Personen- en familierecht

1:253n, klem en verloren en anderszins noodzakelijk

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
9 oktober 2025
Datum publicatie
9 oktober 2025
Zaaknummer
200.352.784_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. E.P.M.J Prop, mr. N.P.C.C. Langenberg
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2792
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

1:253n, klem en verloren en anderszins noodzakelijk

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 9 oktober 2025

Zaaknummer : 200.352.784/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/427132 / FA RK 24-4530

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.P.M.J. Prop,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg.

Deze zaak gaat over:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

Het hof merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de moeder alleen toekomt en de kosten van het geding gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.2.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 maart 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

  • het gezag over [minderjarige] weer aan de moeder en de vader gezamenlijk toekomt;

  • de moeder wordt veroordeeld in de door de vader in dezen noodzakelijk te maken proceskosten.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 mei 2025, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Prop;

- de moeder, bijgestaan door mr. Langenberg;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.

Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en hij heeft op 5 september 2025, buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden, met een van de raadsheren gesproken. Een korte weergave van dit gesprek is gezonden aan partijen, waarna zij de gelegenheid hebben gekregen hierop te reageren.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 november 2024;

- het V6-formulier d.d. 22 september 2025 met bijlage namens de vader;

- het V6-formulier d.d. 22 september 2025 namens de moeder.

3 De feiten

3.1.

De vader en de moeder zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 april 2018 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 17 juli 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Uit dit huwelijk is [minderjarige] geboren. De ouders waren van rechtswege belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .

3.3.

Bij voornoemde beschikking van 11 april 2018 is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder bepaald.

3.4.

Bij beschikking van de rechtbank van 19 oktober 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk tot 22 oktober 2025.

3.5.

Bij beschikking van de rechtbank van 10 november 2020 is onder andere bepaald dat de vader dient mee te werken aan inschrijving van [minderjarige] op basisschool [basisschool 1] te [woonplaats moeder] .

3.6.

Partijen zijn in het door hen ondertekende ouderschapsplan van 4 april 2022 een verdeling van zorg- en opvoedingstaken overeengekomen, in die zin dat [minderjarige] in de oneven weken bij de vader verblijft en in de even weken bij de moeder verblijft. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 november 2022 is bepaald, onder wijziging van een eerdere beschikking betreffende de zorgregeling, dat [minderjarige] en de ouders gerechtigd zijn tot contact met elkaar overeenkomstig het ouderschapsplan.

3.7.

Bij beschikking van de rechtbank van 25 augustus 2022 is – voor zover van belang – de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de beschikking van 10 november 2020 in die zin dat wordt bepaald dat de moeder binnen een week na de te wijzen beschikking haar medewerking verleent aan het inschrijven van [minderjarige] op de [basisschool 2] te [woonplaats vader]

3.8.

Bij beschikking van de rechtbank van 22 november 2023 is toestemming aan de GI verleend, ter vervanging van de toestemming van de vader, om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [basisschool 3] te [plaats] .

4 De beoordeling

4.1.

De vader voert – samengevat – het volgende aan. Er is onvoldoende gedaan om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Als de ouders zich inzetten en de wil tonen om kritisch naar zichzelf te kijken als het gaat om de onderlinge communicatie, dan is verbetering mogelijk. De vader staat open voor hulp, maar ook de moeder is nodig om de communicatie te verbeteren. Hulpverlening hiervoor is tot nu toe onvoldoende van de grond gekomen, ondanks verzoeken hiertoe. De afgelopen jaren heeft alleen [instantie 1] in de periode 2018-2019 een poging gedaan om de communicatie tussen partijen te verbeteren. De moeder heeft de communicatie uiteindelijk afgehouden. Verder heeft de vader pogingen gedaan om de communicatie te verbeteren, maar bereidheid van de moeder daartoe bleef uit. De vader wijst op het door hem geïnitieerde tweewekelijkse overleg op neutraal terrein aangaande (de ontwikkeling van) [minderjarige] , welk overleg de moeder na vier of vijf keer heeft gestopt. De mediation in 2022 door [instantie 2] werd ingezet om gezamenlijk tot een ouderschapsplan te komen. De mediation in het kader van het hoger beroep in 2023 had uitsluitend als doel tot een gezamenlijke schoolkeuze te komen. Deze mediation leverde wel resultaat op en heeft laten zien dat de ouders in staat zijn om onderling te communiceren en tot afspraken te komen. Hieraan is door de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan. Na de scheiding communiceerden de ouders wekelijks bij de overdracht door middel van een schriftje en later op verzoek van de GI via een mail, totdat de GI de overdrachtsmomenten heeft gestopt, omdat deze teveel stress opleverden voor de vrouw. Een poging van de vader om de communicatie via de overdrachtsmail weer vorm te geven, is op niets uitgelopen omdat de vrouw hiervan op aanraden van de GI heeft afgezien. Ook hieruit blijkt dat partijen in staat zijn geweest om te communiceren, al was dit maar beperkt. Op de meest recente mondelinge behandeling over de verlenging van de ondertoezichtstelling heeft de vader er weer nadrukkelijk op aangedrongen bij de GI om een communicatie-verbetertraject voor de ouders in te zetten. Tot op heden heeft de GI hiertoe geen enkele stap ondernomen. De GI heeft zich continu negatief over de vader uitgelaten zonder oog te hebben voor zijn goede bedoelingen en de vader ten onrechte buiten spel gezet. De vader heeft nooit de wil gehad om te strijden maar slechts de wil om in het belang van [minderjarige] handelen. De ouders hebben eerder problemen gehad bij het maken van de schoolkeuze voor [minderjarige] , wat niet alleen maar in de schoenen van de vader kan worden geschoven. Deze strijd was op het moment dat de moeder het verzoek deed tot eenhoofdig gezag al langere tijd niet meer aan de orde.

Er speelt op dit moment geen discussie of strijd over enige te nemen gezagsbeslissing. De PMT-therapeut heeft aangegeven dat deelname aan de PMT niet nodig is voor de vader. De vader is het gesprek met de GI opnieuw aangegaan en heeft hulp gezocht bij iemand met wie hij de communicatie tussen de ouders kan bespreken. Daar heeft de vader geleerd dat hij moet proberen dingen genuanceerder over te brengen, omdat de vader bot kan overkomen. Dat doet de vader nu en de communicatie verloopt beter. Kortom, de vader ontkent niet dat er een risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders ten gevolge van de echtscheiding en de communicatieproblematiek, maar hij betwist dat hierin niet binnen afzienbare tijd verbetering valt aan te brengen. Ook is niet gebleken dat toekenning van eenhoofdig gezag aan de moeder anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk zou zijn. Eenhoofdig gezag bij de moeder zorgt niet voor rust bij [minderjarige] . Er is bovendien geen sprake van gewijzigde omstandigheden. Gelet op de co-ouderschapsverdeling is het ook praktisch gewenst dat de vader mede het gezag heeft. De vader acht een raadsonderzoek nodig omdat de rechtbank heeft meegevaren op de stellingen van de moeder, de GI en de raad zonder dat concreet onderzoek is gedaan.

4.2.

De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Sinds de geboorte van [minderjarige] liggen partijen met elkaar overhoop, met als dieptepunt dat [minderjarige] niet kon worden ingeschreven op een basisschool omdat de ouders het niet met elkaar eens konden worden over de schoolkeuze. Rust is er nauwelijks en aan de strijd komt al acht jaar geen einde. Eenhoofdig gezag brengt onder meer met zich dat er makkelijker en sneller beslissingen kunnen worden genomen, waardoor discussies (en daarmee procedures) voorkomen kunnen worden. De bestreden beschikking is een belangrijke stap richting het creëren van meer rust voor [minderjarige] . Er is reeds van alles geprobeerd om tot verbetering te komen van de communicatie, maar het lukt de ouders niet om tot een normaal niveau van communicatie te komen. De ouders hebben hulp gehad van [instantie 1] , [instantie 2] , een mediator, [instantie 3] en [instantie 4] , doch tevergeefs. Ook de ondertoezichtstelling biedt geen soelaas.

De moeder heeft zich afgelopen jaren ingespannen om te komen tot een aanvaardbare communicatie op ouderniveau maar loopt steeds tegen dezelfde problemen aan, namelijk dat afspraken over de inhoud en wijze van communicatie door de vader met voeten worden getreden. De GI beschrijft het treffend, namelijk dat ondanks dat de moeder open en eerlijk antwoord geeft op de gestelde vragen, het de vader niet lukt de antwoorden te horen. Er blijven procedures gevoerd worden.

Ook nu nog is er onrust. In de tijd dat [minderjarige] bij de vader is, gaat hij niet naar zwemles en PMT. Hierover kan geen gesprek worden gevoerd, de vader geeft slechts aan dat hij het niet kan regelen. De moeder acht een nader onderzoek niet noodzakelijk en dit zou druk op de ouders en [minderjarige] leggen. Er geldt al jaren een 50/50 regeling en er is geen reden om de twijfelen aan de bereidheid van de moeder om de regeling na te blijven komen. De GI ziet erop toe dat de moeder de informatieplicht nakomt.

4.3.

De GI voert – samengevat – het volgende aan. De samenwerking met de vader is recent wat verbeterd, zo hebben de jeugdbeschermer en de vader laatst voor het eerst weer gezamenlijk in één ruimte kunnen verblijven en overleggen. De GI heeft de wens om de ondertoezichtstelling te beëindigen, maar dat is op dit moment nog te prematuur. Na de bestreden beschikking is er al wel meer rust gekomen. Het is voor de ouders heel lastig om een gezamenlijke visie te vormen over gezagsbeslissingen. Het is goed dat nu één ouder de beslissingen kan nemen, nadat de andere ouder is geïnformeerd en om advies is gevraagd. De GI ondersteunt het verzoek van de moeder nog steeds.

4.4.

De raad adviseert – samengevat – het volgende. De raad blijft bij het in eerste aanleg gegeven advies, namelijk dat het in het belang van [minderjarige] is om de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Er is afgelopen jaren binnen de ondertoezichtstelling flink ingezet om de oudercommunicatie te verbeteren. Er zijn ontzettend veel procedures gevoerd. De vader voert nu aan dat er wat groei is, maar dat is pas sinds de bestreden beschikking. De raad acht de kans heel erg klein dat de ouders ooit nog goed met elkaar kunnen overleggen in het belang van [minderjarige] . De moeder wordt gediskwalificeerd door de vader.

4.5.

Het hof overweegt als volgt.

4.5.1.

Het hof stelt vast dat de moeder en de vader na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] zijn blijven uitoefenen.

4.5.2.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechter aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt. Lid 2 verklaart het eerste en derde lid van artikel 1:251a van overeenkomstige toepassing, ingevolge waarvan de rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.5.3.

Het hof acht zich, voor zover de vader heeft verzocht om een onderzoek door de raad, op grond van de stukken en mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een onderzoek te gelasten.

4.5.4.

Er is sprake van gewijzigde omstandigheden die een (her)beoordeling van het gezag over [minderjarige] rechtvaardigt. De verstandhouding tussen de ouders is na de echtscheiding dusdanig verslechterd dat de ouders niet constructief kunnen samenwerken en [minderjarige] is inmiddels onder toezicht gesteld.

4.5.5.

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat een wijziging in het gezag, in die zin dat de moeder voortaan alleen het gezag uitoefent, in het belang van [minderjarige] is. De ouders zijn niet in staat tot een behoorlijke uitoefening van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] , waardoor er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat hij klem of verloren zal raken tussen hen.

Ook is het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de moeder het eenhoofdig het gezag over hem uitoefent. Het lukt de ouders niet om gezamenlijk beslissingen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te nemen op een wijze die niet belastend is voor hem. Ook lukt het de ouders niet om de onderlinge strijd te staken, of tenminste om [minderjarige] buiten die strijd te houden. Zo is het de ouders in het verleden niet gelukt om gezamenlijk een schoolkeuze te maken voor [minderjarige] . Hier zijn procedures over gevoerd met als gevolg dat [minderjarige] nog niet ingeschreven stond op een school toen hij vier jaar werd. [minderjarige] is hierdoor pas later gestart met het volgen van onderwijs. Ook is [minderjarige] pas later gestart met zwemles, omdat de vader ondanks de afspraak tussen de ouders hierover er niet in is geslaagd ervoor te zorgen dat [minderjarige] naar zwemles kon. Op dit moment gaat [minderjarige] alleen naar de zwemles als hij bij de moeder is, omdat de vader naar hij zegt het logistiek niet voor elkaar krijgt. Eenzelfde situatie doet zich voor ten aanzien van PMT. De vader heeft te kennen gegeven het nuttiger te vinden dat [minderjarige] in de klas zit. Dat betekent dat er geen PMT wordt ingezet op de momenten dat [minderjarige] bij de vader is. Uit deze voorbeelden wordt duidelijk dat het de ouders niet lukt om op een constructieve manier met elkaar te overleggen over belangrijke zaken in [minderjarige] ’ leven en om in zijn belang gezamenlijke en éénduidige beslissingen te nemen terwijl dit wel noodzakelijk is voor de uitvoering van gezamenlijk gezag.

Dit is temeer duidelijk geworden naar aanleiding van de uitnodiging van het hof aan [minderjarige] om zijn mening te geven in onderhavige procedure. Op deze uitnodiging heeft het hof van zowel de moeder als de vader een bericht ontvangen met tegenstrijdige inhoud over het belang van [minderjarige] om met de rechter te kunnen praten. Het hof vindt dat kenmerkend voor de verstandhouding tussen de ouders waarbij zij het niet eens kunnen worden over belangrijke zaken betreffende [minderjarige] . Dit is niet in het belang van [minderjarige] .

4.5.6.

Binnen de ondertoezichtstelling is afgelopen jaren veelvuldig hulpverlenging ingezet om de communicatie tussen de ouders beter te laten verlopen. Dat heeft geen verbetering gebracht. Het hof heeft, anders dan de vader betoogt, dan ook geen aanleiding om ervan uit te gaan dat dit in de toekomst wel nog ten positieve zal veranderen. De ouders zijn inmiddels ruim acht jaar uit elkaar; sindsdien is er vrijwel constant discussie geweest en zijn er vele procedures gevoerd. Dat het volgens de vader sinds een tijd rustiger is, er op dit moment geen discussies zijn over gezagsbeslissingen en de communicatie beter verloopt, is voor het hof een bevestiging dat het in het belang van [minderjarige] is dat het eenhoofdig gezag over hem door de moeder wordt uitgeoefend.

4.6.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4.7.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 20 december 2024;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van

deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.M.J. Peters en F. Dunki Jacobs en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.