Belastingrecht

Geen ingebrekestelling. Brieven van belanghebbende maken zowel op zichzelf beschouwd als in samenhang bezien…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 september 2026

Zaakgegevens

Op 2 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
2 september 2026
Zaaknummer
23/1581 en 23/1582
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2338
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geen ingebrekestelling. Brieven van belanghebbende maken zowel op zichzelf beschouwd als in samenhang bezien met latere correspondentie niet duidelijk dat wordt aangedrongen op een uitspraak op bezwaar. Inspecteur verbeurt geen dwangsom (art. 4:17 Awb). Hoger beroep ongegrond.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 11 september 2023

    ECLI:NL:RBZWB:2023:6378
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2338

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 23/1581 en 23/1582

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 september 2023, nummers BRE 22/4185 en 22/4186, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019 (hierna: de aanslag IB/PVV 2019) en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2019 (hierna: de aanslag Zvw 2019) opgelegd. Tevens zijn bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bij afzonderlijke bezwaarschriften bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019 en de aanslag Zvw 2019 (hierna: het bezwaar).

1.3.

Belanghebbende heeft bij afzonderlijke beroepschriften beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar (hierna: het beroep).

1.4.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet- ontvankelijk verklaard, het beroep tegen de uitspraak op bezwaar over de verzuimboete niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.

1.8.

De zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.9.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.10.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

De aanslagen IB/PVV 2019 en Zvw 2019 (hierna: de aanslagen) zijn met dagtekening 9 februari 2022 ambtshalve vastgesteld omdat belanghebbende verzuimd had aangifte te doen. Tevens zijn bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd.

2.2.

De gemachtigde van belanghebbende (hierna ook: belanghebbende) heeft bij bezwaarschriften van 25 februari 2022 pro forma bezwaar gemaakt tegen de aanslagen en beschikkingen en verzocht om overlegging van alle stukken, een termijn om de gronden aan te voeren, een hoorgesprek, uitstel van betaling en vergoeding van proceskosten.

2.3.

Belanghebbende heeft, na herhaalde verzoeken van de inspecteur, op 21 april 2022 alsnog een aangifte IB/PVV 2019 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.807.

2.4.

Belanghebbende heeft in een e-mail van 24 april 2022 aan de inspecteur zijn verzoek herhaald om hem het dossier toe te sturen en hem te horen.

2.5.

De inspecteur heeft in een e-mail van 18 mei 2022 aan belanghebbende geschreven dat de op de zaak betrekking hebbende stukken summier zijn, mede omdat de aanslagen ambtshalve waren vastgesteld en hij heeft alle stukken die op dat moment in het dossier aanwezig waren als bijlage bij die e-mail meegestuurd (bezwaarschrift, ontvangstbevestiging, aanvulling bezwaarschrift, rappel vormverzuim, motivering bezwaarschrift, aangifte 2019 en jaarstukken 2019). Ook heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om aanvullende informatie te verstrekken over zijn onderneming omdat de aangiftes omzetbelasting voor de jaren 2015 tot en met 2018 wel waren ingediend, maar de aangiften inkomstenbelasting niet, en heeft hij verzocht om een verklaring daarvoor.

2.6.

De inspecteur heeft in een e-mail van 16 juni 2022 aan belanghebbende het verzoek herhaald om de aanvullende informatie en verklaring te verstrekken voor 24 juni 2022.

2.7.

Belanghebbende heeft in een e-mail van 24 juni 2022 hierop geantwoord dat hij zonder verstrekking of inzage van het gehele dossier niet kan reageren op dit verzoek.

2.8.

De inspecteur heeft daarna voorstellen gedaan voor een datum voor een hoorgesprek.

2.9.

Belanghebbende heeft in afzonderlijke brieven van 6 juli 2022 met betrekking tot de aanslagen aan de inspecteur geschreven:

“Geachte heer/ mevrouw,

Bij brief van 25 februari 2022 heeft ondergetekende namens [belanghebbende] (hierna: 'belanghebbende') bezwaar tegen de aanslag met aanslagnummer (…).

Wij hebben nadrukkelijk verzocht om:

1. toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken,

2. ons een nadere termijn te gunnen om de gronden van het bezwaar aan te voeren,

3. ons te horen voordat u eert beslissing op bezwaar neemt;

4. uitstel van betaling voor de aanslag(en) te verlenen;

5. proceskosten te vergoeden;

6. ontvangst van dit bezwaarschrift te bevestigen.
Inmiddels hebben wij al vier (4) keer verzocht om ons het gehele dossier te verstrekken althans inzage te geven in het dossier. Wij hebben slechts enkele documenten ontvangen, maar niet het gehele dossier. Wij verzoeken u spoedig om ons het gehele dossier toe te zenden dan wel het dossier ter inzage te leggen. Tot op heden hebben wij geen uitspraak op het bezwaar mogen ontvangen, ik constateer dat u niet tijdig heeft beslist. Wij verzoeken u, zonodig sommeren wij u om spoedig uitspraak te doen op het bezwaar.

Wij benadrukken dat wij willen worden gehoord voordat u uitspraak op bezwaar zult doen.

Hopende u voldoende en naar behoren te hebben geïnformeerd.”

2.10.

Op 7 juli 2022 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de inspecteur en belanghebbende. De inspecteur heeft in een e-mail van 7 juli 2022 aan belanghebbende bevestigd dat het bezwaar conform de alsnog ingediende aangifte IB/PVV 2019 zou worden afgedaan, de verzuimboete in stand zou blijven, de belastingrente opnieuw zou worden berekend en belanghebbende afzag van horen als de aanslag zo werd opgelegd.

2.11.

Belanghebbende heeft in een e-mail van 12 augustus 2022 aan de inspecteur geschreven dat hij niet had aangegeven af te zien van het hoorrecht maar opnieuw had gevraagd om alle op de zaak betrekking hebbende stukken, dat hij zou overwegen om het bezwaar in te trekken als het dossier volledig was en dat anders een hoorgesprek kon worden ingepland.

2.12.

De inspecteur heeft in een e-mail van 12 augustus 2022 aan belanghebbende geschreven dat alle stukken al eerder naar het bij hem bekende correspondentieadres waren toegestuurd en heeft die stukken opnieuw als bijlage bij die e-mail naar hem verzonden (aangiftebrief, herinnering, aanmaning en de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019).

2.13.

Belanghebbende heeft in een e-mail van 16 augustus 2022 aan de inspecteur geschreven dat die stukken ‘niet door uw collega zijn toegezonden’ en dat dus volgens hem bewust een onvolledig dossier is verstrekt; hij heeft bevestigd dat mogelijk op 1 september 2022 een hoorgesprek kan plaatsvinden.

2.14.

Belanghebbende heeft op 31 augustus 2022 het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar ingediend bij de rechtbank.

2.15.

Op 1 september 2022 heeft het hoorgesprek plaatsgevonden. In het door de inspecteur opgestelde verslag van het hoorgesprek staat dat belanghebbende heeft opgemerkt dat de verzendadministratie ontbrak in het dossier, dat de inspecteur heeft toegezegd deze verzendgegevens te zullen opvragen en, zo spoedig mogelijk na ontvangst daarvan, uitspraak op bezwaar te doen.

2.16.

De inspecteur heeft in een brief van 5 september 2022 aan belanghebbende geschreven dat hij op 2 september 2022 in kennis is gesteld van diens beroep wegens niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en dat hij, als hij had geweten dat dit beroep al op 31 augustus 2022 was ingediend, het tijdspad in het hoorgesprek niet zo had afgesproken omdat hij de door belanghebbende gewenste verzendgegevens nu niet meer kon afwachten en zo spoedig mogelijk uitspraak op bezwaar moest doen.

2.17.

De inspecteur heeft op 9 september 2022 uitspraak op bezwaar gedaan. In de uitspraak staat dat de verzendadministratie al was ontvangen. De verzuimboete van € 385 is gehandhaafd, de aanslag IB/PVV 2019 is overeenkomstig de aangifte verminderd naar een box 1 inkomen van € 23.807 en de belastingrente is naar rato verminderd. Het verzoek om een kostenvergoeding is afgewezen.

2.18.

De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat in de beroepsfase alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan.
De rechtbank heeft het verzoek tot betaling van een dwangsom afgewezen omdat de inspecteur de brieven van belanghebbende van 6 juli 2022 (zie 2.9 hierboven) niet hoefde opvatten als ingebrekestellingen.
De rechtbank heeft tot slot, verkort weergegeven, overwogen en beslist dat belanghebbende het beroep bij aanvang expliciet heeft beperkt tot de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar, het griffierecht en de proceskosten. Het nadien, volgens de rechtbank te laat ingestelde beroep tegen de verzuimboete is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i) voldoen de brieven van belanghebbende van 6 juli 2022 aan alle aan een ingebrekestelling te stellen eisen?
ii) heeft de inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom verbeurd?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot het alsnog veroordelen van de inspecteur tot betaling van een dwangsom. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom verbeurt als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

4.2.

In artikel 4:17, lid 3, Awb is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4.3.

Volgens belanghebbende voldoen de brieven van 6 juli 2022 aan de inspecteur aan alle aan een ingebrekestelling te stellen eisen. Het hof volgt belanghebbende hierin niet.

Jurisprudentie

4.4.

De Hoge Raad heeft overwogen en beslist dat voor een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, Awb de eis geldt dat uit een geschrift duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvoor is niet vereist dat in dit geschrift bepaalde termen zoals ‘aanmanen’ of ‘in gebreke stellen’ worden gebruikt. Wel is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt (i) op welke aanvraag het betrekking heeft, (ii) dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en (iii) dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen.

4.5.

Met inachtneming van het voorgaande is het hof van oordeel dat de brieven van 6 juli 2022 zowel op zichzelf beschouwd, als in samenhang bezien met de daarna gevoerde correspondentie tussen belanghebbende en de inspecteur, niet duidelijk maken dat belanghebbende bij de inspecteur aandrong op het doen van een uitspraak op bezwaar.

Brieven van 6 juli 2022

4.6.

In de brieven van 6 juli 2022 stelt belanghebbende dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist en verzoekt, zonodig sommeert, hij de inspecteur om spoedig uitspraak op bezwaar te doen. Tegelijkertijd wijst hij er echter op dat hij al viermaal om het gehele dossier heeft verzocht, dat hij dat dossier volgens hem nog steeds niet volledig heeft, en benadrukt hij expliciet dat hij wenst te worden gehoord alvorens uitspraak op bezwaar zal worden gedaan.

4.7.

De brieven van 6 juli 2022 zijn daarom op zichzelf beschouwd niet duidelijk door hun innerlijke tegenstrijdigheid. Daarbij komt het volgende. Belanghebbende heeft na zijn pro forma bezwaar pas na herhaald verzoek alsnog de aangifte IB/PVV 2019 ingediend, waarna de inspecteur om een verklaring heeft gevraagd waarom over de eerdere jaren geen aangiften inkomstenbelasting waren ingediend. Belanghebbende wenste daarop echter niet in te gaan omdat hij eerst inzage in het volledige, maar volgens hem nog onvolledige, dossier en een hoorgesprek wenste. Dit heeft hij herhaald in de brieven van 6 juli 2022. Dit komt er volgens het hof op neer dat belanghebbende desgevorderd weigert de gegevens te verstrekken die de inspecteur nodig kan hebben om uitspraak op bezwaar te doen en nodig heeft om een dossier te vervolledigen waarvan belanghebbende onvolledigheid aan de inspecteur verwijt.

4.8.

De inspecteur hoefde de brieven van 6 juli 2022 dan ook niet aan te merken als een ingebrekestelling. Voor een ingebrekestelling is vereist dat belanghebbende zonder mitsen, maren en tegenstrijdige eisen van zijn kant aandringt op het zonder meer nemen van een beslissing. Aan dat vereiste is hier niet voldaan, gelet op de tegenstrijdige signalen in de brieven van 6 juli 2022 en het tegenstrijdige gedrag van belanghebbende, zoals uit hiernavolgende blijkt.

4.9.

Na de brieven van 6 juli 2022 heeft belanghebbende ook niet aangedrongen op het doen van een uitspraak op bezwaar, maar bleef hij juist vragen om inzage in het volgens hem nog onvolledige dossier en om een hoorgesprek (zie 2.11 hierboven). Uit het verslag van het hoorgesprek op 1 september 2022 volgt dat het dossier voorafgaand aan het hoorgesprek aan belanghebbende ter inzage is verstrekt, dat is gesproken over de ontbrekende verzendadministratie die de inspecteur zou opvragen, en over het moment waarop de uitspraak op bezwaar kon worden verwacht. De inspecteur heeft in het hoorgesprek toegelicht dat het onderzoek met betrekking tot de verzuimboete van € 385 nog liep en dat na ontvangst van de verzendadministratie zo spoedig mogelijk uitspraak op bezwaar zou volgen.

4.10.

Belanghebbende had inmiddels al op 31 augustus 2022 beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar ingesteld zonder de inspecteur daarvan in kennis te stellen, terwijl hij wist dat het door hem uitdrukkelijk gewenste hoorgesprek de volgende dag op 1 september 2022 zou plaatsvinden en hij pas in dat gesprek voor het eerst naar de verzendadministratie heeft gevraagd (zie 2.14 en 2.15 hierboven). Volgens de inspecteur is hij pas op 2 september 2022 van het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar op de hoogte gesteld. Daarna is direct uitspraak op bezwaar gedaan, met dagtekening 9 september 2022. Gezien de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof het tijdsverloop voordat uitspraak op bezwaar gedaan kon worden aan de handelwijze van belanghebbende zelf te wijten.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur geen dwangsom verbeurt.

Tussenconclusie

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.


5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.


De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, B.J. Rubbens en P.J. Wattel, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

De griffier, De voorzitter,

J.H.M. van Ooijen M.E. Smorenburg

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1121 en HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2300.