Personen- en familierecht

Bekrachtiging beslissing rechtbank omtrent verhoging kinderalimentatie. Bij de rechtbank voerde de man geen…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
9 oktober 2025
Datum publicatie
9 oktober 2025
Zaaknummer
200.352.268_01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2791
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bekrachtiging beslissing rechtbank omtrent verhoging kinderalimentatie. Bij de rechtbank voerde de man geen verweer (verzoek toegewezen) en in hoger beroep onderbouwt hij onvoldoende dat hij de verhoogde kinderalimentatie niet kan betalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.352.268/01

zaaknummer rechtbank : C/03/334817 FA RK 24-2848

beschikking van de meervoudige kamer van 9 oktober 2025

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N. Soro te Heerlen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. I. Wudka te Maastricht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 16 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 14 maart 2025 in hoger beroep gekomen van de hiervoor genoemde beschikking van de rechtbank.

2.2.

De vrouw heeft op 12 juni 2025 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 2 september 2025 plaatsgevonden in het bijzijn van de advocaten van partijen. Partijen zelf zijn niet verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

  • het procesdossier eerste aanleg, overgelegd door de advocaat van de man op 23 april 2025;

  • het V-formulier van 22 augustus 2025 met bijlagen van de advocaat van de man.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn op 11 oktober 2013 met elkaar getrouwd. Zij zijn de ouders van:

  • [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2014;

  • [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016.

Partijen hebben samen het gezag over de kinderen.

3.2.

Bij beschikking van 15 juni 2018 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken die op 4 juli 2018 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

3.3.

Partijen zijn in een ouderschapsplan van 10 april 2018 een kinderalimentatie overeengekomen van € 25,- per kind per maand.

3.4.

Bij beschikking van 9 februari 2021 heeft de rechtbank de kinderbijdrage op nihil gesteld met ingang van de maand waarop de man aantoonbaar aflost op de vordering van de Belastingdienst (betreft: aanslag kinderopvangtoeslag uit 2017). Op de mondelinge behandeling hebben de advocaten bevestigd dat de man niet hierop heeft afgelost zodat de kinderalimentatie tot de bestreden beschikking € 25,- per kind per maand bedroeg. De man heeft dit bedrag ook steeds betaald.

Bij de rechtbank

3.5.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het ouderschapsplan van partijen dat is opgenomen in en gehecht aan de beschikking van 15 juni 2018 gewijzigd voor zover het de kinderalimentatie betreft en de beschikking van 9 februari 2021 gewijzigd voor zover het de kinderalimentatie betreft, in die zin dat de man met ingang van de dag van de bestreden beschikking aan de vrouw aan kinderalimentatie dient te betalen een bedrag van € 280,- per kind per maand. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw in eerste aanleg volledig toegewezen omdat de man zich niet had verweerd en het verzoek op de wet gebaseerd was en niet weersproken.

4 De omvang van het geschil

4.1.

De grieven van de man zien op zijn draagkracht. De man verzoekt de bestreden beschikking ten aanzien van de toewijzing van het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderalimentatie af te wijzen zodat – zoals door zijn advocaat op de mondelinge behandeling aangevuld – de nihilstelling van de kinderalimentatie uit de beschikking van 9 februari 2021 weer herleeft, mits de man afbetaalt op de schuld aan de Belastingdienst. Zo niet, heeft een kinderalimentatie te gelden van € 25,- per kind per maand.

4.2.

De vrouw heeft het hof verzocht het hoger beroep af te wijzen, danwel in hoger beroep, opnieuw rechtdoende, een alimentatieverplichting vast te stellen die het hof juist acht.

Standpunten van partijen

4.3.

De man voert aan dat hij sinds de ingangsdatum van de alimentatieverplichting arbeidsongeschikt is en dat hij de verhoogde bijdrage niet kan betalen. Hoewel het correct is dat de man een schoonmaakbedrijf heeft, is er geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden op basis waarvan de kinderalimentatie diende te worden herzien. Voorafgaand aan het exploiteren van de eenmanszaak was de man wegens ziekte c.q. schouderklachten uitgevallen en hij heeft enige tijd een ziektewetuitkering gehad. De man is in 2023 gestart met de exploitatie van zijn schoonmaakbedrijf. In 2023 bedroeg de winst uit onderneming € 5.025,-. Het verzamelinkomen van de man was € 14.674,-. In 2024 had de man ZZP’ers in dienst; daarom staat er op de jaarrekening een kostenpost van € 61.459,25 aan uitbesteed werk. Daarna heeft de man de ZZP’ers niet meer in dienst gehad, vanwege de uitspraak van de Hoge Raad hierover. De man heeft daarna nog wel werk uitbesteed, maar de advocaat van de man weet niet wanneer dat is gestopt. De boekhouder van de man zal weten waarom in de prognose van 2025 nog een post is opgenomen voor uitbesteed werk ad € 18.000,-. De man heeft zijn werkzaamheden in de eenmanszaak inmiddels nagenoeg geheel gestaakt, omdat het werk fysiek te belastend was. In 2025 heeft hij nauwelijks inkomen gehad, omdat hij ziek was. De man heeft zijn bedrijf nog wel. De man ontvangt sinds juli 2025, of mogelijk al sinds 19 mei 2025, een Ziektewetuitkering van het UWV. De man is ook werkzaam geweest via een uitzendbureau als bezorger voor [supermarkt]. Hiermee verdiende hij een netto besteedbaar inkomen van € 1.214,- per maand. Daarmee correspondeert een draagkracht van € 25,- per maand per kind.

Voorts dient niet uit het oog te worden verloren dat de man gehouden is tot (terug)betaling van de vordering van de Belastingdienst. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de draagkracht rekening te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden waarop niet wordt afgelost. De cijfers in de door de advocaat van de man overgelegde alimentatieberekening zijn inderdaad wat hypothetisch, maar zijn ziekte is dat niet.

4.4.

De vrouw verweert zich als volgt.

Er is sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, omdat de inkomenssituatie van de man is veranderd. De man voert weliswaar aan dat al zijn activiteiten op het gebied van genereren van inkomsten niet veel opbrengen, maar de vrouw betwijfelt dat. De man maakt gebruik van auto’s die op geen enkele wijze passen bij de door hem geschetste inkomenspositie. In 2024 heeft de man meer dan een ton omzet gedraaid en een aanzienlijke winst gehad. Voorts blijft het opmerkelijk dat de man in al die jaren niets heeft afgelost op de belastingschuld, maar deze wel steeds opvoert ter beperking van zijn draagkracht. De vrouw heeft grote vraagtekens bij de door de man overgelegde draagkrachtberekening, omdat er wordt uitgegaan van hypotheses. Het is lastig rekenen op basis van de informatie die er nu ligt. Voor de berekening van zijn draagkracht dient daarom te worden uitgegaan van zijn inkomen uit 2024.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Anders dan de man meent is het hof van oordeel dat er wel sprake van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man rechtvaardigt. Na een lange periode van werkeloosheid – en een daarmee corresponderende nihilstelling van de kinderalimentatie – is de man in 2023 gestart met zijn eenmanszaak [eenmanszaak]. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij in 2024 een winst uit onderneming heeft gehad van € 40.422,- en een fiscale winst van € 29.710,-. Dit heeft tot een aanzienlijke verbetering van zijn financiële situatie geleid waarmee de relevante wijziging van omstandigheden een feit is.

5.2.

De vrouw heeft haar stelling voldoende onderbouwd dat de man nu wel de draagkracht heeft om de door haar verzochte – en door de rechtbank toegewezen – hogere kinderbijdrage te voldoen. Het is dan aan de man om dit gemotiveerd te betwisten. Het hof is van oordeel dat de man daar niet in is geslaagd en overweegt daartoe het volgende.

5.3.

Uit de door de man overgelegde stukken blijkt niet dat hij sinds de ingangsdatum van de in de bestreden beschikking te betalen kinderalimentatie (16 december 2024) arbeids-ongeschikt is en vanwege medische beperkingen niet kan werken. Uit de brief van het UWV van 15 augustus 2025 blijkt weliswaar dat de man of zijn (ex-)werkgever heeft doorgegeven dat de man ziek is sinds 19 mei 2025, maar dat is in de gegeven omstandigheden onvoldoende om de stellingen van de vrouw te ontkrachten. Daarvoor moet de man meer duidelijkheid geven over zijn feitelijke inkomenssituatie vanaf 16 december 2024 en dient hij aan te tonen met (medische) bewijsstukken waarom hij niet kan werken. Dat heeft hij niet gedaan. De vier overgelegde betaalspecificaties van zijn Ziektewetuitkering in de periode juli 2025 en augustus 2025 zijn onvoldoende om een langdurige arbeidsongeschiktheid aan te nemen en geven bovendien geen informatie over de periode daarvoor (16 december 2024 tot 21 juli 2025) en daarna (vanaf 17 augustus 2025). Verder is het onduidelijk wanneer en met welke frequentie de man ZZP’ers in dienst heeft (gehad) of heeft ingehuurd en wat het effect hiervan is (geweest) op zijn financiële situatie. Ook kan het hof de gestelde arbeids-ongeschiktheid van de man – hij stelt dit te zijn vanaf 16 december 2024 – niet rijmen met de werkzaamheden die de man in het jaar 2025 voor de [supermarkt] heeft verricht, omdat uit de stukken van [uitzendbureau] blijkt dat de man hiermee in 2025 totaal € 12.299,- (inclusief vakantiegeld) heeft verdiend. Tot slot merkt het hof nog op dat het jammer is dat de man niet op de mondelinge behandeling is verschenen zodat hij de bij het hof levende vragen over zijn draagkracht wellicht had kunnen beantwoorden.

Gelet op al het voorgaande, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting heeft de man, hoewel op hem daartoe de wettelijke verplichting rustte, het hof onvoldoende informatie verstrekt om het hof in staat te stellen de draagkracht van de man te kunnen berekenen.

5.4.

Op grond van het vorenstaande wijst het hof het hoger beroep af met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor zover ter beoordeling van het hof voorgelegd.

6 De slotsom

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het de kinderalimentatie betreft;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.M.J. Peters en F. Dunki Jacobs en is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.