Personen- en familierecht
Bekrachtiging afwijzing verzoek vervangende toestemming verhuizing. Geen noodzaak, onvoldoende doordacht en…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 oktober 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2714 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-2714
Zaakgegevens
Op 2 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2025
- Datum publicatie
- 2 oktober 2025
- Zaaknummer
- 200.352.828_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. E.M.A Leijser, mr. J.C. Hissink
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2714
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bekrachtiging afwijzing verzoek vervangende toestemming verhuizing. Geen noodzaak, onvoldoende doordacht en voorbereid.
Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 2 oktober 2025
Zaaknummer : 200.352.828/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/427438 / FA RK 24-4686
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.C. Hissink.
Deze zaak gaat over:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
Als belanghebbende merkt het hof aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling)
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 7 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om haar toestemming te geven om te verhuizen afgewezen en de kosten van het geding gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 april 2025, heeft de moeder verzocht uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
I. het beroep gegrond wordt verklaard;
II. de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het inleidend verzoek van de moeder wordt toegewezen.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 juni 2025, en na verbetering van het petitum tijdens de mondelinge behandeling, heeft de vader verzocht de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat af te wijzen als ongegrond en de bestreden beschikking zo nodig onder aanvulling van en/of verbetering van gronden te bekrachtigen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
de moeder, bijgestaan door mr. Leijser;
-
de vader, bijgestaan door mr. Hissink;
-
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
-
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 januari 2025;
-
het V6-formulier met bijlage d.d. 1 juli 2025 namens de vader;
-
het V6-formulier met bijlage d.d. 1 september 2025 namens de vader.
3 De feiten
De moeder en de vader hebben een relatie gehad. Tijdens deze relatie is [minderjarige 1] geboren.
De moeder heeft nog twee dochters: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] en [minderjarige 3] geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
De vader heeft [minderjarige 1] erkend. De ouders hebben op 23 augustus 2021 in het gezagsregister laten aantekenen dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige 1] .
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 februari 2024 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is vervolgens verlengd tot 8 februari 2026.
Partijen hebben in onderling overleg, in het bijzijn van hun advocaten en de GI in september 2024 afgesproken dat [minderjarige 1] de ene week vier dagen bij de ene ouder en drie dagen bij de andere ouder woonde. Iedere week draaide dit om, met een overdracht op woensdag en op zaterdag of zondag rond 13.00 uur. Iedere dag om 18.30 uur was er een belafspraak met [minderjarige 1] . Dit gold voor beide ouders.
Bij beschikking van de rechtbank van 24 juni 2025 heeft de rechtbank onder andere bepaald dat [minderjarige 1] voorlopig haar hoofdverblijf bij de vader heeft. Daarbij is bepaald dat de moeder en [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij partijen het halen en brengen delen en de regie over de verdere invulling en uitbreiding van de contacten bij de GI ligt. De behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van bericht van partijen over de beslissing in het onderhavige hoger beroep en het door hen gewenste verdere procesverloop.
4 De beoordeling
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Nadat de moeder de vader heeft leren kennen, is zij samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader in [plaats] gaan wonen. Het uiteengaan van de ouders is turbulent verlopen. Familieleden van beide ouders hebben zich gemengd in de breuk en hebben ervoor gezorgd dat er meermaals politie betrokken is geraakt. De moeder voelt zich naar aanleiding van escalaties niet meer veilig in [plaats] en heeft besloten om zich te vestigen in de buurt van haar netwerk in [woonplaats moeder] . Het is noodzakelijk om een veilige haven te creëren voor de kinderen en voor zichzelf. Er heeft in het verleden fysiek en verbaal geweld plaatsgevonden waar de kinderen bij aanwezig waren. De moeder wil uit de invloedssfeer van de familie van de vader komen. Bovendien had de moeder toch op enig moment de voorheen gezamenlijke woning van partijen in [plaats] moeten verlaten omdat zij deze niet alleen kan betalen. In [woonplaats moeder] ervaart de moeder rust. Zij zal niet teruggaan naar [plaats] .
Het is onjuist dat de moeder de gevolgen van de verhuizing voor [minderjarige 1] niet goed doordacht heeft. Op korte termijn zal er niets veranderen ten aanzien van de zorgregeling. De moeder heeft voor [minderjarige 3] alle zaken geregeld in [woonplaats moeder] (school, huisarts, tandarts). [minderjarige 2] is uit huis geplaatst, maar heeft de wens uitgesproken om terug bij moeder te gaan wonen. Er is met name in de regio [woonplaats moeder] gezocht om een eventuele thuisplaatsing voor haar mogelijk te maken. Ook voor [minderjarige 1] had de moeder alles willen regelen, maar de GI gaf de moeder daar geen toestemming voor omdat er voor [minderjarige 1] bij de peuterspeelzaal in [plaats] een indicatie ligt wegens een achterstand in haar spraak en taal. Deze achterstand zou bij het consultatiebureau zijn vastgesteld. De moeder heeft contact opgenomen met het consultatiebureau om dit te verifiëren. Het consultatiebureau betwist deze conclusie en/of dit advies te hebben gegeven. [minderjarige 1] heeft een Voor- en Vroegschoolse Educatie-indicatie gehad en hierover heeft het consultatiebureau contact gehad met de jeugdbeschermer. De moeder heeft contact opgenomen met een kinderdagverblijf om [minderjarige 1] op de dagen dat zij bij haar verblijft op te vangen. De moeder is degene die de kosten van het vervoer op zich neemt.
Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de verandering van school voor [minderjarige 3] door de moeder zelf is gecreëerd en geen doorslaggevende reden vormt om nu met [minderjarige 1] naar [woonplaats moeder] te mogen verhuizen. [minderjarige 3] heeft veel meegemaakt in de relatie van de moeder en de vader. De verhuizing naar [woonplaats moeder] heeft haar goed gedaan. De moeder vormt met haar drie dochters een gezin en het belang van de andere kinderen speelt een rol in de verhuizing. Het is bovendien belangrijk voor [minderjarige 1] om met haar zussen op te groeien. De rechtbank heeft de belangen verkeerd afgewogen. De moeder verblijft al meerdere maanden in [woonplaats moeder] . Ondanks de afstand heeft de moeder er altijd voor gezorgd dat [minderjarige 1] en de vader contact met elkaar hadden conform de regeling. De vader kan onvoldoende regie pakken om [minderjarige 1] te bieden wat zij nodig heeft. Hij heeft veel ondersteuning en begeleiding nodig en de moeder niet. De moeder heeft in [woonplaats moeder] een stabiele woonsituatie gecreëerd voor haar kinderen.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. De moeder heeft zich in strijd met de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking uitgeschreven van haar adres in [plaats] en zich ingeschreven in [woonplaats moeder] , waarmee zij ook wijziging heeft gebracht in de woonplaats van [minderjarige 1] . De vader heeft dit aan de GI laten weten, waarna de GI heeft aangegeven dat [minderjarige 1] wederom in [plaats] moest worden ingeschreven.
De moeder heeft de situatie waarin zij zou worden bedreigd door de vader en diens familie niet onderbouwd. Er is geen sprake van een situatie waarbij de moeder vanwege haar veiligheid [plaats] moet verruilen voor [woonplaats moeder] . Door het handelen van de moeder worden de belangen van [minderjarige 1] in ernstige mate geschaad. Uit het recente onderzoeksrapport, naar aanleiding van het gezinsonderzoek bij [instantie 1] , kan worden opgemaakt dat de moeder onvoldoende in staat is om op een behoorlijke wijze de belangen van [minderjarige 1] te borgen. De moeder heeft ook de situatie aangaande [minderjarige 3] en [minderjarige 2] niet onderbouwd. Het handelen van de moeder is er evident op gericht om uit beeld te geraken van enig toezicht. Zo heeft zij meermaals getracht ook onder de afspraken met de vader uit te komen. Er is geen enkele intrinsieke motivatie bij de moeder om de belangen van [minderjarige 1] voorop te stellen. Ook is er geen sprake van dat de moeder op een aanvaardbare wijze invulling kan geven aan de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Er is geen zicht op haar thuissituatie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de moeder een verhuizing van [minderjarige 1] niet goed heeft doordacht. Het is evident dat de moeder zich laat leiden door eigen belangen en uit haar handelen kan worden afgeleid dat zij rechtelijke beslissingen en aanwijzingen van de GI zonder gevolgen naast zich neer denkt te kunnen leggen.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. Ten tijde van de procedure in eerste aanleg was het de GI om het even of [minderjarige 1] in [plaats] of [woonplaats moeder] zou moeten opgroeien. Van belang was dat er duidelijkheid kwam voor [minderjarige 1] . De echtscheiding heeft veel onduidelijkheid gecreëerd voor haar ontwikkeling. Er is geconstateerd dat [minderjarige 1] een achterstand heeft op het gebied van spraak en taal, en ook sociaal emotioneel loopt zij achter. Hierdoor was het belangrijk om te weten of [minderjarige 1] in [plaats] of [woonplaats moeder] zou gaan wonen. Met de bestreden beschikking werd duidelijk dat zij in [plaats] zou blijven wonen. Hierop is de GI hulpverlening gaan inzetten in die regio. Daarbij heeft de GI veel weerstand ondervonden van de moeder, die toch naar [woonplaats moeder] is vertrokken. [minderjarige 1] zou vier dagen per week in [plaats] naar de peuterspeelzaal gaan. Gelet op haar ontwikkelingsachterstand achtte de GI dit in het belang van [minderjarige 1] . De moeder bracht [minderjarige 1] maar twee dagen per week. De GI heeft enige tijd ook geen contact met de moeder kunnen krijgen. De GI heeft dit uiteindelijk via de advocaat van de moeder begin juni 2025 weer kunnen oppakken. De GI heeft de moeder thuis bezocht. Zij verbleef op dat moment nog bij haar moeder in [woonplaats moeder] . Inmiddels heeft de moeder een eigen woning.
Door de beschikking van de rechtbank van 24 juni 2025 kan [minderjarige 1] weer vier dagen per week naar de peuterspeelzaal. Het is belangrijk dat deze situatie behouden en stabiel blijft, waarbij haar basis doordeweeks in [plaats] is. In de regio van [plaats] is alles opgezet voor [minderjarige 1] om zich zo goed mogelijk te kunnen ontwikkelen. De vader heeft op eigen initiatief een ouder-kind woning aangevraagd. Daar krijgt de vader de ondersteuning die hij nodig heeft en dat neemt hij met beide handen aan. De moeder is bereid om in haar eigen omgeving met hulp aan de slag te gaan. Voor [minderjarige 1] is het nu belangrijk dat de huidige situatie gewaarborgd blijft.
De raad adviseert – samengevat – het volgende. De rechtbank heeft terecht geen vervangende toestemming verleend aan de moeder om met [minderjarige 1] naar [woonplaats moeder] te verhuizen. [minderjarige 1] is een meisje met een achterstand, waarbij er veel geregeld is in [plaats] om deze achterstand zo goed mogelijk in te lopen. Dat moet behouden blijven.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige 1] toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. Bij een dergelijke beslissing dient het hof – conform vaste rechtspraak – alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen.
Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat de verhuizing met [minderjarige 1] naar [woonplaats moeder] noodzakelijk is en dat zij de verhuizing goed heeft doordacht en voorbereid. Het hof acht het in het belang van [minderjarige 1] dat zij in [plaats] blijft wonen.
De moeder wil in [woonplaats moeder] blijven wonen. Hoewel het recht van de moeder om haar leven opnieuw vorm te geven rechtens gerespecteerd dient te worden, wegen hier ook de belangen van [minderjarige 1] en de vader mee. De omstandigheid dat er na het uiteengaan van de ouders spanningen zijn ontstaan en zich een incident heeft voorgedaan waarbij de ouders van de moeder en de vader betrokken zijn geweest, maakt niet dat daarmee de noodzaak voor een verhuizing van de moeder met [minderjarige 1] naar [woonplaats moeder] is komen vast te staan. Niet is gebleken dat het voor de moeder of [minderjarige 1] structureel onveilig is of was in [plaats] . Voor zover de moeder heeft aangegeven dat zij de woning in [plaats] niet alleen kon betalen, heeft zij niet aangetoond dat zij er alles aan heeft gedaan om een andere woning in (de omgeving van) [plaats] te vinden.
Hier komt bij dat de moeder de verhuizing naar [woonplaats moeder] niet voldoende heeft doordacht en voorbereid. [minderjarige 1] is een meisje dat extra aandacht nodig heeft op het gebied van spraak en taal, alsmede op sociaal emotioneel gebied. Er zijn zorgen over haar gedrag en ontwikkeling. Zij heeft driftbuien, doet andere kinderen of dieren pijn, kan niet aangesproken worden op haar gedrag en praat nog weinig. Voor [minderjarige 1] is door de GI in de regio [plaats] veel ingezet om haar ontwikkeling zo goed mogelijk te ondersteunen en haar te bieden wat zij nodig heeft. Zo gaat zij vier dagen per week naar de peuterspeelzaal met een Voor- en Vroegschoolse Educatie-indicatie. Ook heeft de GI recent in samenspraak met [instantie 2] ingezet op een aanmeldingstraject voor speciaal basisonderwijs. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] extra ondersteund wordt en dat deze begeleiding gecontinueerd wordt. Een verhuizing van [minderjarige 1] zal op dit moment dan ook een te grote impact op haar leven hebben. De moeder heeft bovendien niet aangetoond dat [minderjarige 1] deze voor haar zo belangrijke ondersteuning in [woonplaats moeder] ook kan krijgen.
Verder is niet gebleken dat de moeder de gevolgen van de verhuizing voor de tot voor kort bestaande co-ouderschapregeling en de frequentie van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] op enige wijze heeft doordacht of heeft besproken met de vader.
Daar komt bij dat er geen dan wel onvoldoende zicht is op de thuissituatie van de moeder in [woonplaats moeder] , terwijl er in het raadsrapport van 9 januari 2024 naar voren is gekomen dat er zorgen zijn over de opvoedvaardigheden en -strategieën van beide ouders. De vader verblijft met [minderjarige 1] in een ouder-kind voorziening bij [instantie 3] , waar hij intensieve ondersteuning en begeleiding krijgt en dus veel zicht is op de vader en de ontwikkelingen van [minderjarige 1] .
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is om met de moeder naar [woonplaats moeder] te verhuizen. Dat [minderjarige 1] in [plaats] niet met haar halfzussen zal opgroeien als de moeder niet terugverhuist, weegt niet op tegen het belang van [minderjarige 1] om zo goed mogelijk te worden ondersteund in haar ontwikkeling. Dit is bovendien een gevolg dat de moeder zelf heeft bewerkstelligd door te verhuizen zonder dat zij hier toestemming voor had.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
5 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 7 februari 2025;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.P. de Beij en A.M. van Riemsdijk en is op 2 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.