Belastingrecht
Wet bpm. Geen waardevermindering wegens schade, niet meer dan normale gebruiksschade. Kosten…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 oktober 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2925 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2925
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/1178
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2925
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet bpm. Geen waardevermindering wegens schade, niet meer dan normale gebruiksschade. Kosten koerslijstuitdraai X-Ray zijn geen deskundigenkosten in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hoger beroep ongegrond, wel recht op VIS en PKV. Geen bijzondere omstandigheden aanwezig om af te wijken van VIS van € 50 per halfjaar cf. artikel 19a Wet bpm.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 31 juli 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:5320Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:2925
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1178
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 juli 2024, nummer BRE 23/89, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende heeft een uit Duitsland afkomstige, gebruikte personenauto van het merk en type Mercedes-Benz GLE 43 AMG 4Matic (hierna: de auto) doen registreren in het Nederlandse kentekenregister. De auto is voor het eerst op 6 juli 2017 in het buitenland toegelaten tot het verkeer op de weg. Belanghebbende heeft de auto in Duitsland gekocht voor € 51.700 (inclusief btw).
Met het oog op de registratie in het kentekenregister heeft belanghebbende aangifte voor de bpm gedaan. Volgens deze aangifte bedraagt de verschuldigde bpm voor de auto € 5.696. Bij de aangifte is een taxatierapport van [taxateur] B.V. gevoegd (hierna: het taxatierapport). Volgens het taxatierapport bedraagt de historische nieuwprijs, de historische bruto bpm en de handelsinkoopwaarde van de auto respectievelijk € 131.775, € 37.690 en € 19.915. De taxateur heeft voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde tot uitgangspunt genomen de koerslijstwaarde van X-Ray van € 38.053. Op dit bedrag heeft de taxateur een bedrag van € 18.138 aan schade in mindering gebracht. Hiervan ziet € 2.664 op een correctie schade verleden / herstelde schade (7%) en € 3.805 op correctie koerslijstwaarde / betreft import auto (10%). De gecalculeerde reparatiekosten bedragen € 14.586,25 (incl. btw). De kilometerstand bedroeg ten tijde van de taxatie en de keuring door RDW 111.111 km.
Namens de inspecteur is de auto door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) geïnspecteerd en getaxeerd. De bevindingen daarvan zijn in een rapport vastgelegd. Volgens DRZ volgt uit het VWE SilverDAT/VIN informatiesysteem dat de auto een netto catalogusprijs heeft van € 144.499 en volgt uit de koerslijst van X-Ray een waarde voor een gelijksoortige gebruikte auto van € 39.805. In het rapport van DRZ staat onder meer:
“Alle opgegeven schadeposities zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruikersschade worden aangemerkt. Hierdoor wordt er geen waardevermindering aan het voertuig toegekend.
*(Bij gebruikersschade is er rekening gehouden met de leeftijd en kilometerstand van het voertuig)”
De inspecteur heeft naar aanleiding van het rapport van DRZ de verschuldigde bpm berekend op € 10.379 en heeft daarom de bestreden naheffingsaanslag van € 4.685 aan belanghebbende opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.380, de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500, bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 2.998 aan proceskosten.
3 Geschil en conclusies van partijen
In geschil is het antwoord op de volgende vragen:
-
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? Meer specifiek: is terecht geen rekening gehouden met een waardevermindering vanwege schade?
-
Heeft de rechtbank terecht geen vergoeding voor het deskundigenbericht toegekend?
Belanghebbende heeft zijn standpunten, inhoudende dat (a) het rapport van hertaxatie niet voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt en (b) de rechtbank ten onrechte geen procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft toegekend, tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van het hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgegeven.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair vermindering van de naheffingsaanslag en veroordeling van de inspecteur in een aanvullende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 120,39 (kosten van het deskundigenbericht).
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
1. Waardevermindering wegens schade
Belanghebbende stelt dat uit zijn taxatierapport en de daarin gevoegde schadecalculatie overduidelijk blijkt dat sprake is van waardeverminderingen vanwege schade. Deze schade wordt ten onrechte niet of nauwelijks erkend in het rapport van hertaxatie. Belanghebbende heeft gewezen op diverse krassen op de achterbumper, de portieren en het achterscherm en beschadigingen op de rechter koplamp, de voorbumper en de velg. De inspecteur heeft de door belanghebbende bepleite schade gemotiveerd betwist.
Het hof is van oordeel dat de gepresenteerde schade is aan te merken als normale gebruiksschade, mede in acht genomen de leeftijd van de auto en het relatief hoge aantal gereden kilometers. Belanghebbende heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Voor dat geval is tussen partijen niet meer in geschil dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
2. Vergoeding deskundigenbericht
Belanghebbende heeft € 120,39 incl. btw (€ 99,50 plus 21% btw) aan kosten gemaakt voor het opvragen van een koerslijstuitdraai van X-Ray. Deze kosten kwalificeren volgens belanghebbende als deskundigenkosten die in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Belanghebbende wijst op de uitspraak van het hof van 1 mei 2024. Daarin heeft het hof in rechtsoverweging 4.20 beslist dat de kosten die zijn gemaakt voor het verkrijgen van een koerslijst en een daarbij behorende verklaring van X-Ray voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 1, aanhef en letter b, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).
Het hof ziet geen aanleiding om deze kosten te laten vergoeden. Deze kosten zijn niet opgenomen in het Bpb en kunnen niet worden aangemerkt als deskundigenkosten. De door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het hof van 1 mei 2024 ziet op een andere situatie, namelijk dat bij de koerslijstuitdraai een aanvullende schriftelijke verklaring van de directeur van X-Ray was gevoegd. Daarvan is in deze zaak geen sprake.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil. Belanghebbende meent dat sprake is van bijzondere omstandigheden en dat een afwijking gerechtvaardigd is van het op grond van artikel 19a, lid 3, Wet bpm geldende bedrag van € 50 per half jaar. Belanghebbende wijst erop dat het gaat om een geschil over een naheffingsaanslag en niet over de voldoening op aangifte en dat belanghebbende geen professionele partij is die een groot aantal procedures voert rond de import van gebruikte auto’s.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. Het hogerberoepschrift is ingediend op 19 augustus 2024 en het hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig om af te wijken van het op grond van artikel 19a, lid 3, Wet bpm geldende bedrag van € 50 per half jaar. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) een half jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 50, waartoe de minister wordt veroordeeld.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
In verband met de toewijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade bestaat reden de minister te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep. Het hof stelt de tegemoetkoming voor het hoger beroep op 1 (punt) x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 233,50.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep ongegrond;
-
bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
-
veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 50;
-
veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 233,50.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A.S. van Middelkoop J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.