Civiel recht overig
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Hoger beroep · Civiel recht overig
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 december 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:5483 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 12 december 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2017-5483
Zaakgegevens
Op 12 december 2017 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 12 december 2017
- Datum publicatie
- 12 december 2017
- Zaaknummer
- 200.187.324_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. G.G.J van Kooten te Veldhoven, mr. A.B Noordhof te Eindhoven
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5483
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
erfrecht
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 4 april 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:1435Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 25 juli 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:3335Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 12 december 2017deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2017:5483
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 20 maart 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:1200Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 juni 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:2343Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 18 september 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:3849Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 22 januari 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:185Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 7 mei 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:1697Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 9 juli 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:2370
Uitspraak
GERECHTSHOF ?s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.187.324/01
arrest van 12 december 2017
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
verder: [appellant] ,
advocaat: mr. G.G.J. van Kooten te Veldhoven,
tegen:
1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
verder: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,
advocaat: mr. A.B. Noordhof te Eindhoven,
als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 4 april 2017 en 25 juli 2017 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 4324340/rolnummer 15/8257 tussen partijen gewezen vonnis van 26 november 2015.
9 Het verdere verloop van het geding
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenarrest van 25 juli 2017;
-
de akte van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van 5 september 2017 met producties;
-
de antwoordakte van [appellant] van 31 oktober 2017.
Partijen hebben arrest gevraagd.
10 De verdere beoordeling
Bij tussenarrest van 25 juli 2017 heeft het hof [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] - opnieuw - in de gelegenheid gesteld volledig aan het tussenarrest van 4 april 2017 te voldoen door de ontbrekende stukken alsnog over te leggen, te weten:
-
de aangifte IB over 2013;
-
blad 001 van het rekeningafschrift van 31 juli 2012 (volgnummer 8);
-
de rekeningafschriften vanaf 11 september 2009 tot 1 maart 2011.
Naar aanleiding hiervan hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de volgende stukken overgelegd:
-
de aanslag over 2013, door hen ten onrechte aangeduid als de aangifte over 2013;
-
blad 001 van het rekeningafschrift van 31 juli 2012 (volgnummer 8);
-
rekeningafschriften van bankrekening [bankrekening] vanaf 11 september 2009 tot 1 maart 2011.
In zijn antwoordakte merkt [appellant] op dat de aangifte IB over 2013 ontbreekt. Dat is juist. Verder merkt hij op dat het eindsaldo op het laatste afschrift van 2009 niet aansluit bij het beginsaldo op het eerste afschrift van 2010 en dat hetzelfde geldt voor 2010/2011. Ook dat is juist. Volgens hem ontbreekt telkens een afschrift. Het hof stelt vast dat het eerste afschrift van 2010 als datum van het vorige afschrift 31 december 2009 vermeldt, terwijl het laatste afschrift van 2009 dat is overgelegd van 28 december 2009 dateert. Hetzelfde doet zich m.m. voor bij 2010/2011.
Het hof verwacht van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dat zij volledig voldoen aan het tussenarrest van 4 april 2017. Dat hebben zij nog steeds niet gedaan en dat dienen zij alsnog te doen. Het hof verwijst de zaak daartoe naar de rol voor akte aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . [appellant] zal daar bij antwoordakte op kunnen reageren. Indien [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] wederom niet volledig voldoen aan hetgeen hun is opgedragen, zal het hof daaraan de gevolgtrekkingen verbinden die het geraden acht.
In zijn antwoordakte van 31 oktober 2017 is [appellant] niet alleen ingegaan op de overgelegde stukken maar ook op de onderwerpen die hij aansneed in zijn antwoordakte van 30 mei 2017. Voor andere kwesties was de aktewisseling echter niet bestemd, zoals het hof in het tussenarrest van 25 juli 2017 uitdrukkelijk heeft vermeld (slotzin r.o. 7.5). Het hof laat ook nu hetgeen [appellant] over die andere kwesties naar voren heeft gebracht in zijn aktes buiten beschouwing. Ook voor de aktewisseling naar aanleiding van dit derde tussenarrest geldt dat deze niet voor enig ander doel is bestemd.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
11 De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 9 januari 2018 voor akte aan de zijde van geïntimeerden met het hiervoor onder 10.4 vermelde doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 december 2017.
griffier rolraadsheer