Personen- en familierecht

De vader trekt het hoger beroep in omdat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de machtiging tot…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 oktober 2023

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2023 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12 oktober 2023
Datum publicatie
12 oktober 2023
Zaaknummer
200.330.130_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. Y.K. Kunze
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2023:3341
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De vader trekt het hoger beroep in omdat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog niet ten uitvoer is gelegd en dat de GI deze machtiging niet meer tijdig ten uitvoer kan leggen omdat er voor de minderjarige nog geen geschikt pleeggezin is gevonden.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 12 oktober 2023

Zaaknummer: 200.330.130/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/318125 / JE RK 23-943

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats vader] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. Y.K. Kunze,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling).

Deze zaak gaat over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ; hierna te noemen: [minderjarige]

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,
wonende te [woonplaats moeder] ,
hierna te noemen: de moeder

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 juni 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 juli 2023, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot de uithuisplaatsing

alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 september 2023, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 september 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Kunze

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de moeder.

2.3.1.

De raad is, met kennisgeving vooraf, niet tijdens de mondeling behandeling bij het hof verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 15 juni 2023;

  • het V6-formulier van 4 september met bijlagen (productie 3 t/m 6) van de zijde van de vader.

3 De feiten

3.1.

De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] . Zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.2.

[minderjarige] staat sinds 7 november 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 7 november 2023.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een verblijf pleegouder 24-uurs voor de duur van de ondertoezichtstelling, met ingang van 23 juni 2023, aldus tot 7 november 2023.

4.2.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

5 De beoordeling

5.1.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog niet ten uitvoer is gelegd en dat de GI deze machtiging niet meer ten uitvoer kan leggen binnen het verstrijken van de termijn van drie maanden, zoals bedoeld in artikel 1:265c lid 3 BW. Er is namelijk voor [minderjarige] niet tijdig een geschikt pleeggezin gevonden. Gelet hierop heeft de vader het hoger beroep ingetrokken.

5.2.

Het hof maakt hieruit op dat de grieven niet meer worden gehandhaafd. Dat betekent dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.

6 De beslissing

het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.N.M Antens, en C.M.J. Peters en is op 12 oktober 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.