Belastingrecht
Het hof is van oordeel dat belanghebbende inhoudingsplichtige is ten aanzien van het personeel dat werkzaam…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 juli 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:1949 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1949
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 22 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/67 tot en met 25/87
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1949
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof is van oordeel dat belanghebbende inhoudingsplichtige is ten aanzien van het personeel dat werkzaam is in het restaurant; het restaurant wordt immers voor rekening en risico van belanghebbende gedreven en belanghebbende heeft loon uitbetaald aan het personeel. Verder is het hof van oordeel dat belanghebbende niet met succes een beroep kan doen op gewekt vertrouwen; nog daargelaten of belanghebbende vertrouwen kan ontlenen aan een bij een andere rechtspersoon ingesteld onderzoek, heeft die rechtspersoon de inspecteur juiste dan wel volledige inlichtingen onthouden. De inspecteur heeft terecht het anoniementarief toegepast.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 december 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:8810Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 22 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:1949
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/67 tot en met 25/87
Uitspraak op het hoger beroep van
Stichting [belanghebbende] ,
domicilie kiezend in [plaats 1] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 december 2024, nummers BRE 22/999 tot en met 22/1010, 22/1024 tot en met 22/1030, 24/3574 en 24/3575, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
Hoger beroepen met nummers 25/67 tot en met 25/85
De inspecteur heeft naheffingsaanslagen loonheffingen over meerdere tijdvakken gelegen in de periode tussen juni 2017 en december 2019 opgelegd (hierna: de eerste serie naheffingsaanslagen). Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikkingen boeten opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft op 17 januari 2022 uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak de bestuurlijke lus toegepast, de inspecteur in de gelegenheid gesteld om gebreken te herstellen en de rechtbank te laten weten of en zo ja in hoeverre er reden is voor wijziging van de uitspraken op bezwaar.
De inspecteur heeft in reactie op de tussenuitspraak medegedeeld op welke wijze het gebrek is hersteld (hierna: de herstelde uitspraken op bezwaar). De rechtbank heeft overwogen dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op de herstelde uitspraken op bezwaar.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar van 17 januari 2022 vernietigd, de beroepen tegen de herstelde uitspraken op bezwaar die zien op de verzuimboeten en de beslissing inzake de kostenvergoeding gegrond verklaard, de herstelde uitspraken op bezwaar die zien op de verzuimboeten en de beslissing inzake de kostenvergoeding vernietigd, de verzuimboeten vernietigd, de beroepen tegen de herstelde uitspraken op bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en nevenbeslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.
Hoger beroepen met nummers 25/86 en 25/87
De inspecteur heeft naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 en van 1 september 2019 tot en met 31 december 2019 opgelegd (hierna: de tweede serie naheffingsaanslagen). Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikkingen boeten opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft op 27 februari 2024 uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Hoger beroepen met nummers 25/67 tot en met 25/87
Belanghebbende heeft tegen de in 1.5 en 1.8 bedoelde, in één geschrift verenigde, uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 4] , [inspecteur 3] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn de onderhavige zaken en de zaken van belanghebbende met nummers 25/65 en 25/66 gelijktijdig behandeld.
Partijen hebben ieder voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota’s doorgestuurd naar de andere partij. Deze pleitnota’s worden met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een (tweede) pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is opgericht op 6 juli 2011. Enig bestuurder van belanghebbende is sinds de oprichting [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1] ). Tot het dossier behoort een uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) van belanghebbende, opgemaakt op 15 februari 2022. Daarin is vermeld dat de activiteiten van belanghebbende bestaan uit:
“Het voeren van directie, interim-management, exploitatie en beheer, alsmede het investeren in ondernemingen, het deelnemen in ondernemingen als (stille) vennoot of aandeelhouder”.
Ook is daarin vermeld dat de statutaire zetel van belanghebbende in Almere is gelegen en is als bezoekadres een adres in [plaats 2] , Spanje vermeld.
[A B.V.] (hierna: de BV) is opgericht op 11 mei 2017. Enig aandeelhouder en bestuurder van de BV is [Stichting 1] . Bestuurder van deze stichting is [Stichting 2] . [bestuurder 1] is enig bestuurder van laatst vermelde stichting.
De BV, vertegenwoordigd door [bestuurder 1] , heeft op 15 mei 2017 een overeenkomst gesloten in verband met de huur van de onroerende zaak [adres] in [plaats 3] (hierna: het pand) voor de duur van vijf jaar. In de huurovereenkomst is vermeld dat het pand uitsluitend dient te worden gebruikt als eetcafé/restaurant. De overeengekomen huur bedraagt € 53.592 per jaar, ofwel € 4.466 per maand.
In het pand wordt in de onderhavige tijdvakken een restaurant, [restaurant] , geëxploiteerd (hierna: het restaurant). In het restaurant was personeel, onder wie de zoon van [bestuurder 1] , [de zoon] (hierna: de zoon), werkzaam. Belanghebbende heeft vanaf 12 juni 2017 tot en met 23 september 2019 bedragen uitbetaald aan het personeel dat in het restaurant werkzaam was.
De BV is vanaf 1 mei 2017 beschreven voor de loonheffingen en heeft nihilaangiften ingediend. De inspecteur heeft bij de BV een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen en omzetbelasting over de tijdvakken 1 april 2017 tot en met 31 maart 2018 aangekondigd. Het boekenonderzoek heeft plaatsgehad op 20 november 2018. In het controlerapport van 24 juni 2019, opgemaakt door [de controleur] (hierna: de controleur), is het volgende vermeld:
“Tijdens het onderzoek heeft belastingplichtige aangegeven dat de activiteiten van het restaurant zijn verpacht (ik verwijs hiervoor naar hoofdstuk 2.1 bedrijfsactiviteiten).
Belastingplichtige heeft aangegeven dat er geen personeel in dienst is waardoor er nihilaangiften zijn ingediend.
(…)
Tijdens het inleidend gesprek heeft bestuurder, (…) [bestuurder 1] aangegeven dat de activiteiten (exploitatie van horeca aangelegenheid) over de periode van:
- mei 2017 tot en met april 2018 is verpacht aan [B B.V.]
- april 2018 tot en met april 2019 is verpacht aan [C B.V.]
(…)
4. Loonheffingen
De heer [bestuurder 1] heeft aangegeven dat de activiteiten van het restaurant zijn verpacht. Hierdoor heeft [A B.V.] geen personeel in dienst. Als gevolg hiervan worden nihilaangiften ingediend. Dit is door mij gecontroleerd en akkoord bevonden.”.
Tot de stukken van het geding behoort een e-mail van de controleur van 18 januari 2024, waarin deze het volgende heeft verklaard:
“Ik heb vastgesteld dat er pachtovereenkomsten aanwezig waren
Als ik mij goed herinner [C B.V.] (personeel) en nog 1 (verpachting van inventaris etc;maar aan wie weet ik niet meer).
Ik kon dan niet anders concluderen dat er terecht nihilaangiften zijn ingediend door [restaurant] . Ik heb zijdelings (omdat het niet onder mijn reikwijdte viel) wel gecontroleerd of er aangiften werden ingediend door [C B.V.]
Dit was niet het geval.
[C B.V.] viel onder een ander kantoor en daar is een signaal naar verstuurd om ze uit te nodigen voor het doen van loonaangifte.”.
De inspecteur heeft vastgesteld dat belanghebbende belastingplichtig is voor onder meer de loonheffingen en heeft belanghebbende daarvan bij brief van 13 mei 2020 op de hoogte gesteld. Bij brieven van 25 mei 2020 heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd aangifte loonheffingen te doen voor de tijdvakken januari tot en met december over de jaren 2017 tot en met 2019. In deze brieven is vermeld dat de uiterste aangiftedatum en uiterste betaaldatum 25 juni 2020 is.
Belanghebbende heeft bij brief van 22 juni 2020 aan de inspecteur bericht het niet eens te zijn met de vaststelling van de belastingplicht voor de loonbelasting, omdat er volgens haar geen personeel in dienst is.
Belanghebbende heeft geen aangiften voor de loonheffingen ingediend.
De inspecteur heeft de eerste serie naheffingsaanslagen opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur de loonheffingen berekend met toepassing van het tarief voor anonieme werknemers. Daarnaast heeft de inspecteur bij elke naheffingsaanslag belastingrente in rekening gebracht en een aangifteverzuimboete van € 65 opgelegd. Het betreft de volgende naheffingsaanslagen en rente- en boetebeschikkingen:
|
Aanslagnr. [aanslagnummer] |
Dagtekening |
Tijdvak |
Loonheffing € |
Belastingrente € |
Boete € |
|
A0217060 |
12-10-2020 |
Juni 2017 |
8.500 |
846 |
65 |
|
A0217070 |
29-10-2020 |
Juli 2017 |
8.500 |
861 |
65 |
|
A0217080 |
18-11-2020 |
Augustus 2017 |
8.500 |
880 |
65 |
|
A0218010 |
17-07-2020 |
Januari 2018 |
2.750 |
155 |
65 |
|
A0218020 |
05-08-2020 |
Februari 2018 |
4.250 |
240 |
65 |
|
A0218030 |
21-08-2020 |
Maart 2018 |
8.500 |
481 |
65 |
|
A0218040 |
07-09-2020 |
April 2018 |
8.500 |
481 |
65 |
|
A0218050 |
23-09-2020 |
Mei 2018 |
8.500 |
488 |
65 |
|
A0218060 |
12-10-2020 |
Juni 2018 |
8.500 |
506 |
65 |
|
A0218070 |
29-10-2020 |
Juli 2018 |
8.500 |
521 |
65 |
|
A0218080 |
18-11-2020 |
Augustus 2018 |
8.500 |
540 |
65 |
|
A0219010 |
17-07-2020 |
Januari 2019 |
2.750 |
45 |
65 |
|
A0219020 |
05-08-2020 |
Februari 2019 |
4.250 |
70 |
65 |
|
A0219030 |
21-08-2020 |
Maart 2019 |
8.500 |
141 |
65 |
|
A0219040 |
07-09-2020 |
April 2019 |
8.500 |
141 |
65 |
|
A0219050 |
23-09-2020 |
Mei 2019 |
8.500 |
148 |
65 |
|
A0219060 |
12-10-2020 |
Juni 2019 |
8.500 |
166 |
65 |
|
A0219070 |
29-10-2020 |
Juli 2019 |
8.500 |
181 |
65 |
|
A0219080 |
18-11-2020 |
Augustus 2019 |
8.500 |
200 |
65 |
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
De inspecteur heeft bij brief van 10 november 2023 aangekondigd dat vanwege de uitbetalingen van lonen in de maanden september 2018 tot en met december 2018 en in de maanden september 2019 tot en met december 2019 naheffingsaanslagen loonheffingen zullen worden opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur aangekondigd op grond van artikel 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een betaalverzuimboete te zullen opleggen.
De inspecteur heeft in vervolg op de in 2.11 bedoelde brief met dagtekening 21 november 2023 de tweede serie naheffingsaanslagen opgelegd. Tevens heeft de inspecteur bij beide naheffingsaanslagen een betalingsverzuimboete opgelegd.
|
Aanslagnr. [aanslagnummer] |
Dagtekening |
Tijdvak |
Loonheffing € |
Belastingrente € |
Boete € |
|
A028500 |
21-11-2023 |
September t/m december 2018 |
34.362 |
6.615 |
3.436 |
|
A029500 |
21-11-2023 |
September t/m december 2019 |
10.767 |
1.642 |
1.076 |
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank bij herstelde uitspraken op bezwaar met betrekking tot de eerste serie naheffingsaanslagen met dagtekening 15 december 2023 de bezwaren tegen die naheffingsaanslagen ontvankelijk verklaard, vier naheffingsaanslagen als hierna vermeld verminderd, de daarbij behorende belastingrente naar rato verminderd en de overige naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen en de verzuimboeten gehandhaafd. De vier naheffingsaanslagen zijn als volgt verminderd:
|
Aanslagnr. [aanslagnummer] |
Dagtekening |
Tijdvak |
Loonheffing € |
|
A0218030 |
15-12-2023 |
Maart 2018 |
8.263 |
|
A0219030 |
15-12-2023 |
Maart 2019 |
7.772 |
|
A0219040 |
15-12-2023 |
April 2019 |
7.294 |
|
A0219050 |
15-12-2023 |
Mei 2019 |
7.594 |
Naar aanleiding van de herstelde uitspraken op bezwaar (zie 2.13) heeft de inspecteur met dagtekening 5 januari 2024 de volgende verminderingsbeschikkingen gegeven:
|
Aanslagnr. [aanslagnummer] |
Dagtekening |
Tijdvak |
Loonheffing € |
Belastingrente € |
Boete € |
|
A0218030 |
15-12-2023 |
Maart 2018 |
8.263 |
481 |
65 |
|
A0219030 |
15-12-2023 |
Maart 2019 |
7.772 |
141 |
65 |
|
A0219040 |
15-12-2023 |
April 2019 |
7.294 |
141 |
65 |
|
A0219050 |
15-12-2023 |
Mei 2019 |
7.594 |
148 |
65 |
Door de BV gesloten overeenkomsten en gemaakte afspraken met betrekking tot de exploitatie van het restaurant
De BV heeft in mei 2017 de exploitatie van het restaurant overgenomen van [D B.V.] Bestuurder van [D B.V.] was de zoon.
De BV heeft bij brief van 7 mei 2017 aan [D B.V.] afspraken betreffende het personeel van [D B.V.] vastgelegd. In de brief is het volgende vermeld:
“Hierbij bevestigen wij de gemaakte afspraken betreffende de werknemers die per 6 mei in dienst zijn bij [D B.V.] .
- [D B.V.] garandeert de salarisbetaling van de medewerkers over de maand april 2017, uit te betalen in de maand mei 2017.
- De medewerkers kunnen desgewenst werkzaam blijven in het restaurant.
- [A B.V.] garandeert de uitbetaling van het netto salaris van de medewerkers over de maand mei 2017, uit te betalen in de maand juni 2017.
- Per 1 juni 2017 zal [A B.V.] de medewerkers een arbeidsplaats aanbieden, waarmee het dienstverband met [D B.V.] kan eindigen.
De afspraken zijn gemaakt in het belang van de werknemers.
Er is door partijen gezocht naar een manier om het ongemak voor de werknemers tot een minimum te beperken, zodat de arbeidsplaatsen te behouden kunnen worden en hiaten in de salarisbetaling worden voorkomen.
Ik vertrouw erop dat e.e.a. hierboven juist is weergegeven en reken op een correcte afwikkeling van de gemaakte afspraken.”
De BV heeft op 20 mei 2017 een pachtovereenkomst gesloten met [B] , handelsnaam van [bedrijf] , waarbij is overeengekomen dat het restaurant met ingang van 15 mei 2017 wordt verpacht aan [B] voor een bedrag van € 4.500 per maand. [bedrijf] is opgericht op 19 mei 2017 en gevestigd in het Verenigd Koninkrijk.
De BV heeft op 29 maart 2018 een pachtovereenkomst gesloten met [C B.V.] , waarbij is overeengekomen dat het restaurant met ingang van 15 april 2018 wordt verpacht aan [C B.V.] voor een bedrag van € 4.600 per maand. [C B.V.] is opgericht op 23 maart 2018. Enig aandeelhouder en bestuurder van [C B.V.] is sinds de oprichting [persoon] .
De BV en de zoon hebben op 19 november 2019 een koopovereenkomst gesloten. Daarin is bepaald dat de BV de exploitatie van het restaurant per 1 december 2019 staakt en dat de exploitatie vanaf die datum voor rekening en risico van de zoon is.
Overige
[bestuurder 1] is in de periode 31 mei 2017 tot 25 september 2017 bestuurder van [Limited] , mede handelend onder de naam [naam] . [Limited] is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk.
[bedrijf] , [Limited] en [C B.V.] hebben zich geen van alle bij de Belastingdienst aangemeld als werkgever.
[Limited] en [C B.V.] hebben aangiften loonheffingen ingediend. Deze loonaangiften zijn niet in behandeling genomen, omdat [Limited] en [C B.V.] niet als werkgever zijn aangemeld. [Limited] en [C B.V.] hebben geen loonheffingen afgedragen of voldaan op de ingediende aangiften.
[Limited] , [C B.V.] en [bedrijf] hebben geen van alle een Nederlandse bankrekening (gehad).
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
-
Is belanghebbende aan te merken als inhoudingsplichtige?
-
Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?
-
Heeft de inspecteur ten onrechte het anoniementarief toegepast?
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslagen, rentebeschikkingen en boetebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
Vraag a: inhoudingsplicht
De inspecteur heeft de in geschil zijnde naheffingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat belanghebbende bedragen heeft uitbetaald aan personen die werkzaam waren in het door belanghebbende geëxploiteerde restaurant en dat belanghebbende aldus is aan te merken als inhoudingsplichtige.
Inhoudingsplichtige is degene tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan.
Indien de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat uit gegevens en inlichtingen kan blijken dat de bedragen zijn uitbetaald aan personen ten aanzien van wie bij degene die de betalingen heeft gedaan inhoudingsplicht bestaat, ligt het op de weg van diegene aannemelijk te maken dat dit niet het geval is.
De inspecteur heeft gesteld dat al het met de exploitatie van het restaurant gemoeide betalingsverkeer, waaronder de inning van de omzet via pinbetalingen en de betaling van lonen en de leveranciers, in de onderhavige tijdvakken via de bankrekening van belanghebbende liep. Verder heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende het met het restaurant behaalde resultaat niet heeft afgedragen aan dan wel verrekend met een ander. Dat leidt volgens de inspecteur tot de conclusie dat belanghebbende het restaurant voor haar rekening en risico heeft geëxploiteerd. Verder heeft de inspecteur gesteld dat de loonaangifte van [D B.V.] over de maand mei 2017 betrekking heeft op dezelfde werknemers als de personen aan wie belanghebbende bedragen in de daarop volgende periode heeft betaald. De inspecteur heeft verder gesteld dat dit aansluit bij de in de brief van 7 mei 2017 opgenomen afspraak dat de BV per 1 juni 2017 de medewerkers van [D] een arbeidsplaats zal aanbieden, zij het dat niet de BV maar belanghebbende de loonbetalingen verricht. De inspecteur stelt dat hieruit volgt dat belanghebbende inhoudingsplichtig is ten aanzien van de loonbetalingen die zij in de onderhavige tijdvakken heeft verricht.
Belanghebbende heeft niet weersproken dat het met de exploitatie van het restaurant gemoeide betalingsverkeer in de onderhavige tijdvakken via de bankrekening van belanghebbende liep. Gesteld noch gebleken is dat ter zake van het aldus met de exploitatie van het restaurant behaalde resultaat een afrekening heeft plaatsgehad met enig rechthebbende. Dat rechtvaardigt de conclusie dat het met de exploitatie van het restaurant behaalde resultaat ten goede is gekomen aan belanghebbende. Gelet daarop acht het hof aannemelijk dat het restaurant voor rekening en risico van belanghebbende is gedreven en dat de werknemers, ondanks de in 2.16 bedoelde brief, in dienstbetrekking tot belanghebbende hebben gestaan. Verder heeft belanghebbende niet weersproken dat zij in de onderhavige tijdvakken bedragen heeft betaald aan personeel dat in het restaurant werkzaam was (zie 2.4). Gelet op de brief van de BV aan [D B.V.] (zie 2.16) acht het hof aannemelijk dat het gaat om de werknemers die onmiddellijk voorafgaand aan de onderhavige tijdvakken in loondienst waren bij [D B.V.] en dat deze bedragen ten titel van loon zijn uitbetaald.
Gelet op dat wat in 4.5 is overwogen, is het hof van oordeel dat de inspecteur zich hiermee in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat uit gegevens en inlichtingen blijkt dat belanghebbende de bedragen heeft uitbetaald aan personen ten aanzien van wie bij haar inhoudingsplicht bestaat. Het feit dat de inspecteur niet beschikt over de arbeidsovereenkomsten van de betreffende personen, doet daar niet aan af. Het ligt dan op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat dit niet het geval is.
Belanghebbende heeft in dat kader gesteld dat het restaurant niet voor haar rekening en risico werd gedreven. Zij stelt dat ze het restaurant heeft verpacht aan [bedrijf] (zie 2.17), [C B.V.] (zie 2.18) dan wel [Limited] (zie 2.20). Zij heeft in dat kader pachtovereenkomsten overgelegd, alsmede bankafschriften waarop betalingen met de omschrijving “pacht” zijn vermeld. Verder stelt belanghebbende dat is gewerkt met het systeem van reverse factoring zodat zij als verpachter inzicht kon hebben in de exploitatie van het restaurant door de pachters. Belanghebbende stelt dat zij in de hoedanigheid van verpachter en door toepassing van reverse factoring de omzet van het restaurant heeft ontvangen en dat zij van die ontvangsten de crediteuren en lonen betaalde.
De inspecteur heeft daartegen ingebracht dat de pachtovereenkomsten en de reverse factoring slechts een papieren werkelijkheid representeren en dat het restaurant feitelijk wordt gedreven voor rekening en risico van belanghebbende. Het hof volgt het standpunt van de inspecteur. Gesteld noch gebleken is immers dat ter zake van het met de exploitatie van het restaurant behaalde resultaat een afrekening heeft plaatsgehad met een pachter (zie 4.5).
Belanghebbende heeft verder nog gesteld dat [bestuurder 1] in de jaren 2017 tot en met 2019 niet woonachtig was in Nederland maar in Spanje. Belanghebbende was daarom niet in staat om een restaurant te exploiteren in Nederland. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
Het hof acht niet aannemelijk dat [bestuurder 1] in de onderhavige jaren niet in Nederland woonde. Hij heeft immers zelf voor de onderhavige jaren aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan als binnenlands belastingplichtige. Het hof acht niet aannemelijk dat [bestuurder 1] de aangiften als zodanig heeft gedaan om geen discussie met de Belastingdienst te krijgen, terwijl hij eigenlijk buitenlands belastingplichtig zou zijn. Bovendien acht het hof de fiscale woonplaats van [bestuurder 1] van weinig belang bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende het restaurant exploiteerde. Om als rechtspersoon een restaurant in Nederland te kunnen exploiteren, is het niet noodzakelijk dat de bestuurder fiscaal inwoner is van Nederland.
Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat zij niet inhoudingsplichtig is.
Gelet op het vorenstaande is belanghebbende op basis van de Wet op de loonbelasting 1969 dus inhoudingsplichtige.
Vraag b: vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt dat het bij de BV ingestelde boekenonderzoek (zie 2.5) bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat zij niet inhoudingsplichtig is voor het personeel van het restaurant. Volgens belanghebbende heeft de controleur bij de BV de aanvaardbaarheid van de aangifte loonheffingen over de tijdvakken 1 april 2017 tot en met 31 maart 2018 gecontroleerd. De controleur heeft aan de hand van de pachtovereenkomsten geconcludeerd dat i) de exploitatie van het restaurant is verpacht en ii) dat de BV terecht nihilaangiften voor de loonheffingen heeft ingediend. Belanghebbende stelt dat de controleur per e-mail (zie 2.6) heeft bevestigd dat deze heeft gecontroleerd en vastgesteld dat er tijdens het boekenonderzoek pachtovereenkomsten aanwezig waren. Op grond van het gelijkheidsbeginsel geldt het vertrouwen volgens belanghebbende niet alleen voor de BV maar ook voor belanghebbende en bovendien niet alleen in de relatie tussen belanghebbende en de BV maar ook in de relatie tussen belanghebbende en [naam] en [C B.V.] , omdat ook zij aangiften voor de loonheffingen hebben gedaan.
De inspecteur stelt dat de controleur weliswaar heeft vastgesteld dat er pachtovereenkomsten waren (zie 2.6), maar dat deze daarbij in vertrouwen is afgegaan op de juistheid van de door [bestuurder 1] verstrekte informatie. Hij stelt dat de controleur op het verkeerde been is gezet door [bestuurder 1] , doordat alleen de papieren werkelijkheid (de pachtovereenkomsten) is voorgehouden, terwijl er geen daadwerkelijke exploitatie door deze vermeende pachters heeft plaatsgevonden. Omdat een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven, kan aan de akkoordverklaring van de controleur geen in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend.
Het hof stelt het volgende voorop. De inspecteur is niet gebonden aan een in de rapportage van een boekenonderzoek gedane toezegging, en de belastingplichtige kan niet met succes een beroep doen op gewekt vertrouwen met betrekking tot een dergelijke toezegging, indien de belastingplichtige tijdens het boekenonderzoek de inspecteur - al of niet naar aanleiding van diens vragen om inlichtingen - over de desbetreffende kwestie onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt dan wel de inspecteur de juiste en volledige inlichtingen daarover heeft onthouden, terwijl hij redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet in staat was de desbetreffende kwestie goed en volledig op haar fiscale merites te beoordelen.
Nog daargelaten of belanghebbende vertrouwen kan ontlenen aan een bij de BV ingesteld onderzoek, is het hof van oordeel dat [bestuurder 1] , bestuurder van belanghebbende, tijdens het boekenonderzoek bij de BV de inspecteur over de verpachting van het restaurant juiste dan wel volledige inlichtingen heeft onthouden, terwijl hij redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet in staat was de desbetreffende kwestie goed en volledig op haar fiscale merites te beoordelen. [bestuurder 1] heeft immers tegen beter weten in verzwegen dat aan de pachtovereenkomsten geen uitvoering is gegeven. Voor zover al sprake zou zijn van een in het controlerapport gedane toezegging is de inspecteur om voormelde reden daaraan niet gebonden en kan belanghebbende niet met succes een beroep doen op gewekt vertrouwen met betrekking tot die toezegging.
Gelet op het vorenstaande kan belanghebbende zich niet met succes beroepen op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende is dus aan te merken als inhoudingsplichtige.
Vraag c: anoniementarief
Voor dat geval stelt belanghebbende dat de inspecteur ten onrechte het tabeltarief voor anonieme werknemers heeft toegepast. Zij stelt in dat kader dat de volledige loonadministratie van [bedrijf] , [C B.V.] en [Limited] aan belanghebbende moet worden toegerekend. Aldus is volgens belanghebbende geen sprake van loonbetalingen aan anonieme werknemers.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet een eigen loonadministratie heeft, waarin de relevante gegevens van de werknemers zijn opgenomen, dat daarom sprake is van nettoloonbetalingen aan anonieme werknemers en dat terecht het tabeltarief voor anonieme werknemers is toegepast.
Niet in geschil is dat belanghebbende geen eigen loonadministratie heeft. Dat leidt tot de conclusie dat de inspecteur terecht het anoniementarief heeft toegepast. Voor toerekening van de loonadministratie van de pachters aan belanghebbende is geen grondslag.
Gelet op het vorenstaande zijn de in geschil zijnde naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende opgelegd en niet tot te hoge bedragen vastgesteld.
Belanghebbende heeft geen gronden gericht tegen de rentebeschikkingen. Het hof constateert ambtshalve dat de inspecteur in de herstelde uitspraken op bezwaar heeft beslist dat de belastingrente behorend bij de vier verminderde naheffingsaanslagen naar rato wordt verminderd (zie 2.13), maar dat de vermindering van die belastingrenten niet in de verminderingsbeschikkingen is verwerkt (zie 2.14). Het hof gelast de inspecteur de belastingrenten behorend bij de vier verminderde naheffingsaanslagen alsnog naar rato te verminderen, in overeenstemming met de herstelde uitspraken op bezwaar.
Vraag d: boeten
De rechtbank heeft de boeten ter zake van de eerste serie naheffingsaanslagen vernietigd. De inspecteur heeft berust in dit besluit van de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen tegen de boeten ter zake van de tweede serie naheffingsaanslagen in stand gelaten en in dat kader het volgende overwogen:
“4.13. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende inhoudingsplichtig is voor de loonheffingen en de verschuldigde loonheffingen niet heeft betaald. Daarom heeft hij over de tijdvakken gelegen in de perioden september 2018 tot en met december 2018 en september 2019 tot en met december 2019 verzuimboeten opgelegd (zie 3.15) wegens het niet tijdig betalen van loonheffingen.8 De betaalverzuimboete bedraagt tien procent van de niet betaalde loonheffingen.
Vast staat dat belanghebbende in de tijdvakken gelegen in de perioden september 2018 tot en met december 2018 en september 2019 tot en met december 2019 lonen aan het personeel van het restaurant heeft uitbetaald. Eveneens staat vast dat belanghebbende over die tijdvakken geen loonheffingen heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft bewezen dat in de te onderscheiden tijdvakken geen loonheffing is betaald door belanghebbende. De boete is dan ook als uitgangspunt terecht opgelegd.
Bij het opleggen van een verzuimboete geen onderscheid wordt gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid. Alleen indien er sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) blijft een verzuimboete achterwege. Dit is echter niet gesteld noch gebleken. De boeten wegens betaalverzuim zijn naar het oordeel van de rechtbank ook passend en geboden.”.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de boeten terecht zijn opgelegd en dat deze passend en geboden zijn.
Tussenconclusie
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep ongegrond;
-
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, A.J. Kromhout en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.