Personen- en familierecht

Geen belang bij schorsingsverzoek. Niet-ontvankelijk. Tussenbeschikking raadsonderzoek. Vaststelling…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 2 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 oktober 2025
Datum publicatie
2 oktober 2025
Zaaknummer
200.356.312_01 en 200.356.312_02
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. V.C Serrarens, mr. A.A. Broekman-de Feijter
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2718
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geen belang bij schorsingsverzoek. Niet-ontvankelijk. Tussenbeschikking raadsonderzoek. Vaststelling voorlopige zorgregeling met dwangsom.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 2 oktober 2025

Zaaknummers: 200.356.312/01 en 200.356.312/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/428420 / FA RK 24-5165

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. V.C. Serrarens,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter.

Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),

geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 juni 2025, heeft de moeder verzocht haar in het hoger beroep ontvankelijk te verklaren en voormelde beschikking te vernietigen, voor wat betreft de daarbij vastgestelde (opbouwende) zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de raad een onderzoek zal uitvoeren en de zaak tot het advies gereed is aan te houden voor het bepalen van een definitieve zorgregeling van maximaal één doordeweekse dag per week van 9.00 uur tot 17.00 uur en een weekend per veertien dagen van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur, dan wel een zorgregeling vast te stellen die het hof juist acht (zaaknummer 200.356.312/01).

2.1.1.

Bij genoemd beroepschrift met producties, heeft de moeder tevens, bij wege van incident (zaaknummer 200.356.312/02), verzocht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking met onmiddellijke ingang op te heffen en te bepalen dat de voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] zal zijn:

  • primair: één keer per week één dag (op donderdag of zondag) van 9.00 tot 17.00 uur onder begeleiding van [instantie 1] of een vergelijkbare instantie en als dat niet kan voor het contactmoment een drugstest af te nemen;

  • subsidiair: op donderdag 9.00 uur tot 17.00 uur en op zondag van 9.00 uur tot 17.00 uur, met minimaal één dag begeleiding van [instantie 1] of een vergelijkbare instantie en met voorafgaand een drugstest als er geen begeleiding is;

  • dan wel een zorgregeling vast te stellen die het hof juist acht totdat het hof de zaak inhoudelijk heeft behandeld en hierop heeft beslist,

voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.2.

Bij verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 24 juli 2025, heeft de vader in de hoofdzaak (zaaknummer 200.356.312/01) verzocht:

  • de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;

  • de moeder te veroordelen om de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling na te komen op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat de zorgregeling niet wordt nagekomen, met een maximum van € 10.000,-.

2.2.1.

Bij genoemd verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties, heeft de vader in het incident (zaaknummer 200.356.312/02) verzocht:

  • de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek om de uitvoerbaar-verklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen, althans dat verzoek van de moeder af te wijzen;

  • een dwangsom aan de moeder op te leggen van € 250,- per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 10.000,-, indien zij geen uitvoering geeft aan de vastgestelde opbouwende zorgregeling.

2.3.

Er is geen verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingekomen.

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verweer gevoerd tegen de door de vader in incidenteel hoger beroep verzochte dwangsom.

2.4.

De mondelinge behandeling van de hoofdzaak en het incident heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • de moeder, bijgestaan door mr. Serrarens;

  • de vader, bijgestaan door mr. Broekman-de Feijter;

  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met productie 4 ingediend door de advocaat van de moeder op 25 juli 2025.

2.6.

Verder heeft de advocaat van de moeder op 31 juli 2025 nog een V6-formulier ingediend. Dit betreft bijlage 1 bij het beroepschrift, zijnde een eigen relaas van de moeder (met 8 producties). Zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling laat het hof dit eigen relaas van de moeder met bijbehorende producties buiten beschouwing, gelet op de twee-conclusieregel en de omstandigheid dat het aan de advocaat van de moeder is om schriftelijk de stellingen van de moeder in deze procedure naar voren te brengen. Alleen de daarbij overgelegde producties 3 en 4 zijn separaat toegelicht en worden door het hof aan het procesdossier toegevoegd.

2.7.

Na de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de moeder op 4 september 2025 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 december 2024 bij het hof ingediend.

Het hof heeft de advocaat van de vader in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

De advocaat van de vader heeft op 5 september 2025 per e-mail het hof bericht dat er geen bezwaar bestaat om genoemd proces-verbaal aan het procesdossier in hoger beroep toe te voegen. Genoemd proces-verbaal maakt thans deel uit van het procesdossier in hoger beroep.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren.

De vader heeft [minderjarige] erkend.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij vonnis in kort geding van 19 november 2024 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat tussen de vader en [minderjarige] een voorlopige zorgregeling zal gelden op grond waarvan [minderjarige] wekelijks op zondag en op donderdag van 8.45 uur tot 12.30 uur bij de vader zal verblijven.

De procedure in eerste aanleg

3.3.

De vader heeft in de bodemprocedure in eerste aanleg, voor zover van belang, bij wege van zelfstandig verzoek, verzocht om een zorgregeling vast te stellen op grond waarvan [minderjarige] iedere week vanaf woensdagmiddag 17.30 uur tot donderdagavond 18.30 uur en om de week vanaf vrijdagmiddag 17.30 uur tot maandagochtend 8.30 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen bij hem verblijft.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, de voorlopige zorgregeling zoals bepaald bij het vonnis in kort geding van 19 november 2024 gewijzigd en de volgende (opbouwende) en definitieve zorgregeling vastgesteld:

  • per 1 mei 2025: [minderjarige] en de vader hebben recht op contact op donderdagen van 8.45 uur tot 12.30 uur en op zondagen van 8.45 uur tot 17.00 uur;

  • per 1 juni 2025: [minderjarige] en de vader hebben recht op contact op donderdagen van 8.45 uur tot 17.00 uur en op zondagen van 8.45 uur tot 17.00 uur;

  • per 1 augustus 2025: [minderjarige] en de vader hebben recht op contact vanaf woensdag 17.30 uur tot donderdag 18.30 uur en op zondagen van 8.45 uur tot 17.00 uur;

  • per 1 oktober 2025: [minderjarige] en de vader hebben iedere week recht op contact vanaf woensdag 17.30 uur tot donderdag 18.30 uur en om de week van vrijdag 17:30 uur tot maandag 8.30 uur en de helft van de vakanties en feestdagen.

De procedure in hoger beroep

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing van de rechtbank niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De vader kan zich wel verenigen met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, maar heeft in incidenteel hoger beroep verzocht om aan de nakoming van die regeling een dwangsom te verbinden.

Ten aanzien van het schorsingsverzoek (zaaknummer 200.356.312/02):

3.6.

Omdat het hof in deze beschikking tevens uitspraak doet in de hoofdzaak, waarbij tevens een voorlopige zorgregeling zal worden bepaald, heeft de moeder geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling door het hof van haar verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking. Dit brengt met zich dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het schorsingsverzoek.

In de hoofdzaak (zaaknummer 200.356.312/01):

In het principaal en incidenteel appel:

De standpunten

3.7.

De moeder voert – samengevat – het volgende aan.

De moeder kan zich er niet mee verenigen dat de rechtbank een definitieve zorgregeling zonder evaluatiemomenten heeft vastgesteld, waarbij tevens het contact tussen de vader en [minderjarige] snel wordt uitgebreid. De rechtbank heeft bij haar beslissing de problemen van de vader onderschat en is voorbijgegaan aan de zorgen van de moeder. Dat de rechtbank ervan uitgaat dat de basale veiligheid bij de vader voldoende is wordt nergens door gesteund. De veiligheid van [minderjarige] kan wanneer zij voor langere tijd bij de vader verblijft niet worden gegarandeerd. De vader is door [instantie 2] gediagnosticeerd met borderline en narcismedynamiek. De problematiek van de vader uit zich in schulden, stress, relatiedynamieken, verslavingen (softdrugs en seksueel), gebrek aan empathie/berouw en emotieregulatie. De vader heeft de daarvoor door [instantie 2] geadviseerde behandeling bij [instantie 3] niet gevolgd. De moeder is tijdens de relatie van partijen psychisch en emotioneel mishandeld door de vader; niet valt uit te sluiten dat hij dit ook met [minderjarige] gaat doen. De moeder betwist verder dat de vader niet langer aan softdrugs verslaafd is en nog slechts ‘recreatief’ gebruikt. De vader ruikt tijdens de overdrachten regelmatig naar wiet. Ook heeft de vader burn-out klachten. Daarbij komt dat de raad in zijn advies tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank niet heeft aangegeven dat [minderjarige] al bij de vader dient te overnachten. De raad vond juist dat aan de moeder de gelegenheid moest worden geboden om de borstvoeding en het samen slapen rustig af te bouwen. De moeder wil met die afbouw in februari 2026 beginnen. Door de huidige beslissing van de rechtbank moest dit al voor 1 augustus 2025 zijn afgebouwd. Dit is veel te snel voor de moeder en [minderjarige] . Bovendien is de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling per 1 juni 2025 van twee hele dagen per week al te veel voor [minderjarige] . [minderjarige] komt moe terug van de contactmomenten. Verder valt het niet mee om al om 8.45 uur klaar te zijn voor de overdracht; 9.00 uur zou een beter tijdstip zijn. Ook de eindtijd van 18.30 uur is te laat. Daarnaast is de moeder bang dat de vader [minderjarige] tijdens de overnachtingen op één kamer met [zoon] (de zoon van zijn nieuwe partner) laat slapen. [zoon] volgt therapie vanwege problemen op school en het slaan en bijten van kinderen. Inmiddels is de hond van de vader overleden. De vader heeft echter aangekondigd een pup aan te gaan schaffen waardoor het probleem niet verdwenen is. Tot slot zijn de zorgen van de moeder over de vader tijdens de Schip-therapie bij [instantie 1] juist toegenomen in plaats van afgenomen. De moeder heeft daarom de fysieke contacten tussen de vader en [minderjarige] met ingang van 5 juli 2025 stopgezet. Op dit moment is er twee keer per week gedurende een half uur contact tussen de vader en [minderjarige] via videobellen. De moeder wenst dat de raad een gedegen onderzoek doet naar welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is. Tot die tijd dient voorlopig het contact bij de vader thuis begeleid plaats te vinden om de veiligheid van [minderjarige] in kaart te brengen. Dit zou in ieder geval op de donderdagen kunnen. Daarnaast dient op de zondagen voor het contact een urinecontrole plaats te vinden.

Het opleggen van de door de vader verzochte dwangsom is niet in het belang van [minderjarige] . De moeder leeft op bijstandsniveau. Een dwangsom raakt ook [minderjarige] . Bovendien kan de dwangsom – wanneer zij niet betaalt – tot gijzeling van de moeder leiden. De moeder heeft – desgevraagd door het hof – verklaard, dat wanneer het hof een onbegeleide zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vaststelt, zij niet weet of zij die regeling gaat nakomen.

3.8.

De vader voert – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft terecht en op de juiste gronden een opbouwende zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld. Sinds de bestreden beschikking is het voor de vader mogelijk om zijn band met [minderjarige] verder op te bouwen. De zorgen van de moeder over de uitbreiding van de zorgregeling zijn gebaseerd op onwaarheden of hoeven geen aanleiding te zijn om de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] te wijzigen. De bezwaren van de moeder tegen het aanvangstijdstip en het eindtijdstip van de contactmomenten zijn niet onderbouwd. Ook heeft de moeder een ander beeld bij de positie van [instantie 1] . [instantie 1] heeft geen regierol bij de uitvoering van de opbouwende zorgregeling, maar is betrokken om aan de onderlinge communicatie tussen partijen te werken. De gesprekken bij [instantie 1] zijn inmiddels vanwege deze procedure gepauzeerd. De vader is tijdens de gesprekken bij [instantie 1] geëmotioneerd geraakt; hij is niet boos geworden.

[instantie 2] heeft de vader gediagnosticeerd met borderline en narcismedynamiek. De vader is na de diagnose van [instantie 2] met zijn huisarts in gesprek gegaan. De huisarts onderschrijft deze persoonlijkheidskenmerken niet direct, maar denkt dat er een ‘karikatuur’ is ontstaan door de testen van [instantie 2] . De vader benadrukt dat hij geen drugs gebruikt rondom de contact-momenten met [minderjarige] . Hij heeft een stabiele relatie met zijn partner en de vader ervaart geen problemen met het reguleren van zijn emoties. Het feit dat zijn partner een zoon met autisme heeft en de wens van de vader om een puppy aan te schaffen, vormen geen gegronde redenen om een beperktere zorgregeling vast te stellen. Met ingang van 1 juni 2025 was de zorgregeling uitgebreid en verbleef [minderjarige] op zowel de donderdagen als op de zondagen van 8.45 uur tot 17.00 uur bij de vader. Deze contactmomenten verliepen goed. Sinds 5 juli 2025 komt de moeder de bestreden beschikking niet langer na. De reden hiervoor is dat de vader weigert om de contactmomenten begeleid te laten plaatsvinden. Op dit moment is er alleen contact tussen de vader en [minderjarige] middels videobellen. Het is echter niet aan de moeder om eenzijdig de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] te beperken.

Er bestaat geen aanleiding om een onderzoek door de raad te gelasten. Indien het hof toch van oordeel is dat een raadsonderzoek noodzakelijk is, dan zal de vader hieraan zijn medewerking verlenen. De vader heeft bij [instantie 1] ook zijn zorgen geuit omtrent de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder isoleert [minderjarige] . Zij grijpt elke aanleiding aan of zoekt actief naar een aanleiding om te voorkomen dat de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] verder wordt uitgebreid. Ook heeft de moeder in de afgelopen jaren sterk wisselende levensbeschouwelijke of ideologische overtuiging aangenomen en wil zij telkens verhuizen.

De vader verzoekt op grond van artikel 611a lid 2 Rv een dwangsom op te leggen aan de moeder van € 250,- per dag met een maximum van € 10.000,- indien zij geen uitvoering geeft aan de vastgestelde zorgregeling.

3.9.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om een raadsonderzoek te gelasten. Er is sprake van een bepaalde dynamiek tussen de ouders. Beide ouders hebben persoonskenmerken die het moeilijk maken om het ouderschap over [minderjarige] na de echtscheiding vorm te geven en vertrouwen in elkaar als ouder te krijgen. Gedurende het raadsonderzoek dient er een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] te worden vastgesteld. Het is zorgelijk dat het contact tussen de vader en [minderjarige] op dit moment alleen via videobellen plaatsvindt terwijl de argumenten van de moeder hiervoor minimaal zijn. Er moet – vanwege de leeftijd van [minderjarige] – ook gekeken worden naar een vorm van fysiek contact tussen de vader en [minderjarige] . Er is bij de moeder meer sprake van een beschermende houding tegenover [minderjarige] , dan dat er daadwerkelijk zorgen zijn. De raad acht het in het belang van [minderjarige] dat zij gedurende twee hele dagen per week contact heeft met de vader. Dit is van belang voor de ontwikkeling van vaste rituelen en voor de hechting tussen [minderjarige] en de vader. [minderjarige] kan twee hele dagen contact met de vader ook aan. Een contactmoment met overnachting is op dit moment nog een stap te ver omdat het contact tussen de vader en [minderjarige] opnieuw moet worden opgebouwd.

De motivering van de beslissing

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

Raadsonderzoek

3.10.1.

Het hof acht zich op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen over welke definitieve zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. Vast staat dat de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgelegde opbouwende zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] sinds 5 juli 2025 niet langer door de moeder wordt nagekomen. De moeder heeft de fysieke zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] eenzijdig stopgezet. Op dit moment is er twee keer per week gedurende een half uur contact tussen de vader en [minderjarige] via videobellen. De standpunten van partijen over welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is staan lijnrecht tegenover elkaar. Ook uiten partijen over en weer zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder. Partijen zijn niet in staat om die zorgen op een constructieve wijze met elkaar te bespreken. Verder is er sprake van een bepaalde dynamiek tussen partijen. Partijen hebben allebei persoonskenmerken die het moeilijk maken om het ouderschap over [minderjarige] na de echtscheiding vorm te geven en vertrouwen in elkaar als ouder te krijgen. Gelet hierop zal het hof – conform het advies van de raad tijdens de mondelinge behandeling – een raadsonderzoek gelasten waarbij met name dient te worden onderzocht:

  • welke (definitieve) zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is?;

  • hoe de door het hof hierna bepaalde voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] is verlopen?

  • of hulpverlening, en zo ja, welke vorm van hulpverlening, voor partijen noodzakelijk is om het contact tussen de vader en [minderjarige] zo onbelast mogelijk te laten verlopen?

Indien uit het onderzoek bevindingen naar voren komen die niet in het antwoord op de voornoemde onderzoeksvragen zijn genoemd, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de zorgregeling, verzoekt het hof de raad die bevindingen in het raadsrapport nader te omschrijven. Het hof merkt tot slot op dat de raad de vrijheid heeft om het onderzoek – wanneer de raad dit noodzakelijk acht – verder uit te breiden naar een beschermings-onderzoek. In dat kader dient dan de vraag te worden beantwoord of [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, waaruit die ontwikkelingsbedreiging bestaat en hoe die ontwikkelingsbedreiging kan worden weggenomen.

3.10.2.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak voor de duur van zes maanden aanhouden, derhalve tot 2 april 2026 pro forma, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Indien het raadsonderzoek (ruim) voor die datum is afgerond, dient de raad dit rapport ook eerder aan het hof te verstrekken.

Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.

Zo nodig zal het hof een tweede mondelinge behandeling bepalen.

Voorlopige zorgregeling

3.10.3.

Het hof is, conform het advies van de raad, van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat er voor de duur van het raadsonderzoek een voorlopige fysieke zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] wordt vastgesteld. Vast staat dat de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde opbouwende zorgregeling tot 5 juli 2025 tussen partijen is uitgevoerd; laatstelijk op de donderdagen en de zondagen van 8.45 uur tot 17.00 uur. De door de moeder in hoger beroep aangevoerde redenen vormen geen rechtvaardiging om ieder fysiek contact tussen de vader en [minderjarige] stop te zetten, de duur van de contactmomenten te beperken of het contact voortaan onder begeleiding te laten plaatsvinden. Het hof betrekt daarbij dat er geen sprake is geweest van een incident tussen de vader en [minderjarige] . De moeder heeft het fysieke contact stopgezet om redenen die ten tijde van de procedure bij de rechtbank al bekend waren. Het hof doelt daarbij op de bij de vader gestelde diagnoses, het gestelde softdrugsgebruik van de vader, de hond van de vader en de zoon van de partner van de vader. Vooralsnog heeft het hof op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep geen signalen gezien dat de veiligheid van [minderjarige] gedurende de fysieke contactmomenten met de vader in gevaar is. De moeder heeft haar stelling dienaangaande onvoldoende (met stukken) onderbouwd. Gelet op genoemde feiten en omstandigheden en het advies van de raad tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, acht het hof een voorlopige zorgregeling waarbij [minderjarige] en de vader recht hebben op onbegeleid contact met elkaar op donderdag en op zondag van 8.45 uur tot 17.00 uur in het belang van [minderjarige] . Dat [minderjarige] volgens de moeder na een hele dag contact met de vader erg moe is, maakt dat niet anders. Ook heeft de moeder haar bezwaar tegen de aanvangstijd om 8.45 uur op geen enkele wijze onderbouwd, zodat het hof dit bezwaar zal passeren.

Dwangsom

3.10.4.

De vader heeft in incidenteel hoger beroep verzocht om een dwangsom op te leggen aan de moeder van € 250,- per dag, met een maximum van € 10.000,-, indien zij geen uitvoering geeft aan de zorgregeling tussen hem en [minderjarige] . Het hof ziet aanleiding om dit verzoek van de vader gedeeltelijk toe te wijzen, met dien verstande tot een maximum van € 5.000,-. Vast staat dat de moeder sinds 5 juli 2025 de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] niet langer nakomt. Daarbij komt dat de moeder ook tijdens de mondelinge behandeling – desgevraagd door het hof – heeft verklaard dat zij niet weet of zij een door het hof vast te stellen voorlopige onbegeleide zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] gaat nakomen. Het hof acht daarom een dwangsom als prikkel voor de moeder om de hiervoor genoemde voorlopige zorgregeling na te komen noodzakelijk. Gelet op het feit dat de moeder een inkomen heeft op bijstandsniveau, ziet het hof aanleiding om het maximum van de dwangsom te beperken tot € 5.000,-.

De slotsom

3.11.

Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna onder 4 vermeld.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.356.312/02:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 april 2025.

in de zaak met zaaknummer 200.356.312/01:

op het principaal en incidenteel appel:

verzoekt de raad om een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.10.1. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

stelt, voor de duur van het raadsonderzoek, een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen met betrekking tot [minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , vast zoals onder rechtsoverweging 3.10.3. van deze beschikking is weergegeven;

bepaalt dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro) per dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan de onder rechtsoverweging 3.10.3 vastgestelde voorlopige zorgregeling, met een maximum aan een eventueel te verbeuren dwangsom van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro);

verklaart tot zover deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing over de (definitieve) regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot 2 april 2026 PRO FORMA.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.C. van Leeuwen, E.P. de Beij en H.J. Witkamp en is in het openbaar uitgesproken door E.M.C. Dumoulin op 2 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.