Personen- en familierecht

bekrachtiging beslissing rechtbank dat er geen gezamenlijk gezag wordt vastgesteld vanwege de beperkingen…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
9 oktober 2025
Datum publicatie
9 oktober 2025
Zaaknummer
200.351.090_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. S Taskent-Demir, mr. T.T. van Wijchen
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2790
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bekrachtiging beslissing rechtbank dat er geen gezamenlijk gezag wordt vastgesteld vanwege de beperkingen vanuit vader

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 9 oktober 2025

Zaaknummer: 200.351.090/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/383839 / FA RK 22-3021

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S. Taskent-Demir,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. T.T. van Wijchen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestiging],

hierna te noemen: de raad.

In het kort

De vader is het er niet mee eens dat de rechtbank zijn verzoek om met de moeder samen het gezag over de 17-jarige [minderjarige 1] en de 14-jarige [minderjarige 2] uit te oefenen, heeft afgewezen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 februari 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hem samen met de moeder met het ouderlijk gezag over de kinderen te belasten.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 5 mei 2025, heeft de moeder verzocht het beroepschrift van de vader ongegrond te verklaren en de uitspraak van de rechtbank te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, gehoord en is namens de raad mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] gehoord.

2.4.

Het hof heeft de kinderen in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hier allebei gebruik van gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie zijn ingekomen op 23 juli 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brieven zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de rechtbank van 16 januari 2023;

- het V-formulier van de advocaat van de vader met bijlagen van 26 maart 2025;

- het V-formulier van de advocaat van de vader met bijlagen van 15 augustus 2025.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens deze relatie zijn geboren:

  • [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008;

  • [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011.

Nadat de vader bij beschikking van 16 februari 2023 daartoe vervangende toestemming van de rechtbank heeft verkregen, heeft hij de kinderen erkend.

De moeder heeft van rechtswege alleen het gezag.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het ouderlijk gezag over de kinderen te belasten, afgewezen.

3.3.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. In zijn beroepschrift, aangevuld op de mondelinge behandeling, voert hij – samengevat – het volgende aan.

De vader is in staat om met de moeder samen belangrijke beslissingen te nemen over de kinderen. Tijdens hun relatie hebben de ouders samen de kinderen verzorgd en opgevoed. Nergens uit het dossier blijkt dat er toen strijd gaande was over beslissingen die de ouders hebben moeten nemen over de kinderen. De vader is sinds het uiteengaan van partijen gegroeid in het onderhouden van goed contact met de moeder, maar dat wordt helaas niet erkend door de hulpverlenende instanties. De ouders hebben juist nu goed contact, althans ze weten elkaar te vinden als ze hulp nodig hebben, en ze staan klaar voor elkaar. De vader heeft zijn volle medewerking verleend aan de hulpverlening die door [instantie 1] is opgestart. Het is onzorgvuldig van de raad om over hem een standpunt in te nemen op basis van een mededeling van [instantie 2] – namelijk dat hij licht verstandelijk beperkt zou zijn – zonder dat hiervoor een bron aanwezig is. De vader heeft de kinderen recentelijk nog thuis opgehaald en naderhand, rond middernacht, weer thuisgebracht. Dat mocht van de moeder en hoewel hij het moment van thuisbrengen vrij laat vond, is hij hierover niet met de moeder in discussie gegaan. Als de moeder zegt dat hij de kinderen niet heeft opgehaald en thuisgebracht, liegt ze. De moeder zoekt alleen maar contact met hem als ze hem nodig heeft. Het is niet waar wat de kinderen aan het hof hebben geschreven. De kinderen mogen bij de vader komen wanneer ze willen. De vader schrikt niet van wat de kinderen hebben opgeschreven, want het klopt niet. De kinderen komen gemiddeld iedere drie weken een keer langs bij de vader thuis, maar ze overnachten niet bij hem. Dit komt omdat zijn woning daar niet voor geschikt is. Waarschijnlijk krijgt de vader in oktober 2025 een zelfstandige woning. Hij hoopt dat de kinderen dan wel bij hem willen overnachten.

3.4.

De moeder neemt in haar verweerschrift, aangevuld op de mondelinge behandeling, het volgende standpunt in.

Het contact tussen de kinderen en de vader verloopt moeizaam; het fysieke contact is incidenteel en het belcontact vindt alleen plaats als het de vader uitkomt en dat is één à twee keer per maand. De vader appt af en toe met de kinderen om te vragen hoe het gaat. De kinderen zoeken vaker zelf contact met de vader en soms krijgen ze geen antwoord van hem. De kinderen vertelden aan de moeder dat de vader hen zou ophalen van de kermis, maar dat hij niet kwam opdagen. Uit de eindevaluatie van het UHA-traject blijkt dat er veel gesprekken zijn gevoerd met de vader over zijn ouderrol en zijn invloed op de kinderen en dat het voor hem moeilijk is om inzicht te krijgen in zijn eigen gedrag en om dit gedrag daadwerkelijk te veranderen. Uit de evaluatie blijkt verder dat de vader moeite heeft met het ontvangen en toepassen van feedback, dat hij zijn impulsen volgt en dat het voor hem lastig is te beoordelen of zijn keuzes daadwerkelijk in het belang van de kinderen zijn. Zijn omgangsmomenten met de kinderen zijn regelmatig niet doorgegaan; de vader meldde zich soms af, maar bleef ook geregeld zonder bericht afwezig. De communicatie tussen partijen is na de beschikking van de rechtbank verder verslechterd en is op dit moment nagenoeg afwezig. De afgelopen tijd heeft de vader twee keer contact gezocht met de moeder: de eerste keer appte hij dat hij met haar wilde praten over het gewicht van de jongste dochter en de tweede keer stuurde hij haar een Tiktok-filmpje door over suiker. De raad heeft zijn conclusie mede gebaseerd op de verklaringen van de kinderen zelf, die aangeven dat het contact met hun vader als wisselend en soms onaangenaam wordt ervaren. De bevindingen van de raad zijn mede gebaseerd op het traject dat is doorlopen bij [instantie 1] in het kader van het UHA-onderzoek. Daarnaast is in het onderzoek van de raad ook gebruik gemaakt van de expertise van de professionele hulpverleners-organisatie [instantie 2]. Van een subjectief of eenzijdig rapport is dan ook geen sprake. Als er gezamenlijk gezag zou komen, vervallen partijen in oude patronen en zouden de kinderen vaak teleurgesteld worden. Gezamenlijk gezag is in de huidige omstandigheden niet in het belang van de kinderen.

3.5.

De raad heeft op de mondelinge behandeling het hof geadviseerd om het hoger beroep van de vader af te wijzen, omdat er teveel kwetsbaarheden vanuit de vader zijn om het gezag te kunnen dragen. Uit het traject bij [instantie 1] en uit het raadsonderzoek is gebleken dat het voor de vader heel moeilijk is om te reflecteren op zijn eigen gedrag. Hij reageert vanuit zijn eigen behoefte en de kinderen merken steeds meer dat dit lastig is. Als de vader met de moeder het gezag zou krijgen ziet de raad het risico dat de kinderen zich emotioneel onveilig zullen gaan voelen. De vader is namelijk niet altijd bij machte om de juiste keuzes te maken waarbij het belang van de kinderen voorop staat. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn geen kleine kinderen meer en zij krijgen kwesties rondom oorzaak en gevolg bewust mee. De focus zou moeten liggen op de omgangsregeling. Het contact tussen de vader en de kinderen moet blijven bestaan en daar dient meer waarde aan te worden gehecht dan aan het gezag. Partijen dienen allebei te investeren in het goed houden van het contact met elkaar; het gezamenlijk gezag zou daar niet aan bijdragen.

Het hof overweegt als volgt.

3.6.1.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.6.2.

In een situatie waarin er sprake is van gezamenlijk ouderlijk gezag, vereist het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zonder onnodige vertraging gezagsbeslissingen kunnen worden genomen en dat de ouders in staat zijn om met elkaar te communiceren zonder dat de kinderen hier last van hebben. Daarvoor zijn teveel belemmeringen aanwezig, met name in de persoon van de vader. Het hof legt nu uit waarom.

3.6.3.

De raad heeft ten behoeve van het opstellen van de rapport van 29 mei 2024 (onder meer) contact gezocht met de [instantie 1] en [instantie 2] om informatie over de vader te krijgen ten behoeve van het onderzoek. In het raadsrapport dat daaruit is voortgekomen wordt de beperkte leerbaarheid van de vader uiteengezet en zijn gebrek aan inlevend vermogen. Vanuit deze beperking acht de raad hem onvoldoende in staat om te denken en te handelen vanuit de belangen en de behoeftes van de kinderen (hij stelt zijn eigen behoeftes centraal) en om aan te sluiten bij hun ontwikkelingsniveau. Uit de eindevaluatie van [instantie 1] van 29 februari 2024 blijkt dat met de vader meerdere keren stil is gestaan bij zijn keuzes en de invloed hiervan op de kinderen, bijvoorbeeld omdat de omgang diverse keren vanuit zijn kant niet door is gegaan: soms met, soms zonder afmelding. Hoewel de moeder tijdens het UHA-traject een positieve groei heeft laten zien, beklijfde de informatie bij de vader moeilijk waardoor het hem niet goed lukte om stappen te zetten. Op basis van de stukken blijkt de vader voornamelijk te handelen vanuit zijn eigen persoonlijke situatie en lijkt hij niet in staat te zijn om zich te verplaatsen in de behoeften van de kinderen. Wat er wordt verwacht vanuit de rol van een vader, soms zijn eigen behoeftes opzij schuiven om de behoeftes van de kinderen voorop te zetten, kan hij niet waarmaken. Ook op de mondelinge behandeling bij het hof werd dit zichtbaar: de vader neemt de geschreven woorden van de kinderen niet ter harte en ontkent zelfs volledig wat de kinderen vanuit hun eigen ervaringen met de vader op papier hebben gezet.

3.6.4.

Het hof betrekt ook bij de beoordeling dat uit het raadsrapport blijkt dat de draagkracht van de moeder een zorg is. De moeder heeft nog last van hetgeen zij tijdens de relatie met de vader heeft meegemaakt, met name vanwege zijn agressieve gedrag waarbij hij schreeuwde en zich dreigend gedroeg. Ze heeft verschillende keren geprobeerd om de vader het huis uit te krijgen, maar hij kwam telkens terug. Uit het raadsrapport blijkt dat dat de moeder baat zou hebben bij traumabehandeling ter verwerking van wat ze heeft meegemaakt en dat ze de vader als een bron van onrust en stress ervaart. De raad constateert dat dit ook een beperking vormt in het contact tussen de ouders en de onderlinge samenwerking tussen de ouders.

3.6.5.

Op grond van het vorenstaande ziet het hof tussen deze ouders onderling geen basis aanwezig om momenteel enige vorm van respectvolle, althans tenminste werkbare ouderlijke communicatie op te starten. Het hof deelt de visie van de raad dat het nu met name belangrijk is dat de moeder ruimte en rust krijgt om de dingen die zij in het verleden heeft meegemaakt verder te verwerken. Als er op dit moment gezamenlijk gezag zou worden vastgesteld, zou de rust en stabiliteit die de moeder voor de kinderen heeft gecreëerd teveel onder druk komen te staan. Afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag is daarom anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen.

Al het overige dat door de vader is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.6.6.

Gezien de familierechtelijke aard van de zaak, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, A.J.F. Manders en K.A. Boshouwers en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, de griffier.