Personen- en familierecht
bewind, proceskostenveroordeling
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 mei 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:1381 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 6 mei 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2021-1381
Zaakgegevens
Op 6 mei 2021 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 6 mei 2021
- Datum publicatie
- 6 mei 2021
- Zaaknummer
- 200.279.528_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.G.P Voragen, mr. J.M.E. van den Heuvel
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1381
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
bewind, proceskostenveroordeling
Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 6 mei 2021
Zaaknummer: 200.279.528/01
Zaaknummer eerste aanleg: 8287093 MS VERZ 20-92
in de zaak in hoger beroep van:
[de betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de betrokkene,
advocaat: mr. R.G.P. Voragen,
tegen
[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de mentor,
advocaat: mr. J.M.E. van den Heuvel.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder van betrokkene,
en
[broer 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: broer van betrokkene,
en
[broer 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: broer van betrokkene.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 juni 2020.
2. Het geding in hoger beroep
De betrokkene is op 8 juni 2020 in hoger beroep gekomen tegen voormelde beschikking.
De bewindvoerder heeft op 18 augustus 2020 bij het hof een verweerschrift ingediend.
Bij bericht van 2 maart 2021 heeft de betrokkene het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 3 maart 2021 heeft de bewindvoerder verzocht de betrokkene in de proceskosten te veroordelen, aangezien de mondelinge behandeling reeds was voorbereid door de bewindvoerder en diens advocaat, en het verzoek zeer kort voor de mondelinge behandeling is ingetrokken door de betrokkene.
Bij brief van 8 april 2021 heeft de betrokkene zich hiertegen verweerd.
3 De beoordeling
Het hof maakt uit voormeld bericht op dat de grieven niet worden gehandhaafd. Dit brengt mee dat de betrokkene niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek in hoger beroep.
Het hof oordeelt ten aanzien van het verzoek van de bewindvoerder om betrokkene in de proceskosten te veroordelen dat betrokkene weliswaar het verwijt kan worden gemaakt pas daags voorafgaand aan de mondelinge behandeling het beroep te hebben ingetrokken, maar dat dit in dit geval onvoldoende is om vast te stellen dat de procedure nodeloos is ingesteld. Het hof betrekt daarbij bovendien dat het gebruikelijk is om in een zaak als de onderhavige – gelet op de aard van de procedure – de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof zal alles overziende het verzoek van de bewindvoerder om de betrokkene in de proceskosten te veroordelen afwijzen, en de proceskosten tussen partijen compenseren.
4 De beslissing
Het hof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep;
compenseert de proceskosten, in die zin, dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.M. Bossink en is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.