Belastingrecht

De heffingsambtenaar heeft verzocht om beperkte kennisneming van gegevens inzake een draagvlakmeting voor een…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 26 augustus 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Datum publicatie
26 augustus 2026
Zaaknummer
23/749 en 23/750 GHK
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2289
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De heffingsambtenaar heeft verzocht om beperkte kennisneming van gegevens inzake een draagvlakmeting voor een bedrijveninvesteringszone (BIZ). Het gaat om ingevulde stembiljetten, namen en adressen van eigenaren en gebruikers van onroerende zaken en de WOZ-waarden van onroerende zaken. Ten aanzien van de gegevens waaruit direct of indirect kan worden afgeleid of en wat een stemgerechtigde gestemd heeft, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Ten aanzien van de gegevens waar dit niet uit volgt, is beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd. De heffingsambtenaar wordt verzocht om de betreffende stukken opnieuw te overleggen, met daarbij slechts die delen geschoond die volgens deze tussenuitspraak geheim mogen blijven. Als hij daartoe niet bereid is, zal hij de mogelijkerwijs daaruit voortvloeiende consequenties moeten aanvaarden.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 5 april 2023

    ECLI:NL:RBZWB:2023:2316
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 26 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2289

    Overig

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’

Nummers: 23/749 en 23/750

Tussenuitspraak op grond van artikel 8:29 Awb in het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 april 2023, nummers BRE 21/1314 en 21/5252 in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende twee aanslagen voor een BIZ-bijdrage opgelegd, over het jaar 2020 en over het jaar 2021.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag over het jaar 2020 ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de aanslag over het jaar 2020, en rechtstreeks beroep tegen de aanslag over het jaar 2021.

1.4.

De rechtbank heeft beide beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De heffingsambtenaar heeft een verzoek om beperkte kennisneming of geheimhouding gedaan, en heeft daarvoor stukken aan de geheimhoudingskamer van het hof overgelegd, met daarbij een toelichting op zijn verzoek om geheimhouding.

1.8.

Met een brief van 15 januari 2026 heeft de geheimhoudingskamer van het hof aan belanghebbende een reactie gevraagd op het geheimhoudingsverzoek van de heffingsambtenaar. Ook is gevraagd of belanghebbende toestemming geeft voor beperkte kennisneming.

1.9.

Op 27 januari 2026 heeft belanghebbende gereageerd op het verzoek om beperkte kennisneming of geheimhouding van de heffingsambtenaar. De reactie van belanghebbende is doorgestuurd aan de heffingsambtenaar.

1.10.

Met een brief van 11 juni 2026 heeft de geheimhoudingskamer van het hof de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld om, voor zover hij dat nog niet had gedaan, de op de zaak betrekking hebbende stukken in hoger beroep te overleggen, en om daarbij eventueel een verzoek om geheimhouding te doen.

1.11.

Met een brief van 30 juni 2026 heeft de heffingsambtenaar aanvullend op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, waarbij hij een verzoek om geheimhouding heeft gedaan. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren, wat hij met een brief van 23 juli 2026 gedaan heeft.

2 Verzoek

De geheimhoudingskamer zal beoordelen of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 Awb, die rechtvaardigen dat de heffingsambtenaar weigert de stukken ongeschoond over te leggen.

3 Beoordeling van het verzoek

Juridisch kader

3.1.

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het hof te zenden. Dit artikel strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit aan de rechter – en belanghebbenden – beschikbaar worden gesteld. Deze verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de heffingsambtenaar genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan hem ter beschikking staan, zodat belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Het betreft stukken die in de zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de heffingsambtenaar of die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de rechter. Tot de over te leggen stukken behoren alle stukken die de heffingsambtenaar ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.

3.2.

Als een stuk behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, brengt dat in beginsel met zich dat het in zijn geheel en ongeschoond dient te worden overgelegd. Het bepaalde in artikel 8:29 Awb biedt echter aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het hof mee te delen dat uitsluitend de hoofdkamer kennis neemt van de stukken (beperkte kennisneming). Ook biedt dit artikel aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid stukken niet volledig (maar deels geschoond) aan de andere partij en de hoofdkamer te overleggen.

3.3.

In artikel 8:29, lid 5, Awb staat dat beperkte kennisneming (waarbij de rechter wel, maar belanghebbende niet over het ongeschoonde stuk beschikt) alleen is toegestaan met toestemming van belanghebbende. Belanghebbende heeft toestemming gegeven voor beperkte kennisneming in het geval dat de geheimhoudingskamer van oordeel is dat het verzoek van de heffingsambtenaar gerechtvaardigd is.

3.4.

Beslissend bij de vraag of de heffingsambtenaar zich terecht op beperkte kennisneming beroept, is niet of de stukken voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn. Slechts als de door de heffingsambtenaar voor beperkte kennisneming aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die beperkte kennisneming rechtvaardigen.

3.5.

De geheimhoudingskamer wijst er nog op dat als de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbenden geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbenden in de procedure bij de hoofdkamer moeten worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.

3.6.

De belangenafweging moet plaatsvinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van de gehele dossiers.

Beoordeling van het verzoek

3.7.

Het verzoek van de heffingsambtenaar ziet op verschillende stukken. De heffingsambtenaar heeft met betrekking tot het stuk “Proces verbaal akte inzake draagvlakmeting bedrijveninvesteringszone [locatie] ” van 3 december 2019 (hierna: het proces-verbaal) verzocht om beperkte kennisneming van de volgende gegevens van de lijsten in bijlage 3 en 4 bij het proces-verbaal: adressen van onroerende zaken en de bijbehorende WOZwaarden, en namen en adressen van eigenaars en gebruikers van de onroerende zaken. Ook heeft hij verzocht om beperkte kennisneming van de ingevulde stembiljetten (tevens behorend bij bijlage 4). Verder ziet het verzoek op gegevens op de lijst bij het stuk “Aanvullende proces verbaal akte inzake draagvlakmeting bedrijveninvesteringszone [locatie] ” van 23 november 2022 (hierna: het aanvullende proces-verbaal). Op deze lijst staat in kolommen het volgende weergegeven: het adres en WOZnummer van de bij de stemming betrokken onroerende zaken, een omschrijving van deze onroerende zaak, de WOZ-waarde per 1 januari 2018 en per onroerende zaak of is gestemd, en zo ja, of er ‘voor’ of ‘tegen’ is gestemd. Onderaan het overzicht staat het totaal van de WOZ-waarden van de onroerende zaken waarvoor ‘voor’ is gestemd, en het totaal van de WOZ-waarden van onroerende zaken waarvoor ‘tegen’ hebben gestemd. De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van dit stuk verzocht om beperkte kennisneming van de WOZwaarden per 1 januari 2018, de WOZnummers en de informatie per onroerende zaak of er is gestemd, en zo ja, of er ‘voor’ of ‘tegen’ is gestemd. De heffingsambtenaar heeft als gewichtige reden daarvoor aangevoerd dat het om vertrouwelijke gegevens gaat, en dat de integriteit van de stemprocedure dient te worden gewaarborgd. Het proces-verbaal, het aanvullende proces-verbaal en de totalen van de WOZ-waarden die ‘voor’ en ‘tegen’ hebben gestemd, geven volgens de heffingsambtenaar voldoende inzicht in de stemverhoudingen die hebben geleid tot de uitkomst van de draagvlakmeting.

3.8.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij een belang heeft bij kennisneming van de WOZwaarden per 1 januari 2018 van de onroerende zaken en de informatie per onroerende zaak of er ‘voor’ of ‘tegen’ is gestemd. Dat belang is erin gelegen dat hij kan verifiëren of alle bijdrageplichtigen van de bedrijveninvesteringszone [locatie] zijn aangeschreven voor de draagvlakmeting. Zonder deze gegevens kan belanghebbende niet controleren of ten minste de helft van de bijdrageplichtigen gestemd heeft, en of de juiste (rechts)persoon per WOZobject is aangeschreven. Ook kan belanghebbende niet controleren of de juiste WOZwaarden zijn gehanteerd. Ten aanzien van de hoogte van de WOZ-waarden voert belanghebbende aan dat geheimhouding of beperkte kennisneming niet aan de orde kan zijn, nu hij die informatie ook op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ kan opvragen. Ten aanzien van het object [locatie] [nummer] merkt belanghebbende op dat daarover niets bekend is, en het maar de vraag is of dat object als WOZ-object kwalificeert. De omstandigheid dat voor een stuk een bijzondere geheimhoudingsregeling bestaat, betekent niet dat sprake is van een gewichtige reden om een partij de kennisneming van dat stuk te onthouden waar hij op grond van de Awb recht op heeft. Belanghebbende verzoekt om ten minste kennis te mogen nemen van de adresgegevens en bedrijfsnamen van alle aangeschrevenen.

3.9.

De geheimhoudingskamer is van oordeel dat het verzoek om beperkte kennisneming ten aanzien van de ingevulde stembiljetten is gerechtvaardigd. Het belang van vertrouwelijkheid van een dergelijke stemming weegt aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbenden in deze zaak bij kennisneming van die gegevens. Immers dient te worden voorkomen dat informatie inzichtelijk wordt waaruit de voorkeur van een bepaalde bijdrageplichtige kan worden afgeleid, om oneigenlijke beïnvloeding te voorkomen. Om dezelfde reden is de geheimhoudingskamer van oordeel dat beperkte kennisneming is gerechtvaardigd voor zover het gaat om gegevens aan de hand waarvan kan worden herleid of een stemgerechtigde heeft gestemd, en zo ja, of die ‘voor’ of ‘tegen’ heeft gestemd. Dat betekent dat naast de informatie waaruit dat direct volgt, ook gerechtvaardigd is dat de WOZ-waarden en -nummers van de onroerende zaken geheim blijven. Uit de WOZgegevens kan namelijk mogelijk indirect worden afgeleid wie er vóór of tegen heeft gestemd, aangezien het totaal van de WOZ-waarden van de bij de stemming betrokken onroerende zaken waarvan de stemgerechtigden vóór hebben gestemd en waarvan die tegen hebben gestemd, bekend zijn. Anders dan belanghebbende veronderstelt, betreft de WOZwaarde van een nietwoning geen openbare informatie die door eenieder kan worden opgevraagd. Gelet op het voorgaande, is beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd van kort gezegd degenen die zijn aangeschreven. De namen en adresgegevens van eigenaren en gebruikers die worden vermeld in de lijsten in bijlage 3 en 4 bij het proces-verbaal dienen naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet worden geschoond.

Conclusie

3.10.

Uit dat wat hiervoor is overwogen, volgt dat het verzoek van de heffingsambtenaar om beperkte kennisneming deels gerechtvaardigd is. De volgende gegevens mogen geheim blijven voor belanghebbende:

  • de ingevulde stembiljetten uit bijlage 4 bij het proces-verbaal;

  • de WOZ-waarden van de onroerende zaken, vermeld in bijlage 3 en 4 bij het procesverbaal;

  • de WOZ-waarden en -nummers van de onroerende zaken, vermeld in de lijst bij het aanvullende proces-verbaal, en de in die lijst vermelde informatie per onroerende zaak of er is gestemd, en zo ja, of er ‘voor’ of ‘tegen’ is gestemd.

Ten aanzien van de overige gegevens is de geheimhoudingskamer van oordeel dat beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd is. Het gaat om de namen en adresgegevens van eigenaren en gebruikers die vermeld worden in de lijsten in bijlage 3 en 4 bij het procesverbaal.

De geheimhoudingskamer geeft de heffingsambtenaar één week vanaf de datum van deze uitspraak de gelegenheid om bijlage 3 en 4 bij het proces-verbaal nogmaals te overleggen, met daarbij slechts die delen geschoond die volgens deze tussenuitspraak geheim mogen blijven. De geheimhoudingskamer wijst de heffingsambtenaar erop dat hij deze stukken via het digitale portaal (‘Mijn Rechtspraak’) kan aanleveren, en dus niet per post aan de geheimhoudingskamer.

Indien de heffingsambtenaar niet bereid is om de geschoonde versies van de stukken conform deze tussenuitspraak te verstrekken, verzoekt de geheimhoudingskamer om dat zo spoedig mogelijk aan het hof te berichten en zal hij de uit toepassing van artikel 8:31 Awb mogelijkerwijs voortvloeiende consequenties daarvan moeten aanvaarden.

4 Beslissing

De geheimhoudingskamer:

  • verstaat dat de door de heffingsambtenaar aangevoerde reden voor beperkte kennisneming van de gegevens zoals genoemd onder 3.10 van deze uitspraak is gerechtvaardigd;

  • verstaat dat de door de heffingsambtenaar aangevoerde reden voor beperkte kennisneming van overige gegevens niet is gerechtvaardigd;

  • verzoekt de heffingsambtenaar om binnen één week na verzending van deze beslissing de betreffende stukken opnieuw te overleggen, met daarbij slechts die delen geschoond die volgens deze tussenuitspraak geheim mogen blijven, of, indien hij daartoe niet bereid is, om dat zo spoedig mogelijk kenbaar te maken;

  • verwijst de zaak naar de hoofdkamer en stelt de procesdossiers, inclusief de aan de geheimhoudingskamer overgelegde ongeschoonde stukken, daaraan ter beschikking.

De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, raadsheer, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De raadsheer,

R. Camps M.J.C. Pieterse

Rechtsmiddel

Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan.

Awb: Algemene wet bestuursrecht. BIZ-bijdrage: gemeentelijke heffing op grond van de Wet op de bedrijveninvesteringszones. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672. Zie de arresten van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868, van 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129 en van 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, overweging 3.4.2 onder i. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, overweging 3.4.2 onder iv. Vergelijk Hoge Raad 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, overweging 3.3.3. Wet WOZ: Wet waardering onroerende zaken. Vergelijk Hoge Raad 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489.