Belastingrecht
Navorderingsaanslag Vpb 2017. Belanghebbende maakte tot haar liquidatie in oktober 2017 onderdeel uit van een…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 augustus 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2264 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 19 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2264
Zaakgegevens
Op 19 augustus 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Datum publicatie
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/1184
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2264
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Navorderingsaanslag Vpb 2017. Belanghebbende maakte tot haar liquidatie in oktober 2017 onderdeel uit van een vennootschapsstructuur. Belanghebbende heeft aangifte Vpb 2017 gedaan onder horizontaal toezicht en daarbij geen winst ter zake van goodwill aangegeven. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag Vpb opgelegd tot het belastbaar bedrag plus de goodwill.
Het hof oordeelt dat sprake is van een nieuw feit. De inspecteur heeft de door hem verdedigde waarde van de goodwill aannemelijk gemaakt door aan te sluiten bij de berekeningen binnen het concern ter zake van aandelentransacties tussen onafhankelijke partijen.
Het hof is van oordeel dat de belastingrente niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel in rekening is gebracht. Het hof vermindert de belastingrente wegens het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 11 juli 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:4728Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 19 augustus 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:2264
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1184
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 juli 2024, nummer BRE 23/3851, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, [oud werknemer] , oud-werknemer van belanghebbende, [adviseur] , adviseur van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1185 tot en met 24/1187.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2 Feiten
Belanghebbende maakte deel uit van de [Groep] . De activiteiten van de [Groep] bestaan uit dienstverlening op het gebied van SAP-software.
Tot de [Groep] behoorden de volgende vennootschappen: [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ), [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ), [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ), [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en belanghebbende (hierna ook: [belanghebbende] ).
De structuur van de [Groep] , voor zover hier van belang, zag er eind 2015 als volgt uit:
De inspecteur en het voormalig advieskantoor/gemachtigde van belanghebbende, [voormalig advieskantoor] (hierna: [voormalig advieskantoor] of het voormalige advieskantoor), hebben in 2013 een convenant gesloten met betrekking tot horizontaal toezicht door de Belastingdienst ten aanzien van cliënten van die adviseur. Op het convenant is de Leidraad Horizontaal Toezicht Fiscaal Dienstverleners (de Leidraad) van toepassing. Vanaf 9 oktober 2015 valt belanghebbende onder dit horizontaal toezicht.
In 2016 zijn de activiteiten van [bedrijf 4] en [bedrijf 3] ondergebracht in [bedrijf 1] waarna [bedrijf 4] en [bedrijf 3] zijn geliquideerd.
Op 27 maart 2017 heeft [Groep] B.V. 49% van de aandelen in [bedrijf 2] en [bedrijf 1] gekocht voor respectievelijk € 262.500 en € 778.125. Vanaf dat moment bezit [Groep] B.V., naast de aandelen in belanghebbende, ook alle aandelen in [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . De koopprijs van de aandelen is berekend aan de hand van de formule omzet 2015 vermenigvuldigd met een factor 1,1 plus het zichtbaar eigen vermogen ‘hoog’ per 31 december 2015. Er is rekening gehouden met een correctie van € 90.000 omdat [Groep] B.V. in 2016 meer managementfee had uitgekeerd aan de zittende managers dan was afgesproken en daardoor was de prijs voor de toetredende managers, gebaseerd op de formule, te hoog.
In een verslag van een bespreking van 16 maart 2022 tussen de Belastingdienst en de [Groep] is de volgende toelichting opgenomen ter zake de berekening van de koopprijs van de aandelen:
“3.9. Tijdens deze herstructurering heeft [Groep] BV ook een van haar aandeelhouders ( [bedrijf 5] BV) moeten uitkopen in 2016. [Groep] BV heeft toen advies ingewonnen over hoe de prijs voor de aandelen het beste bepaald kan worden. Zij zijn daarbij uitgekomen op de volgende formule: 1,1 x de omzet uit 2015 plus het zichtbare eigen vermogen.
De aandeelhouders hebben besloten om die formule ook bij latere aandelentransacties te hanteren. Zo ook bij de uitbreiding van het belang in vennootschappen [bedrijf 2] BV en [bedrijf 1] BV. Gevolgd door de verkrijging aandelen in [Groep] BV door [bedrijf 6] BV, [bedrijf 7] BV en [bedrijf 8] BV.
Meer recent is bij het uittreden van de heren [naam 1] en [naam 2] deze formule weer gebruikt.
Bij de laatste herstructurering, de verkoop van alle aandelen in [Groep] BV aan [naam 3] , is een alternatieve waarderingsmethode gebruikt. Wij begrijpen dat deze berekening op een vergelijkbare uitkomst is gekomen. Daarmee was de prijs voor de verkopende aandeelhouders afdoende.”
In oktober 2017 zijn belanghebbende, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] geliquideerd. Het personeel van de voornoemde vennootschappen is na de liquidatie overgenomen door [Groep] B.V.
Op 14 juni 2018 heeft het voormalig advieskantoor van belanghebbende, in de persoon van de heer [voormalig adviseur] (hierna: de voormalige adviseur), de inspecteur benaderd met betrekking tot een door [Groep] B.V. te claimen liquidatieverlies in 2017.
Op 31 januari 2019 heeft de voormalige adviseur in een brief aan de inspecteur het volgende vermeld:
“Tijdens het gesprek d.d. 8 november 2019 ten kantore van [voormalig advieskantoor] zijn een aantal afspraken gemaakt m.b.t. het (beoordelings)traject van het door ons voorgestelde liquidatieverlies dat wij voornemens zijn op te nemen in de aangifte vennootschapsbelasting 2017 van [Groep] B.V. Zoals bij u bekend heeft dit liquidatieverlies, thans berekend op € 921.710, betrekking op de liquidatie van [belanghebbende] B.V., [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.
Teneinde de beoordeling van ons voorstel voort te kunnen zetten heeft u aangegeven in het kader van transparantie meer informatie te willen ontvangen. Deze informatie is onderverdeeld in drie 'delen':
1. Een chronologisch overzicht van gebeurtenissen/handelingen vanaf moment oprichting [Groep] maatschappijen tot moment liquidatie van vermelde [Groep] (dochter)maatschappijen.
2. Tekstuele toelichting op de prijs voor de dochtermaatschappijen (refererend aan de aandelenemissie bij [Groep] B.V.).
3. De notariële akten m.b.t. [Groep] B.V. en de hiervoor vermelde [Groep] dochters.
In dit schrijven werken wij voorgaande punten in overeenkomstige volgorde uit.
(…)
De aandeelhouders ( [bedrijf 9] B.V. en de drie nieuwe investeerders) hebben een bijzonder ingewikkelde werkwijze bedacht. De nieuwe participanten voeren hun activiteiten uit in de nieuwe dochtermaatschappijen. Er wordt echter steeds gehandeld uit (groeps)naam van [Groep] B.V. Bij laatstgenoemde vennootschap bevinden zich bovendien alle faciliteiten. Van infrastructuur tot facilitair medewerkers.
De investeerders hebben destijds een complexe berekening bedacht om de resultaten van de dochtermaatschappijen te verdelen. Uitgangspunt was een gewenst rendement bij [Groep] B.V. van 12,5% (evt. dividend) als vergoeding voor het gebruik van de infrastructuur etc. Deze verdeling heeft men vormgegeven door het doorbelasten van kosten vanuit [Groep] B.V. -naast de management fee - zoals huur netwerk, infrastructuur, marketingkosten etc.
Men wil vervolgens de organisatie stroomlijnen, de drie nieuwe investeerders meer/breder betrekken bij [Groep] en van voormelde ingewikkelde berekeningen af. Men wenst dat de drie nieuwe aandeelhouders, in ruil voor hun 49% aandeelhouderschap in [bedrijf 1] B.V., respectievelijk [bedrijf 2] B.V., voor 1/9e deel aandeelhouder worden van [Groep] B.V. De drie nieuwe investeerders, die via [bedrijf 1] respectievelijk [bedrijf 2] hebben geïnvesteerd, gaan dus participeren in [Groep] B.V. Zij ‘verhuizen’ met hun activiteiten mee naar [Groep] B.V. Er wordt gekozen voor aandelenfusie. Na de ruil worden in 2017 de dochtervennootschappen [belanghebbende] B.V., [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. geliquideerd.
De activiteiten van de drie dochtermaatschappijen hebben echter wel een bepaalde waarde. Ze
genereren immers omzet, wat ook steeds in de jaarrekeningen en aangiften vennootschapsbelasting is verwerkt. Er moet dus een waarde gehangen worden aan de betreffende vennootschappen - en in het bijzonder het 49% aandelenbelang van de nieuwe investeerders - vooraleer de herstructurering plaats kan vinden. Meer over de prijsbepaling in hoofdstuk 2 van dit memorandum.
27-03-2017:
1. [bedrijf 6] B.V. draagt haar aandeel in [bedrijf 2] over aan [Groep] B.V. De koopsom bedraagt € 262.500. Deze koopsom wordt door koper schuldig gebleven ter verrekening met de volstortingsverplichting van uit te geven aandelen in het kapitaal van [Groep] B.V.
2. [bedrijf 8] B.V. en [bedrijf 7] B.V dragen hun aandeel in [bedrijf 1] B.V. over aan [Groep] B.V. De koopsom bedraagt € 389.062,50 per verkoper. De totale koopsom bedraagt derhalve € 778.125. Deze koopsom wordt door koper schuldig gebleven ter verrekening met de volstortingsverplichting van uit te geven aandelen in het kapitaal van [Groep] B.V.
3. [Groep] B.V. geeft 10.800 (3x 3.600) aandelen uit tegen een koers van € 166,67 per aandeel. Hiervan is € 1 nominale waarde en € 165,67 agio. De nieuwe aandelen worden in gelijke delen uitgegeven aan [bedrijf 6] B.V., [bedrijf 8] en [bedrijf 7] B.V.
(…)
2. Toelichting koopprijs dochtermaatschappijen
Er heeft een aandelenfusie plaatsgevonden van aandelen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. in aandelen [Groep] B.V. Hiertoe heeft men moeten bepalen wat de waarde is van het 49% aandelenbelang van enerzijds [bedrijf 7] B.V. in [bedrijf 2] B.V. en anderzijds [bedrijf 6] B.V. respectievelijk [bedrijf 8] B.V. in [bedrijf 1] B.V.
De prijsbepaling is geheel gegrond op omzetcijfers vermenigvuldigd met een factor ter vertegenwoordiging van goodwill. Er zat nauwelijks vermogen in de vennootschappen. De voor zover aanwezige winstreserves waren reeds uitgekeerd. Zoals reeds in hoofdstuk 1 toegelicht: de investeerders hebben weliswaar aan de hand van een (complexe) doorberekening van kosten de resultaten van de dochtermaatschappijen verdeeld, de omzet van betreffende vennootschappen is steeds verantwoord daar waar de activiteiten plaatsvonden. In combinatie met de herstructurering veroorzaken deze doorberekeningen uiteindelijk het liquidatieverlies. Enerzijds zijn er wel de activiteiten waar een prijs aan moet hangen, anderzijds zijn de ‘winsten’ via de doorbelastingen al bij [Groep] B.V. terecht gekomen.
Aangezien de prijs voor [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. eind 2016 is bepaald, heeft men gebruik gemaakt van de cijfers uit de jaarrekeningen 2015. Deze gaven op dat moment een goed beeld over de voorgaande jaren.
De omzet van [bedrijf 2] B.V. bedroeg in 2015 € 225.634. Te verdelen over 100 aandelen betekent dat een omzet van € 2.256 per aandeel. De goodwillfactor bedraagt afgerond 2,375, resulterend in een waarde per aandeel van € 5.357,15. De waarde van 49% van de aandelen is dan (49% * 100 * 5.357,15) € 262.500.
[bedrijf 1] B.V. werd pas eind 2015 opgericht. Zoals in hoofdstuk 1 beschreven, bestonden de activiteiten van [bedrijf 1] B.V. uit de activiteiten die eerder gedreven werden vanuit [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] B.V. Derhalve is voor bepaling van de prijs voor [bedrijf 1] B.V. gerekend met de omzet in 2015 van de voormelde twee vennootschappen.
De omzet van [bedrijf 3] B.V. bedroeg € 570.372 en die van [bedrijf 4] B.V. bedroeg € 280.497. Het aantal aandelen [bedrijf 1] B.V. was 18.100. De goodwillfactor bedraagt afgerond 1,845, resulterend in een waarde per aandeel van € 86,74. De waarde van 49% van de aandelen is dan (49% * 18.100 * 86,74) € 778.125.
3. Notariële akten
De notariële akten - voor zover wij die op ons verzoek hebben ontvangen - zijn bijgevoegd.
Wij zijn ons er van bewust dat voorgaande informatie wellicht nog geen volledig antwoord geeft op alle vragen die gedurende ons gesprek van 8 november 2019 zijn gesteld. Desondanks denken wij dat onze toelichting een veel helderder beeld schept over structuur van de groep en de herstructurering ervan. Uiteraard lichten wij het voorgaande desgewenst nader toe.”
De voormalige adviseur heeft op 7 maart 2019 namens [Groep] B.V. de aangifte Vpb 2017 ingediend, waarin het liquidatieverlies van € 923.166 is opgenomen. De primitieve aanslag is vervolgens met dagtekening 6 april 2019 geautomatiseerd opgelegd overeenkomstig de aangifte. In april 2019 zijn vervolgens meerdere contactmomenten geweest tussen de inspecteur en de voormalige adviseur waarin de inspecteur de voormalige adviseur erop heeft aangesproken dat de aangifte Vpb 2017 van [Groep] B.V. met het liquidatieverlies is ingediend, zonder een kennisgeving aan de inspecteur of het aankruisen van het vakje ‘Expliciete uitspraak Belastingdienst gevraagd’. Tot de gedingstukken behoren notities van de inspecteur waarin het volgende staat:
“11 april 2019
Heb mapje weer even in de hand en ik kijk in EVBN wanneer de aangifte 2017 ingediend moet zijn. Dit blijkt 1 mei 2019 te zijn. tot mijn verbazing zie ik echter dat de aangifte inmiddels op 7 april 2019 is ingediend en met code [nummer] is afgewerkt; dagtekening aanslag: 06-04-2019. Uit ABS blijkt dat de aangifte is ondertekend door [voormalig adviseur] en zonder voorbehoud(vraag standpunt inspecteur) is ingediend. In de aangifte is een liquidatieverlies voor een bedrag van € 923.166 opgenomen. Nu het hier een convenantaangifte betreft is deze, met alle uitworpen op neen, conform afgedaan.
Vreemd dat [voormalig adviseur] mij op 4 april 2019 naar de status van het vooroverleg vraagt terwijl e.e.a. zonder meer in de aangifte is verwerkt. (…).
15 april 2019
Tijdens mijn telefoongesprek met [voormalig adviseur] heeft [naam 4] mijn voicemail ingesproken (zag ik vanmorgen pas) (…). Hem gelijk teruggebeld. Was verbaasd dat er nu ineens een aanslag ligt. Heeft het idee dat er e.e.a. fout is gegaan. Naar zijn idee is het verlies ook niet juist in de aangifte verwerkt. Hem gezegd eerst met [voormalig adviseur] de zaak te bespreken hoe verder. Indien het nodig is kunnen we altijd met zijn drieën aan tafel gaan zitten. [naam 4] kwam in gesprek heel positief over; meedenken aan oplossing en niet formeel, er ligt een aanslag zoek het maar uit.
Ook nog gelukt met [voormalig adviseur] een afspraak te maken op 25 april 2019 om 9.30. Ga er samen met [naam 5] naar toe voor de overdracht RB en het bespreken van bovenstaande en enkele andere zaken.
19 april 2019
Tijdens tekenen convenant ANB weer voicemail van [naam 4] . Hem teruggebeld. Heeft contact gehad met klant en via klant gehoord dat [voormalig adviseur] gereageerd had met de opmerking in de trant van er ligt nu toch een aanslag. [naam 4] geeft aan wat volgens hem het discussiepunt is, nl. het opvoeren van het liquidatieverlies. Uit zijn woorden maak ik op dat hij ook denkt dat dit niet kan op de wijze waarop [voormalig adviseur] het gepresenteerd heeft. Bovendien gaf hij aan de indruk te hebben dat de klant niet weet waar [voormalig adviseur] mee bezig is. Wil samen met klant met mij hierover in gersprek. Aangegeven dat ik in principe hier wel voor in ben maar eerst met [voormalig adviseur] moet spreken over hoe het fout heeft kunnen gaan en hoe verder. Wel aangegeven dat ik e.e.a. in ieder geval inhoudelijk niet zelf zal afwikkelen. [naam 4] zal e.e.a. nog met klant bespreken en zo nodig mij wat laten horen.”
Op 26 april 2019 heeft de voormalige adviseur de inspecteur als volgt geïnformeerd:
“Zoals gisteren ten kantore van [voormalig advieskantoor] besproken doen wij u nogmaals het overzicht van het liquidatieverlies toekomen.
U heeft aangegeven dat het betreffende overzicht en de brief van 31 januari 2019 voor de Belastingdienst een open eind heeft. In de verstrekte informatie komt volgens u geen conclusie voor waarom de koopsom voor [bedrijf 2] is vastgesteld op € 262.500, waarom de koopsom voor [bedrijf 1] B.V. is vastgesteld op € 778.125 en waarom de liquidatie van de vennootschappen vervolgens zou moeten leiden tot een liquidatieverlies van in totaal € 923.166. Bovendien is uitgesproken dat een heldere schriftelijke uitleg over waar belasting is betaald over de door de geliquideerde vennootschappen uitgevoerde activiteiten, gewenst is.
In verband met afwikkeling van het laatste deel van de aangiftestroom 2017 willen wij aankomende week met nadere uitleg komen t.a.v. de vragen die op dit moment bij de Belastingdienst leven. Wij kiezen er voor om eerst zorgvuldig te kijken naar de informatie die wij reeds hebben gedeeld en hoe wij dan de voormelde punten nu wel opgehelderd krijgen. Haastige spoed gaat de communicatie in dit proces immers niet helpen.
Wellicht ten overvloede merken wij via deze weg nogmaals op dat indien mocht blijken dat het liquidatieverlies tot een ander bedrag vastgesteld moet worden, wij bij cliënte het voorstel neerleggen om een verbeterde aangifte vennootschapsbelasting 2017 te doen.”
In de bijlage bij de e-mail van 26 april 2019 is een overzicht van het door [Groep] B.V. berekende liquidatieverlies van € 923.166 opgenomen. Dit verlies bestaat voor € 740.938 uit een liquidatieverlies van [bedrijf 1] en voor € 182.228 uit een liquidatieverlies van [bedrijf 2] .
Belanghebbende is uitgenodigd aangifte Vpb te doen voor het jaar 2017. Op 13 mei 2019 heeft belanghebbende aangifte Vpb 2017 gedaan onder horizontaal toezicht. De uiterste inleverdatum van de aangifte was, na aanmaning, 24 mei 2019. In de aangifte is geen rekening gehouden met een heffing over de stille reserves (goodwill) en is het vakje ‘Expliciete uitspraak Belastingdienst gevraagd’ niet aangevinkt. De aangegeven belastbare winst bedraagt € 249.997. De aangifte is ondertekend door de heer [voormalig adviseur] .
Op 20 mei 2019 is de aanslag Vpb 2017 van belanghebbende geautomatiseerd door het systeem geregeld. De aanslag is met dagtekening 8 juni 2019 overeenkomstig de aangifte opgelegd.
Bij brief van 12 augustus 2019 heeft de inspecteur onder meer aangegeven dat volgens hem bij liquidatie een eindafrekening plaats had moeten vinden. Bij brief van 12 september 2019 antwoordt de voormalige adviseur daarop dat een eindafrekening niet aan de orde is omdat de activiteiten zijn gestaakt.
In een e-mail van 25 maart 2022 verklaart de heer [oud werknemer] op vragen van de inspecteur:
“Door onjuiste doorbelastingen deed de uitkomst van de formule geen recht aan de waarde van de aandelen. Dit is middels een extracomptabele verhoging van het vermogen gecorrigeerd.”
Met dagtekening van 1 juli 2022 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag opgelegd tot een belastbaar bedrag van € 249.997 (aangifte) + € 2.848.912 (goodwill) = € 3.098.909.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is er sprake van een nieuw feit op grond waarvan een navorderingsaanslag mag worden opgelegd?
II. Indien vraag I ontkennend wordt beantwoord: was de voormalige adviseur van belanghebbende te kwader trouw?
III. Hoe hoog is de goodwill ter zake van de overdracht van de activiteiten van belanghebbende aan [Groep] B.V.?
IV. Heeft belanghebbende de vereiste aangifte gedaan?
V. Indien vraag IV ontkennend wordt beantwoord:
a. is de schatting van de inspecteur redelijk?
b. heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslag te hoog is?
VI. Is de belastingrente te hoog vastgesteld, omdat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is gehandeld?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de navorderingsaanslag en beschikking belastingrente, dan wel (subsidiair) tot vermindering van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
I. Is er sprake van een nieuw feit?
De rechtbank heeft ten aanzien van deze vraag als volgt geoordeeld:
“5.3. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende onbetwist heeft gesteld dat de aangiften 2017 van de [Groep] door een en dezelfde belastingambtenaar werden behandeld. Gelet daarop dient naar het oordeel van de rechtbank de kennis van het dossier van [Groep] B.V. ook aanwezig worden geacht bij de behandeling van de aangifte van belanghebbende. De vraag die dan beantwoord moet worden is of het met die kennis zonder nader onderzoek opleggen van de aanslag Vpb 2017 een ambtelijk verzuim vormt. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de correspondentie tussen de inspecteur en de voormalige gemachtigde (zie 4.8 en 4.10 [hof: zie 2.9 en 2.11 onder de feiten]) blijkt dat de discussie betrekking had op de te claimen liquidatieverliezen die verband houden met de ontbinding van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . In de diverse stukken wordt weliswaar de naam van belanghebbende genoemd, maar de inhoud van de gesprekken heeft betrekking op de liquidatieverliezen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Belanghebbende was vanaf het moment van haar oprichting een dochtermaatschappij van [Groep] B.V. Gelet op de omstandigheid dat voor haar geen liquidatieverlies werd geclaimd en de winsten bij de liquidatie onder de deelnemingsvrijstelling zouden vallen, was er voor de belastingheffing ook geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen. Bovendien was, anders dan bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , bij belanghebbende geen sprake van verkoop van haar aandelen vlak voor de liquidatie, waaruit mogelijk het bestaan van goodwill afgeleid zou kunnen worden. De kennis van het dossier van [Groep] B.V. levert dan ook geen ambtelijk verzuim op.
De vraag die dan nog beantwoord moet worden is of de aangifte Vpb 2017 zelf aanleiding had moeten zijn voor nader onderzoek. Vast staat dat in de aangifte van belanghebbende het vakje ‘Expliciete uitspraak belastingdienst gevraagd’ niet was aangevinkt met als resultaat dat binnen enkele dagen na ontvangst van de aangifte, de aanslag geautomatiseerd is opgelegd. Belanghebbende heeft bovendien ter zitting desgevraagd verklaard dat – los van de correspondentie in het kader van de afwikkeling van de aangifte Vpb 2017 van [Groep] B.V. – haar aangifte geen aanleiding bood voor een nader onderzoek. Hoewel in de aangifte van belanghebbende sprake was van een kort boekjaar, was in de aangifte niet aangegeven dat haar activiteiten waren gestaakt. Dan bestaat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de aangifte juist zou zijn.
Gelet op de gehele gang van zaken en de omstandigheid dat de inspecteur voor het eerst na het opleggen van de aanslag kennis heeft kunnen nemen van de feiten en omstandigheden in het jaar 2017 ten aanzien van belanghebbende en daarna geconstateerd heeft dat in de aangifte ten onrechte niet is afgerekend over de goodwill, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nieuw feit. De navorderingsaanslag is naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht opgelegd.”
Het hof acht deze oordelen juist en maakt deze tot de zijne. Dat wat in hoger beroep nog is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit oordeel betekent dat vraag II geen beantwoording behoeft.
III. Goodwill in verband met overdracht van activiteiten?
In oktober 2017 zijn de activiteiten van belanghebbende overgedragen aan [Groep] B.V. en is belanghebbende geliquideerd. Ter zake van deze overdracht heeft geen vergoeding van goodwill plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens dat ten onrechte geen goodwill in aanmerking is genomen, maar verschillen van mening over de hoogte van de goodwill.
Partijen zijn het voorts eens dat voor de berekening van de goodwill in beginsel uitgegaan kan worden van de binnen de groep gebruikte formule om de ondernemingswaarde te berekenen: eigen vermogen plus 1,1 maal de omzet. Daarbij is het eigen vermogen bepaald op de ‘balanswaarde maar dan hoog gerekend om geen cash uit te geven’. Dit betreft een extracomptabele verhoging van het eigen vermogen omdat door onjuiste doorbelastingen de uitkomst van de formule geen recht deed aan de waarde van de aandelen. Dit is door de heer [oud werknemer] uiteengezet in een e-mail aan de inspecteur van 25 maart 2022 (zie 2.5). Feitelijk komt dit er op neer dat het zichtbare eigen vermogen wordt verdubbeld. Deze formule is gebruikt bij aandelentransacties waarbij aandeelhouders werden uitgekocht.
Bij belanghebbende is geen sprake van een aandelentransactie maar van een overdracht van de ondernemingsactiviteiten (activa-passiva-transactie).
Belanghebbende meent dat op twee punten de door de inspecteur gemaakte berekening niet juist is. In de eerste plaats is de inspecteur uitgegaan van de veronderstelling dat in de verkoopprijzen van de aandelen rekening is gehouden met een belastinglatentie die hij op nominale waarde heeft gesteld. In de tweede plaats is belanghebbende van mening dat in de omzet van belanghebbende omzet van [Groep] B.V. is opgenomen en dat dit moet worden gecorrigeerd.
De inspecteur heeft de goodwill vastgesteld op € 2.848.912. Hij heeft dit bedrag als volgt berekend. Hij heeft eerst de waarde van de aandelen van belanghebbende bepaald aan de hand van de formule die wordt gebruikt bij de transacties bij de aandelen in de andere [Groep] -vennootschappen. Daarbij is de omzet 2015 van € 1.405.047 vermenigvuldigd met 1,1, resulterend in € 1.545.551,70 en is het eigen vermogen bepaald op € 1.182.262 (2 x € 591.131). De totale waarde van de aandelen is daarbij bepaald op € 2.727.813,70. Op basis van die waarde is – uitgaande van de gegevens van de aangifte ten aanzien van de activa en passiva – de goodwill/stille reserves en de daarover verschuldigde vennootschapsbelasting (gesteld op 25%) bepaald. Dit resulteert in een goodwill van € 2.848.912.
Het hof gaat ervan uit dat de aandelentransactie met betrekking tot de aandelen in de diverse [Groep] -vennootschappen, zakelijke transacties zijn en dat de daarbij gehanteerde formule een zakelijke benadering van de ondernemingswaarde inhoudt. Het hof ziet geen reden om die benadering niet toe te passen op de overdracht van de activiteiten van belanghebbende aan [Groep] B.V. in het kader van de liquidatie van belanghebbende.
Belanghebbende heeft gesteld dat een deel van de omzet van belanghebbende bestaat uit activiteiten die [Groep] B.V. heeft verricht, waarvoor belanghebbende een beheersvergoeding heeft betaald van € 406.861 en de omzet daarom met dit bedrag verminderd moet worden. Het hof verwerpt deze stelling. Het hof ziet niet in dat dit bij de andere [Groep] -vennootschappen anders zou zijn. Ook daar worden beheersvergoedingen in rekening gebracht door [Groep] B.V. en wordt in de berekening van de waarde van aandelen geen correctie toegepast op de omzet.
In de tweede plaats heeft belanghebbende gesteld dat de latente Vpb-schuld alleen effect heeft op de prijs van aandelen en niet op de hoogte van de goodwill. Belanghebbende miskent hierbij dat de inspecteur bij zijn berekening van de goodwill in eerste instantie, overeenkomstig de overige transacties bij [Groep] -vennootschappen, de waarde van de aandelen heeft berekend en op basis van die waarde de daarin begrepen goodwill en (latente) Vpb-schuld heeft bepaald. De stelling van belanghebbende dat de factor 1,1 al een bepaling van de goodwill is, slaagt niet. De factor 1,1 wordt gebruikt voor het bepalen van de waarde van de aandelen en speelt zodoende indirect een rol bij de vaststelling van de waarde van de goodwill, maar bepaalt niet zelf de waarde van de goodwill. Uitgaande van de waarde die aan aandelen is toegekend en het ‘eigen vermogen’, kan worden bepaald, zoals de inspecteur heeft gedaan, hoeveel waarde aan de goodwill en de (latente) Vpb-schuld moet worden toegekend. Aangezien geen gronden zijn aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat de heffing van vennootschapsbelasting over de meerwaarde pas in de (verre) toekomst zal plaatsvinden, en bovendien duidelijk was dat de betreffende vennootschappen waarvan de aandelen werden gekocht of verkocht zouden worden geliquideerd, heeft de inspecteur de Vpb-schuld terecht op de nominale waarde gesteld.
Belanghebbende heeft ook nog verdedigd dat in de overnamepraktijk nagenoeg nooit rekening wordt gehouden met een Vpb-latentie, omdat de Vpb-heffing over de goodwill nagenoeg nooit aan de orde komt. Belanghebbende heeft deze stelling, die door de inspecteur gemotiveerd is betwist, op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof acht die stelling ook niet aannemelijk. De goodwill representeert immers de overwinst en als die overwinst wordt behaald, wordt daarover belasting geheven. Een zakelijk handelende koper zal daar rekening mee houden.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de inspecteur de door hem verdedigde waarde van de goodwill van belanghebbende ten tijde van de overdracht van de ondernemingsactiviteiten (activa-passiva) in 2017 aannemelijk heeft gemaakt.
De vragen IV en V behoeven geen beantwoording.
VI. Belastingrente
Belanghebbende stelt dat de belastingrente in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel in rekening is gebracht. Belanghebbende beroept zich daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2010. Belanghebbende stelt in dit kader dat de inspecteur reeds bij brief van 12 augustus 2019 het voornemen had om tot correctie over te gaan en dat het nog tot 1 juli 2022 heeft geduurd voordat de navorderingsaanslag is opgelegd. Belanghebbende meent daarom dat over de periode 12 augustus 2019 tot en met 1 juli 2022 geen rente in rekening mag worden gebracht. Voorts stelt belanghebbende dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 en op grond van artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM, het percentage van 8% te hoog is en dat uitgegaan moet worden van 4%.
In voormeld arrest van 1 oktober 2010 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in het geval het uitsluitend aan een vergissing van de Belastingdienst te wijten is dat het bedrag dat is nagevorderd, niet meteen bij de vaststelling van de primitieve aanslag is geheven, het zorgvuldigheidsbeginsel zich ertegen verzet dat aan belanghebbende over het nagevorderde bedrag heffingsrente in rekening wordt gebracht.
Het hof heeft onder 4.1 geoordeeld dat de inspecteur voor het eerst na het opleggen van de aanslag kennis heeft kunnen nemen van de feiten en omstandigheden in het jaar 2017 ten aanzien van belanghebbende. Reeds om die reden is geen sprake van een situatie dat het uitsluitend aan een vergissing van de inspecteur is te wijten dat bij de vaststelling van de aanslag niet over de goodwill belasting is geheven.
Het hof is voorts van oordeel dat belanghebbende terecht een beroep doet op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. Dit geldt voor de gehele periode waarover belastingrente wordt berekend. Anders dan de inspecteur ter zitting heeft gesteld, is de beslissing van de Hoge Raad in voormeld arrest niet beperkt tot situaties dat de regelgeving anders dan bij wet in formele zin is vastgelegd. Het door de regelgever – en eerder de wetgever – gemaakte onderscheid in belastingrentepercentages, is door de Hoge Raad ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel geoordeeld. Dit beginsel is evenzeer neergelegd in internationale verdragen (discriminatieverbod). Naar het oordeel van het hof is dan ook in de periode dat het hogere percentage was neergelegd in een wet in formele zin, sprake van discriminatie waarvoor geen rechtvaardiging bestaat.
Het vorenstaande betekent dat de inspecteur terecht, maar tot een te hoog bedrag, belastingrente over de gehele periode in rekening heeft gebracht. De belastingrente moet worden verminderd door uit te gaan van een percentage van 4 over de periode van 26 april 2018 tot en met 22 juni 2020. Over de periode 23 juni 2020 tot 1 oktober 2020 bedraagt het percentage 0,01 en vanaf 1 oktober 2020 tot en met 1 augustus 2022 bedraagt het percentage weer 4.
Tussenconclusie
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 365 respectievelijk € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de kosten van het bezwaar
De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval uit het in rekening brengen van een te hoog bedrag aan belastingrente. Het hof veroordeelt daarom de inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.
Daarbij wordt uitgegaan van vier samenhangende zaken waarin belanghebbenden geheel of gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Dit betreft de onderhavige zaak en de zaken van andere vennootschappen van de [Groep] , te weten de zaken met zaaknummers 24/1185 tot en met 24/1187.
Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten) x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 1.998.
Het hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een vergoeding van de kosten van bezwaar toekennen van € 499,50.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
Daarbij wordt uitgegaan van vier samenhangende zaken waarin belanghebbenden geheel of gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Dit betreft de onderhavige zaak en de zaken van andere vennootschappen van de [Groep] , te weten de zaken met zaaknummers 24/1185 tot en met 24/1187.
Het hof stelt deze tegemoetkoming, voor zowel de procedure bij de rechtbank als de procedure bij het hof, op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 2.802.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
Het hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 700,50 voor zowel de procedure bij de rechtbank als de procedure bij het hof, dus in totaal € 1.401.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de navorderingsaanslag;
-
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar, met uitzondering van de beslissing over de navorderingsaanslag;
-
vermindert de beschikking belastingrente overeenkomstig de berekening onder 4.11;
-
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 924 vergoedt;
-
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 499,50;
-
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 1.401.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M.E. Smorenburg en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier. De uitspraak is door de griffier en M.E. Smorenburg ondertekend aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
E. Royakkers M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.