne compensatie is verwerkt:

Inkomen uit werk en woning (box 1)

€ 23.154

Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

€ 8.331

Premies voor inkomensvoorzieningen

€ 0

Uitgaven voor specifieke zorgkosten:

- Kosten medicijnen

€ 0

- Uitgaven voor hulpmiddelen € 944 -/- € 200

€ 744

- Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

€ 1.128

- Dieetkosten € 1.100 -/- € 50

€ 1.050

- Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 620

- Genees- en heelkundige hulp

€ 163

- Reiskosten ziekenbezoek

€ 0

- Uitgaven voor extra gezinshulp

(na toepassing drempel van € 455)

€ 0

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 3.705

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten

- € 1.184

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

- € 2.521

Scholingsuitgaven

- € 194

Giften (overige andere giften):

Totaalbedrag andere giften

€193

Drempel andere giften

€ 491

Maximale aftrek andere giften

- € 0

Verzamelinkomen

€ 28.770

Het inkomen uit werk en woning (box 1) dient, rekening houdend met de toe te kennen specifieke zorgkosten en de reeds toegekende aftrek wegens scholingsuitgaven, derhalve te worden bepaald op € 20.439 (€ 23.154 minus € 2.521 minus € 194).

Belastingrente

4.21.

Belanghebbende stelt dat ten onrechte althans teveel belastingrente is geheven, omdat de Belastingdienst zelf traag heeft gehandeld. Het hof ziet, nog daargelaten wat het gevolg zou zijn als belanghebbende in die stelling zou worden gevolgd, in het dossier geen aanleiding voor de conclusie dat de lange duur van de procedure over de onderhavige aanslag louter is te wijten aan de inspecteur, nu juist ook de handelwijze van belanghebbende met regelmaat tot de nodige vertraging heeft geleid. Andere gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft belanghebbende niet aangevoerd. Dat overigens in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de beschikking belastingrente te worden verminderd gelet op het onder 4.20 overwogene.

Slotsom

4.22.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond in die zin dat belanghebbende alsnog voor een nadere aftrek wegens specifieke zorgkosten (uitgaven vervoer in verband met ziekte en invaliditeit) in aanmerking komt in verband waarmee het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt verminderd en de beschikking belastingrente evenredig wordt verminderd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.23.

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank betaalde griffierecht van € 50 en het bij het hof betaalde griffierecht van € 143 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank alsmede de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd.

Ten aanzien van de proceskosten

4.24.

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. Het hof stelt deze kosten vast aan de hand van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

4.25.

Het hof stelt de tegemoetkoming op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting van € 57,46 (op basis van openbaar vervoer tweede klasse). De partner van belanghebbende ontvangt een tegemoetkoming in de zaak met nummer 25/26.

4.26.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb heeft gemaakt.

4.27.

De rechtbank heeft in de zaak BRE 23/9163 van de partner van belanghebbende reeds een vergoeding toegekend voor de proceskosten (reiskosten) in verband met de behandeling van het beroep en daarbij, kennelijk wegens de ongegrondverklaring van het beroep van belanghebbende terwijl deze wel op de zitting van de rechtbank waar de beide zaken gelijktijdig zijn behandeld was verschenen, ook de reiskosten van belanghebbende vergoed. Het hof ziet nu dan ook geen aanleiding voor toekenning van een vergoeding voor de door belanghebbende in de beroepsfase gemaakte reiskosten. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb heeft gemaakt in de beroepsfase.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.439 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.331;

  • vermindert de beschikking belastingrente evenredig;

  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep van in totaal € 193 vergoedt;

  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 57,46.

De uitspraak is gedaan door T.A. de Hek, voorzitter, A. van Dongen en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van E.J. Nederveen, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.

De griffier, De voorzitter,

E.J. Nederveen T.A. de Hek

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.