Personen- en familierecht

Ouderschapsplan, overeenstemming, ondertekening, 1:401 lid 1 BW, 1:401 lid 5 BW Het hof is van oordeel dat…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 juni 2013

Zaakgegevens

Op 5 juni 2013 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
5 juni 2013
Datum publicatie
5 juni 2014
Zaaknummer
HV 200.132.925_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. E.M.G van Nuenen-Meulesteen, mr. E.E.M. van Schaijk-Böhm
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2013:6909
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ouderschapsplan, overeenstemming, ondertekening, 1:401 lid 1 BW, 1:401 lid 5 BW

Het hof is van oordeel dat uit de processtukken meer dan voldoende blijkt dat sprake is van overeenstemming en komt derhalve tot de conclusie dat een gezamenlijk ouderschapsplan met daarin opgenomen de kinderalimentatie is overeengekomen.

Dat de man om hem moverende redenen hangende de procedure terugkomt op zijn standpunt en zich niet langer gebonden wil voelen aan de daarin gemaakte afspraken ten aanzien van de kinderalimentatie, doet niets af aan het feit dat tussen partijen overeenstemming is bereikt.

Dat het ouderschapsplan niet is ondertekend, doet evenmin iets af aan de bereikte overeenstemming. Overigens stelt artikel 815 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) niet de vormeis dat een ouderschapsplan ondertekend moet worden door de ouders.

Dat de praktische uitwerking van de afspraak tussen partijen waar het betreft de kinderalimentatie dusdanig nadelig voor de man is gebleken dan wel door gewijzigde omstandigheden nadelig is geworden, dat hij zich niet langer aan deze afspraak wil en of kan houden, valt onder de werkingssfeer van artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dan wel onder lid 1 van het betreffende artikel.

Van een situatie als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 dan wel lid 1 BW is evenwel niet gebleken.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 5 juni 2014

Zaaknummer: HV 200.132.925/01

Zaaknummer eerste aanleg: 247622/FA RK 12-2629

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.M.G. van Nuenen-Meulesteen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.E.M. van Schaijk-Böhm.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2013, zoals verbeterd bij beschikking van die rechtbank van 16 oktober 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 september 2013, heeft de man verzocht, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de vastgestelde kinderalimentatie en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man gehouden is aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen ten bedrage van € 97,- per kind per maand met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (zijnde 15 augustus 2013), dan wel een bedrag als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 november 2013, heeft de vrouw verzocht, bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van de man ongegrond te verklaren.

Tevens heeft de vrouw incidenteel appel ingesteld en verzocht:

  • voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, op te nemen in de door het hof te geven beschikking de onderling getroffen regelingen in het ouderschapsplan onder aanhechting van dat ouderschapsplan aan de te geven beschikking;

  • te bepalen dat de man ter zake de vordering op [BV] BV aan de vrouw dient te betalen € 4.920,61;

  • te bepalen dat de man ter zake door de vrouw ten behoeve van hem na peildatum betaalde premies Koersplan dient te betalen € 158,83;

  • aanvullend te bepalen dat zolang de minderjarige dochter [minderjarige 1] bijles nodig heeft, de door de man ten behoeve van [minderjarige 1] te betalen alimentatie bedraagt € 357,71, althans een zodanig hoger bedrag dan € 283,33 als het hof juist acht;

  • voor het overige de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met productie, ingekomen ter griffie op 23 december 2013, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel appel en het aanvullend verzoek zoals opgenomen in het incidenteel appel, althans dit af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 maart 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • de man, bijgestaan door mr. Van Nuenen-Meulesteen;

  • de vrouw, bijgestaan door mr. Van Schaijk-Böhm.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 6 maart 2014;

  • de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 11 maart 2014;

  • de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 12 maart 2014;

  • het faxbericht van de advocaat van de man d.d. 23 april 2014.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 15 mei 1996 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],

- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3]), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats].

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 15 augustus 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van € 283,33 per kind per maand met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De bijdrage voor de kinderen beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment

€ 285,88 per kind per maand.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een gezamenlijk ouderschapsplan als bedoeld in artikel 815 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Voorts heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat zij, gelet op de onduidelijke stelling van partijen over en weer en het ontbreken van onderliggende stukken en het standpunt van de betrokken vennootschap – zijnde [BV] BV – niet in staat is vast te stellen wat de waarde van de vordering van partijen op vorengenoemde vennootschap was op de peildatum. De rechtbank heeft overwogen dat partijen in overleg met [BV] BV de omvang van de vordering dienen vast te stellen en heeft daarom het verzoek van de vrouw ter zake in de overwegingen afgewezen.

Tot slot heeft de rechtbank nog, voor zover thans van belang, ten aanzien van de premie Koersplan overwogen dat de vrouw de door haar gestelde vordering op de man ter zake ad € 226,90, gezien de betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd en daarom die vordering niet in de verrekening heeft betrokken.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissingen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De grieven van partijen betreffen -zakelijk weergegeven - :

- de vraag of sprake is van een gezamenlijk ouderschapsplan (grief 1 vrouw);

- de vraag of partijen overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de kinderalimentatie en daarmee samenhangend of die alimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven ( artikel 401 lid 5 BW) dan wel of sprake is van een wijziging van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 401 lid 1 BW (grief 1 van de man);

- het aandeel van partijen in de behoefte van de kinderen, daaronder begrepen de vraag welke alimentatienormen van toepassing zijn (grief 1 tot en met 4 van de man);

- het bedrag dat de man ter zake de vordering op [BV] BV aan de vrouw dient te voldoen (grief 2 vrouw);

- de vordering van de vrouw op de man ter zake betaalde premies Koersplan (grief 3 vrouw).

Daarnaast heeft de vrouw aanvullend verzocht om, zolang [minderjarige 1] bijles behoeft, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te verhogen met een bedrag van € 74,38 per maand.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

3.5.

Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over het geschil dat voorlag ten aanzien (een deel van) van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (grief 2 en grief 3 van de vrouw), aldus dat zij zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw in het kader van de verrekening ter zake de vordering op [BV] BV en de premies Koersplan een bedrag dient te voldoen van in totaal € 4.150,-.

Het hof zal verstaan dat partijen zijn overeengekomen zoals hiervoor is weergegeven.

Ouderschapsplan

3.6.

De vrouw grieft in haar eerste grief tegen de overweging van de rechtbank dat geen sprake is van een gezamenlijk ouderschapsplan als bedoeld in artikel 815 lid 2 Wetboek van Rechtsvordering (Rv), nu de man – na aanvankelijk te hebben ingestemd met de inhoud van het bij inleidend verzoekschrift ingediende ouderschapsplan – in latere instantie heeft meegedeeld het niet eens te zijn met de daarin opgenomen afspraak over de kinderalimentatie.

De vrouw voert daartoe aan dat artikel 815 Rv niet de eis stelt dat een ouderschapsplan is ondertekend. De man heeft zelf in zijn echtscheidingsverzoek uitdrukkelijk gesteld dat hij zich volledig kan verenigen met de inhoud van het ouderschapsplan. De man heeft voorts gesteld dat, wanneer de vrouw zich ook nog steeds kan verenigen met de inhoud van het plan, dat plan aan de te wijzen beschikking kan worden gehecht, zodat de rechtbank geen nadere beslissing hoeft te nemen. De vrouw heeft laten weten dat zij kon instemmen met het ouderschapsplan en nota bene verzocht om dit ouderschapsplan op te nemen in de beschikking, aldus de vrouw.

De man stelt zich op het standpunt dat partijen nooit overeenstemming hebben bereikt over het ouderschapsplan, nu zij niet tot ondertekening zijn overgegaan. Daarnaast gaat de vrouw er aan voorbij dat het de man vrij staat om gedurende de procedure zijn verzoek te wijzigen. Het stond de man vrij om voor de zitting zijn standpunt te wijzigen ten aanzien van de hoogte van de kinderalimentatie. Bij gebreke aan overeenstemming kan het ouderschapsplan niet aan de beschikking worden gehecht.

3.7.

Het hof is van oordeel dat uit de processtukken meer dan voldoende blijkt dat sprake is van overeenstemming en komt derhalve tot de conclusie dat een gezamenlijk ouderschapsplan met daarin opgenomen de kinderalimentatie is overeengekomen. Daartoe is van belang dat de man in eerste aanleg het niet ondertekende ouderschapsplan heeft overgelegd en daarbij uitdrukkelijk heeft gesteld dat het plan het resultaat is van diverse overleggen, waarbij hij heeft aangegeven dat als de vrouw zich ook nog steeds met dit ouderschapsplan kan verenigen, dit plan aan de beschikking kan worden gehecht. Voorts heeft de man in zijn inleidend verzoekschrift aangegeven dat hij geen redenen meer ziet om te wachten met de ondertekening van het ouderschapsplan.

De vrouw heeft vervolgens in het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, op grond van het door de man in zijn verzoekschrift gestelde, gesteld dat ook zij zich kan verenigen met het door de man overgelegde ouderschapsplan, dat zij ervan uit gaat dat een door partijen ondertekend plan aan de rechtbank zal worden toegezonden en dat dit plan onderdeel zal uitmaken van de beschikking.

Met de aanvaarding door de vrouw van het door de man gedane aanbod is er naar het oordeel van het hof een overeenkomst tot stand gekomen, aan welke overeenkomst partijen in beginsel zijn gebonden. Dat de man om hem moverende redenen hangende de procedure terugkomt op zijn standpunt en zich niet langer gebonden wil voelen aan de daarin gemaakte afspraken ten aanzien van de kinderalimentatie, doet niets af aan het feit dat tussen partijen overeenstemming is bereikt.

Dat het ouderschapsplan niet is ondertekend, doet evenmin iets af aan de bereikte overeenstemming. Overigens stelt artikel 815 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) niet de vormeis dat een ouderschapsplan ondertekend moet worden door de ouders.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door de man ook erkend dat er overeenstemming is bereikt tussen partijen en voorts staat vast dat de man ook daadwerkelijk de in het ouderschapsplan overeengekomen kinderalimentatie heeft betaald tot juni 2013.

Aldus komt het hof tot de conclusie dat sprake is van overeenstemming en daarmee van een gezamenlijk ouderschapsplan als bedoeld in artikel 815 lid 2 Rv.

Dat de praktische uitwerking van de afspraak tussen partijen waar het betreft de kinderalimentatie dusdanig nadelig voor de man is gebleken dan wel door gewijzigde omstandigheden nadelig is geworden, dat hij zich niet langer aan deze afspraak wil en of kan houden, valt onder de werkingssfeer van artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dan wel onder lid 1 van het betreffende artikel.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

Als ingangsdatum voor de kinderalimentatie is tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen de datum van de echtscheidingsbeschikking . Het hof zal dan ook van deze ingangsdatum uitgaan. Weliswaar heeft de vrouw niet expliciet gegriefd tegen dit onderdeel van de beslissing maar impliciet volgt dit wel uit grief 1 met betrekking tot het ouderschapsplan.

3.8.

Het hof ziet zich, gelet op de stellingen van de man, voor de vraag gesteld of de overeenkomst ten aanzien van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie kan worden gewijzigd of ingetrokken, omdat deze is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. In dit kader heeft de man aangevoerd dat de behoefte van de kinderen € 500,- per kind per maand bedraagt. Nu de kinderen de helft van de week bij de man verblijven, neemt de man reeds de helft van de behoefte van de kinderen voor zijn rekening. . Het is niet zo dat de vrouw alle kosten voor haar rekening neemt en dat de man de kinderen louter voorziet in hun dagelijks levensonderhoud, aldus de man. De mediator heeft volgens de man bij de berekening van de kinderalimentatie dan ook geen rekening gehouden met de feitelijke kosten die de man voor zijn rekening neemt. Dit maakt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW.

De vrouw betwist dat sprake is van een dergelijke situatie. Zij voert daartoe aan dat de mediator bij de bepaling van de kinderalimentatie rekening gehouden heeft met de inkomens van partijen, hun woonlasten, de kosten kinderopvang, de verdeling van de zorgdagen, de kosten die de vrouw moet maken (abonnementen, schoolgeld etc), de kinderbijslag en de kosten die in de eigen huishouding voor de kinderen worden gemaakt. Kortom, met alle relevante omstandigheden is rekening gehouden en op basis daarvan is de kinderalimentatie tot stand gekomen, zodat geen sprake is van een situatie als bedoeld in vorengenoemd artikel.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.10.

Ingevolge artikel 1:401 lid 5 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Hiermee wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het betreft gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

Nu het hof niet beschikt over de onderliggende gegevens die destijds hebben geleid tot de door partijen overeengekomen kinderalimentatie, is het hof niet in staat om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in lid 5 van artikel 1:401 BW, hetgeen voor rekening en risico van de man behoort te komen, nu hij degene is die zich op dit artikellid beroept.

3.11.

Het hof ziet zich, gelet op de stellingen van de man, verder voor de vraag gesteld of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, die een nieuwe beoordeling van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man rechtvaardigt.

Bij zijn uitspraak van 27 maart 1998 (NJ 1998, 551, ECLI:NL:HR:1998:ZC2618) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ingevolge artikel 1:401 lid 1 BW een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen, maar dat die bepaling de rechter in beginsel vrij laat te beoordelen aan welke omstandigheden hij bij zijn beslissing omtrent het verzoek tot wijziging betekenis wil toekennen, en zo ja, welke betekenis.

3.12.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een situatie als bedoeld in dit artikellid heeft de man in de eerste plaats aangevoerd dat zijn woonlast is gewijzigd. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie is uitgegaan van het feit dat de man de woonlasten van een mogelijke koopwoning op zich zou gaan nemen, doch met ingang van 1 juli 2012 is de man een woning gaan huren, zodat naar de mening van de man sprake is van een gewijzigde omstandigheid.

Het hof is – evenals de vrouw – van oordeel dat van een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW geen sprake is. Daartoe is van belang dat de mediator bij de berekening van de draagkracht van de man voor de vaststelling van de kinderalimentatie is uitgegaan van het feit dat een koopwoning een netto woonlast van

€ 1.135,- per maand voor de man met zich zou brengen. De man heeft weliswaar, anders dan waar de mediator toentertijd vanuit is gegaan, een huurwoning betrokken, maar uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat dit voor de man een netto woonlast met zich brengt van € 1.100,- per maand. Dit is, zoals de man ter zitting ook heeft erkend, zelfs minder dan de begrote woonlast waarmee in de draagkrachtberekening door de mediator rekening is gehouden. Aldus is het hof van oordeel dat aan deze wijziging niet de betekenis kan worden toegekend die de man daaraan toegekend wenst te zien en is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in vorenbedoelde zin.

3.13.

Voorts heeft de man aangevoerd dat zijn salaris met ingang van 1 september 2013 is verlaagd naar € 5.500,- bruto per maand en dat deze verlaging een wijziging van omstandigheden oplevert in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW.

Ook ten aanzien hiervan is het hof – evenals de vrouw – van oordeel dat deze wijziging niet kan leiden tot een hernieuwde beoordeling van de behoefte en draagkracht.

Daartoe is van belang dat zo uitgegaan zou worden van een salaris ad € 5.500,- bruto per maand – of wel € 71.280,- op jaarbasis, inclusief vakantietoeslag – dit inkomen nagenoeg van dezelfde orde van grootte is als het inkomen waar de mediator destijds vanuit is gegaan (€ 71.095,- per jaar). De man heeft dit ter zitting ook erkend.

Aldus is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

3.14.

Tot slot heeft de man aangevoerd dat hij met ingang van 1 november 2013 gedeeltelijk – te weten 50% – arbeidsongeschikt is, hetgeen heeft geleid tot halvering van zijn inkomen. De man stelt met ingang van 1 november 2013 derhalve nog slechts te beschikken over een inkomen van € 2.750,- bruto per maand.

Het hof stelt daarbij allereerst vast dat de man directeur-grootaandeelhouder is van

Anculus BV en dat hij zelfstandig het hem toekomende salaris uit deze BV kan bepalen.

Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende vast is komen te staan dat de man voor 50% arbeidsongeschikt is.

Het hof overweegt daartoe als volgt:

Het hof acht het weliswaar aannemelijk dat de man psychische problemen heeft, maar of, en zo ja in welke mate, dit tot vermindering van werkzaamheden – en daarmee samenhangend tot een verlaging van het salaris – moet leiden, kan het hof bij gebreke aan onderliggende stukken niet beoordelen. De man heeft geen medische stukken in het geding gebracht en evenmin een rapport van een arbeidsdeskundige waaruit blijkt dat de man verminderd belastbaar is. De door de man overgelegde verwijzing van de huisarts, de correspondentie met de psycholoog en de correspondentie met dan wel over Generali, zijn onvoldoende om daaruit enige arbeidsongeschiktheid van de man af te leiden, nu deze correspondentie uitsluitend gebaseerd is op de eigen beleving dan wel bevindingen van de man.

Nu de arbeidsongeschiktheid van de man onvoldoende in rechte is komen vast te staan, bestaat er naar het oordeel van het hof eveneens onvoldoende rechtvaardiging voor de halvering van het salaris. Het hof kent aan de door de man geschetste omstandigheden dan ook niet de betekenis toe die de man daaraan toegekend wil zien en komt, op grond van het vorenstaande, dan ook tot het oordeel dat ook deze door de man geschetste omstandigheden geen relevante wijziging opleveren als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW.

3.15.

Voor zover de man ook in het licht van artikel 1:401 lid 1 BW nog heeft aangevoerd dat de mediator geen rekening heeft gehouden met de feitelijke kosten van de kinderen die de man voor zijn rekening neemt, dan wel dat de man zich in de praktijk geconfronteerd ziet met aanzienlijk meer kosten dan door partijen is beoogd, overweegt het hof dat voor een dergelijke beoordeling in het kader van artikel 1:401 lid 1 BW geen plaats is. Deze door de man aangevoerde gronden zien immers op de vraag of de overeenkomst strekkende tot betaling van kinderalimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het hof verwijst te dien aanzien dan ook naar hetgeen hierboven reeds in rechtsoverweging 3.10 is overwogen.

3.16.

Nu niet is gebleken dat de overeenkomst ten aanzien van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en niet is gebleken dat er zich nadien een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW heeft voorgedaan, is de man gehouden de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie ad € 283,33 per kind per maand te betalen, welke bijdrage ingevolge de wettelijke indexering inmiddels € 285,88 bedraagt.

3.17.

Ten aanzien van het aanvullende verzoek van de vrouw strekkende tot verhoging van de bijdrage voor [minderjarige 1] met een bedrag van € 74,38 per maand zolang [minderjarige 1] bijles behoeft, overweegt het hof dat dit verzoek zal worden afgewezen, nu de vrouw niet heeft onderbouwd dat en waarom dit bedrag niet uit de door haar voor [minderjarige 1] ontvangen onderhoudsbijdrage kan worden voldaan.

3.18.

Gelet op het voren overwogene, dient de beschikking waarvan beroep, onder verbetering van gronden, te worden bekrachtigd, behalve ten aanzien van de ingangsdatum van de kinderalimentatie en het verzoek het ouderschapsplan aan te hechten aan de beschikking.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2013 voor wat betreft de opname in en de aanhechting van het ouderschapsplan aan de beschikking alsmede wat betreft de ingangsdatum van de kinderbijdrage;

bepaalt de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de onder 3.1. genoemde kinderen op 7 oktober 2013;

bepaalt dat de door partijen getroffen regelingen in het ouderschapsplan deel uit maken van deze beschikking en hecht het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan (productie 4 bij het verzoekschrift tot echtscheiding) aan deze beschikking;

verstaat dat partijen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw ter zake de verrekening van de vordering van partijen op [BV] BV en de premies Koersplan een bedrag dient te voldoen van in totaal € 4.150,-;

bekrachtigt voor het overige de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.Th.M. Raab, E.L. Schaafsma-Beversluis en S.W.E. Rutten en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2014.