Insolventierecht
Karakteristiek/samenvatting: artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en sub d Faillissementswet (Fw). Bekrachtiging…
ECLI:NL:GHSHE:2016:2203 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 juni 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/insolventierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2016-2203
Zaakgegevens
Op 2 juni 2016 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 2 juni 2016
- Datum publicatie
- 6 juni 2016
- Zaaknummer
- 200.187.968/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht Insolventierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.G. van der Laan te Leiden.
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2016:2203
Samenvatting
Karakteristiek/samenvatting: artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en sub d Faillissementswet (Fw).
Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling nu sanieten meerdere kernverplichtingen niet (naar behoren) zijn nagekomen en bovenmatige schulden doen of laten ontstaan.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 juni 2016deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2016:2203
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 september 2016
ECLI:NL:PHR:2016:1111Hoge Raad · 11 november 2016
ECLI:NL:HR:2016:2580Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak : 2 juni 2016
Zaaknummer : 200.187.968/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/11/848 R en C/02/11/849 R
in de zaak in hoger beroep van:
1 [appellant],
2. [appellante],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante],
advocaat: mr. R.G. van der Laan te Leiden.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) van 10 maart 2016.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 maart 2016, hebben [appellant] en [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en het verzoek tot tussentijdse beëindiging af te wijzen.
Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken, heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 mei 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [appellant] en [appellante], bijgestaan door mr. van der Laan,
- de heer [de bewindvoerder], hierna te noemen: de bewindvoerder.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 19 april 2016;
- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 3 mei 2016;
- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 11 mei 2016;
- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 18 mei 2016;
- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 23 mei 2016.
3 De beoordeling
Bij vonnis van 2 november 2011 is ten aanzien van [appellant] en [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
Bij vonnis van 30 oktober 2014 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling verlengd tot 2 november 2016 of zoveel eerder als de nieuwe schulden en de boedelachterstanden zijn voldaan.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en sub d Faillissementswet (Fw) ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 27 januari 2016 tussentijds beëindigd, nu [appellant] en [appellante] een of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomen of door hun doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmeren dan wel frustreren en bovenmatige schulden doen of laten ontstaan.
Aangezien er baten zijn voor uitdeling verkeren [appellant] en [appellante] van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
[appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] en [appellante] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
[appellant] en [appellante] stellen dat het ontstaan van de schulden niet verwijtbaar is en dat zij (een gedeelte) van de genoemde toeslagen niet hebben aangevraagd en ook niet hebben ontvangen.
[appellant] en [appellante] betwisten de nieuwe schulden, althans de hoogte daarvan.
Ten aanzien van de boedelachterstand zijn [appellant] en [appellante] van mening dat zij hiervan niet op de hoogte waren.
De bewindvoerder heeft zijn verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen gemotiveerd gehandhaafd.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellant] en [appellante], in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en/of van het door hun doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en/of van het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.
Uit de inhoud van de processtukken, meer in het bijzonder de voortgangsverslagen van de bewindvoerder van respectievelijk 24 mei 2012, 29 november 2012, 29 mei 2013, 29 november 2013, 27 mei 2014 en 16 oktober 2014 is het hof gebleken dat [appellant] en [appellante] zich vanaf de aanvang van de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet hebben gehouden aan de aan hen opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting.
Het hof stelt voorts vast dat er, ook nadat de rechtbank bij vonnis van 30 oktober 2014 het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] en [appellante] had afgewezen en de termijn van de schuldsaneringsregeling had verlengd met twee jaar, geen verbetering is opgetreden in de gedragingen van [appellant] en [appellante]. Blijkens de voortgangsverslagen van de bewindvoerder van 27 juli 2015 en 26 januari 2016 hebben [appellant] en [appellante] andermaal nagelaten de bewindvoerder te informeren over al hetgeen dat van belang is voor een doelmatige uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Van deze gedragingen kan [appellant] en [appellante] een zodanig ernstig verwijt worden gemaakt dat deze omstandigheid op zichzelf beschouwd voldoende grond oplevert om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
Voorts stelt het hof vast dat de rechtbank bij vonnis van 30 oktober 2014 de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] en [appellante] heeft verlengd met twee jaar, zulks om [appellant] en [appellante] in de gelegenheid te stellen de nieuw ontstane schulden van
€ 2.239,41 en de boedelachterstand van € 4.090,73 in te lopen.
Blijkens de brief van de bewindvoerder van 11 mei 2016 zijn de nieuwe ontstane schulden echter verder opgelopen naar € 15.522,87, onder meer omdat [appellant] en [appellante] gedurende een substantiële periode de motorrijtuigenbelasting niet hebben betaald. Verder blijkt daaruit dat [appellant] en [appellante] niets hebben afgedragen aan de boedel met als gevolg dat de boedelachterstand per laatst vermelde datum € 5.069,36 bedraagt (bijlagen 2 en 10 bij brief van de bewindvoerder van 11 mei 2016). Ook van deze beide gedragingen kan [appellant] en [appellante] een zodanig ernstig verwijt worden gemaakt dat er naast de niet nakoming van de inlichtingenverplichting ook voldoende extra gronden zijn om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
Hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof overneemt, heeft geoordeeld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] en [appellante] tussentijds te beëindigen.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4 De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts, A.P. Zweers-van Vollenhoven en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2016.