Personen- en familierecht
In hoger beroep wordt alsnog vervangende toestemming voor de verhuizing verleend van de moeder met de kinderen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 oktober 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2796 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 9 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-2796
Zaakgegevens
Op 9 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2025
- Datum publicatie
- 9 oktober 2025
- Zaaknummer
- 200.353.748_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.E.A van Beveren, mr. S.C.H. Poelman
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2796
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
In hoger beroep wordt alsnog vervangende toestemming voor de verhuizing verleend van de moeder met de kinderen.
Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 oktober 2025
Zaaknummer: 200.353.748/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/335781 / FA RK 24-3108
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
overeenkomstig de Basisregistratie Personen ingeschreven in [plaats 1] ,
feitelijk verblijvende in [verblijfplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.E.A. van Beveren,
tegen
[de vader] ,
wonende in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.C.H. Poelman.
Deze zaak gaat over:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ;
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort: deze zaak gaat over de vraag of de moeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats 1] mag verhuizen.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift van 10 april 2025, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de moeder dient terug te verhuizen naar de voormalige echtelijke woning te [verblijfplaats] (zijnde de toewijzing van het verzoek van de vader inzake verbod tot verhuizing en afwijzen van het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming verhuizing met beide minderjarigen naar [plaats 1] ) en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder vervangende toestemming te verlenen om te mogen verhuizen met de minderjarige kinderen naar [plaats 1] .
Bij verweerschrift van 3 juni 2025, met producties, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bevestigen.
Het hof heeft voorts kennis genomen van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 november 2024;
- het V6-formulier van de advocaat van de vader van 9 augustus 2025, met bijlagen, ingekomen bij het hof op 11 augustus 2025;
- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 11 augustus 2025, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling zittingsaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
3 De beoordeling
De moeder en de vader zijn op 12 juni 2002 met elkaar in [verblijfplaats] getrouwd. Uit dit huwelijk zijn de hiervoor genoemde [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren, hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.
De moeder en de vader zijn tevens de ouders van de meerderjarige kinderen [meerderjarig kind 1] en [meerderjarig kind 2] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, in de bodemprocedure, bepaald dat de moeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen een maand na betekening van de beschikking dient te zijn terugverhuisd naar de voormalige echtelijke woning aan [adres] ( [postcode] ) in [verblijfplaats] , onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat de moeder hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,-. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De verzoeken van de moeder in de bodemprocedure betreffende, kort gezegd, de vervangende toestemming om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats 1] te mogen verhuizen, de kinderen in te schrijven op het speciaal onderwijs in [plaats 1] , [minderjarige 1] in te schrijven voor een behandeling bij [instantie] , de fysiotherapeut en ergotherapiepraktijk, zijn allen afgewezen.
Het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader te bepalen is afgewezen. De uiterst subsidiaire verzoeken van de vader, voor het geval de moeder toestemming zou verkrijgen om te mogen verhuizen naar [plaats 1] met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ten aanzien van de zorgregeling en de informatie- en consultatieregeling en daaraan een dwangsom te verbinden, zijn eveneens afgewezen.
De voorzieningenrechter heeft in het vonnis in kort geding van 17 januari 2025 de vorderingen van de moeder en de vader over en weer afgewezen ten aanzien van de verhuizing, inschrijving op een VSO-school in [plaats 1] , het opstarten van hulpverlening en fysiotherapie, een voorlopige zorgregeling en een voorlopige informatie- en consultatieregeling.
De moeder kan zich met de hiervoor genoemde beschikking van 14 januari 2025 ten aanzien van de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de verhuizing van de moeder met de kinderen naar [plaats 1] niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. De moeder wil met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van [verblijfplaats] naar [plaats 1] verhuizen. De vader staat hier niet achter en de moeder wordt door de vader gedwongen een leven in [verblijfplaats] te leiden dat de vader van haar eist middels controle en manipulatie. Volgens de moeder is er sprake van intieme terreur. De moeder heeft in een zeer hectische periode, waarin de voormalige echtelijke woning moest worden verkocht en de moeder geen alternatieve woonruimte had, de keuze gemaakt om naar [plaats 1] te verhuizen zonder toestemming van de vader. De moeder ging ervan uit dat de vader geen bezwaar zou hebben. De moeder realiseert zich achteraf dat zij dat zo niet had moeten doen. De vader heeft gedurende het afgelopen anderhalf jaar geen (of nauwelijks) contact gehad met de kinderen, aangezien de vader woont en werkt in [stad] (Amerika). De vader voert aan dat hij in de toekomst de zorg voor de kinderen wil delen, maar maakt nog steeds niet concreet hoe hij dat voor zich ziet. De moeder staat achter het contact tussen de kinderen en de vader, maar waar de moeder in Nederland woont is daarvoor niet van belang omdat de vader zelf niet in Nederland woont. Vanwege de beperkingen van de beide kinderen wortelen zij niet, ook niet in [verblijfplaats] , en kunnen zij verhuizen naar [plaats 1] . De moeder heeft onderzoek gedaan naar geschikte scholen en hulpverlening in [plaats 1] . Ook maakt een verhuizing naar [plaats 1] het (intensieve) ziekenhuisbezoek voor [minderjarige 2] makkelijker. De moeder staat al langere tijd in de overlevingsstand en de kinderen hebben een moeder nodig is die hen rust en stabiliteit kan bieden. In [plaats 1] beschikt de moeder wel over een netwerk.
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader wil niet dat de moeder met de kinderen naar [plaats 1] verhuist. De moeder verwijt de vader dat de vader zijn eigen koers vaart, maar het is de moeder geweest die zonder toestemming van de vader met de kinderen is verhuisd naar [plaats 1] . Deze situatie is ontstaan door het handelen van de moeder. De verhuizing was niet noodzakelijk, ook niet vanuit medisch oogpunt voor [minderjarige 2] . De vader is geworteld in [verblijfplaats] en partijen hebben daar lange tijd gezamenlijk in de woning gewoond. Van daaruit heeft de vader op diverse plekken gewerkt. De vader is altijd betrokken geweest bij de medische behandeling van [minderjarige 2] en is zeer regelmatig bij afspraken in het ziekenhuis aanwezig geweest. De vader bezoekt de kinderen bovendien regelmatig als hij in Nederland is. Als de werkzaamheden van de vader in [stad] tot een einde komen, wil de vader een positie in [plaats 2] krijgen. In september 2025 worden functies opengesteld. Dit betreffen posten over de hele wereld. De daadwerkelijke start van die functie is per de zomer van 2026. Als er een functie in Nederland vrijkomt, wil de vader hierop solliciteren. Als de vader voor de functie wordt geselecteerd, komt hij vanaf de zomer van 2026 naar Nederland en wil hij in dat geval weer in [verblijfplaats] gaan wonen. Vervolgens kunnen de ouders een co-ouderschap uitvoeren. Hoewel de moeder de dagelijkse verzorging van de kinderen op zich neemt, regelt ook de vader zaken; zo is het voor de kinderen net zo belangrijk dat de vader, bijvoorbeeld, voor [minderjarige 1] een laptop heeft geregeld.
De raad voert, samengevat, het volgende aan. De raad kan niet tot een concreet advies komen zonder een onderzoek te verrichten. Of er sprake is van intieme terreur zoals de moeder aangeeft, kan de raad op dit moment niet duiden. De moeder had anders kunnen en moeten handelen toen zij zonder toestemming van de vader met de kinderen naar [plaats 1] verhuisde. De raad bekruipt tegelijkertijd een akelig gevoel omdat de moeder geen kant op kan. De wens van de vader om een co-ouderschap vorm te geven met een standplaats in [plaats 2] terwijl partijen in [verblijfplaats] wonen is niet reëel. Daar komt bij dat de moeder een zware zorgtaak heeft voor deze twee kinderen met ieder hun eigen problematiek. De moeder heeft de verhuizing nodig om uit het huwelijk te kunnen komen. Een verhuizing is voor de kinderen mogelijk als de moeder dit goed voorbereidt.
Het hof overweegt als volgt
De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen, omdat de moeder en de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 7 Brussel II-ter). Het Nederlands recht is van toepassing op onderhavige verzoeken (artikel 15 Haags Kinderbeschermingsbedrag 1996).
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen.
Bij een verzoek gegrond op het bepaalde in artikel 1:253a lid 1 BW neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 25 april 2008 (LJN:BC5901) geoordeeld dat vooropgesteld dient te worden dat hieruit niet mag worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over de gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij de beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht moeten nemen, wat er in een voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen. Omstandigheden die volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een rol kunnen spelen zijn:
- de noodzaak om te verhuizen;
- hoe goed de verhuizing is voorbereid en doordacht;
- de voorstellen die zijn gedaan om de gevolgen van de verhuizing te verzachten;
- hoe goed de ouders met elkaar kunnen overleggen;
- hoe vaak er contact plaatsvindt tussen het kind en de niet-verhuizende ouder voor en na de
verhuizing;
- de leeftijd van het kind, zijn mening en in hoeverre hij gewend is aan zijn omgeving of juist aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Het hof benadrukt dat bovenstaande opsomming niet is bedoeld als bepaling van criteria waaraan ieder afzonderlijk moet worden voldaan, maar dat voor de beoordeling een belangenafweging moet worden gemaakt met inachtneming van genoemde omstandigheden
Aan het hof ligt de vraag voor of aan de moeder vervangende toestemming moet worden verleend om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te mogen verhuizen naar [plaats 1] . Anders dan de rechtbank, ziet het hof aanleiding dit verzoek van de moeder alsnog toe te wijzen. Het hof licht dat hieronder toe.
Gebleken is dat de moeder en de vader gedurende lange tijd in de voormalige echtelijke woning in [verblijfplaats] hebben gewoond met hun vier kinderen, waarvan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment nog minderjarig zijn. [minderjarige 1] is op dit moment vijftien jaar oud en functioneert op het ontwikkelingsniveau van een vierjarige. [minderjarige 1] communiceert via afbeeldingen op een tablet en kampt met behoorlijk zware problematiek die valt binnen het autismespectrum. [minderjarige 2] is negen jaar oud en ook [minderjarige 2] heeft een ontwikkelingsachterstand. [minderjarige 2] gaat naar speciaal onderwijs. In september 2024 is er bij [minderjarige 2] lymfatische leukemie vastgesteld. [minderjarige 2] heeft hiervoor een zeer intensief behandeltraject gevolgd bij het [ziekenhuis] in [plaats 3] . [minderjarige 2] zit op dit moment in een rustigere fase van dit medisch behandeltraject en gaat inmiddels weer naar school. Hij gaat nu om de twee weken naar het ziekenhuis voor behandeling/controle.
De vader werkt sinds 2017 als rijksambtenaar voor [werkgever] sinds een aantal jaren overwegend in het buitenland. Op dit moment is de vader werkzaam in [stad] (Verenigde Staten). Hoewel de vader heeft betoogd dat hij tijdens de intensieve behandelperiode van [minderjarige 2] om de drie weken voor een periode van drie weken in Nederland is geweest en op die momenten de kinderen heeft bezocht (al dan niet in het ziekenhuis waar [minderjarige 1] bij aanwezig was), heeft de moeder die frequentie uitdrukkelijk betwist. Volgens de moeder heeft de vader de kinderen gedurende het afgelopen anderhalf jaar niet dan wel nauwelijks gezien, terwijl hij die gelegenheid wel had. De vader heeft niet concreet gemaakt, ook niet desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling, in hoeverre er daadwerkelijk een regelmatig contact is geweest tussen de vader en de kinderen in de afgelopen jaren. Het hof betrekt daarbij dat tussen partijen niet in geschil is dat de vader het weekend voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij het hof de kinderen wel gedurende twee uur bij de moeder thuis heeft bezocht, maar daarvoor lange tijd niet. De vader heeft hierover, bijvoorbeeld, verklaard de kinderen in de afgelopen zomervakantie niet te hebben opgezocht. Voor het hof staat hiermee vast dat de moeder afgelopen jaren overwegend zelfstandig de zorg heeft gedragen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die beiden dus kampen met forse kindeigen problematiek.
Voorts is gebleken dat de moeder medio 2024 bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend en dat er tot op heden geen afspraken zijn gemaakt tussen de ouders of dat er door de rechtbank een beslissing is genomen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de contactregeling. Ook is gebleken dat de moeder medio september 2024 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats 1] was verhuisd, zonder dat zij daarvoor de benodigde toestemming van de vader had. Van belang is dat de moeder er blijk van heeft gegeven dat zij hierin anders had moeten handelen. De moeder heeft hierover verklaard dat zij zich niet bewust was van de benodigde toestemming van de vader, dat de vader langere tijd geen tot nauwelijks contact met de kinderen heeft gehad, dat in het kader van de echtscheidingsprocedure de voormalige echtelijke woning verkocht moest worden en dat zij daarom de woning moest verlaten. Volgens de moeder voelde het voor haar alsof zij geen kant op kon. Van belang is dat de moeder vervolgens opvolging heeft gegeven aan de bestreden beschikking en met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer is terugverhuisd naar de voormalige echtelijke woning.
Volgens de moeder ligt de noodzaak om naar [plaats 1] te mogen verhuizen erin dat zij los wil komen van de vader. De moeder voelt zich door de vader onder druk gezet door in [verblijfplaats] te moeten blijven terwijl ze dat niet wil, de vader zelf niet in Nederland woont en een zeer beperkt contact heeft met de kinderen. De moeder heeft geen netwerk in [verblijfplaats] , maar in [plaats 1] wel. De moeder vraagt om een nieuwe start en wil haar eigen leven kunnen opbouwen. De moeder voert voorts aan dat er sprake was en is van intieme terreur, maar dit is voor het hof in deze procedure en met de gegevens die het hof ter beschikking heeft niet eenvoudig te duiden, zoals de raad ook heeft aangegeven. Wel onderschrijft het hof het belang van de moeder, net als de raad, om zich los te moeten kunnen maken van het huwelijk en dat het daarvoor voor de moeder noodzakelijk is om te kunnen verhuizen naar [plaats 1] . De moeder heeft er aldus recht en belang bij om met de kinderen te verhuizen en de vrijheid te krijgen om haar leven opnieuw in te richten.
Het hof betrekt daar in de eerste plaats bij dat de vader geen vaste verblijfplaats heeft in Nederland, hetgeen inhoudt dat de vader in een hotel verblijft als de vader in Nederland is. Dit betekent dat het hebben van contact met de kinderen in ieder geval niet gebonden is aan een verblijf van de moeder met de kinderen in [verblijfplaats] . Ook vanuit de woning in [plaats 1] kunnen de kinderen contact hebben met de vader. Het hof betrekt hier verder bij dat de moeder andermaal heeft aangegeven achter een goed contact tussen de kinderen en de vader te staan, dat zij ook voorstellen heeft gedaan voor dit contact, maar dat de vader desondanks weinig contact heeft gehad met de kinderen en door de vader ook niet duidelijk is gemaakt hoe dit er in de komende periode uit kan gaan zien.
De niet nader onderbouwde stelling van de vader dat hij in 2026 wil gaan proberen voor [werkgever] vanuit [plaats 2] te gaan werken is op dit moment nog een uiterst onzekere en in de toekomst gelegen situatie waarmee bij de beoordeling van het verzoek van de moeder te mogen verhuizen geen rekening gehouden kan worden. De raad heeft hierover bovendien aangegeven dat, als deze situatie zich in de toekomst zou voordoen, het co-ouderschap dat de vader voor ogen heeft niet realistisch is gelet op de afstand tussen [plaats 2] , waar de vader werkt en [verblijfplaats] , waar de moeder en de kinderen dan zouden wonen. Voor zover de vader op termijn al een standplaats in [plaats 2] zou kunnen krijgen, valt mede in het licht van het zeer beperkte contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook om die reden niet in te zien waarom de moeder met de kinderen in de tussentijd in [verblijfplaats] moet blijven wonen.
Van belang daarbij is dat de moeder binnen afzienbare tijd sowieso zal moeten verhuizen uit de voormalige echtelijke woning in [verblijfplaats] . De moeder heeft immers verklaard niet in staat te zijn de financiële lasten verbonden aan die woning zelfstandig te kunnen dragen en de vader heeft bij het hof aangegeven in het kader van de echtscheidingsprocedure toedeling van de woning te wensen. Dat betekent dat de moeder zonder meer op zoek moet naar een nieuwe woning voor haarzelf en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De wens van de moeder om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te gaan wonen in de huurwoning die zij in 2024 in [plaats 1] heeft aanvaard waarin thans de twee studerende oudste kinderen van de ouders verblijven, is invoelbaar. De moeder woont dan in de buurt van haar netwerk en ook de twee oudste kinderen kunnen de moeder bijstaan waar mogelijk en nodig. Dit is van belang, gelet op de zware zorgtaak die in sterk overwegende mate op de moeder alleen rust vanwege de intensieve zorg die zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] nodig hebben. De moeder kan bovendien vanuit [plaats 1] de ziekenhuisbezoeken voor [minderjarige 2] eenvoudiger vormgeven, te meer omdat zij daar een ondersteunend netwerk heeft. Het is van belang dat de moeder, die voor de kinderen de meest stabiele en aanwezige factor is, in staat is en blijft om de kinderen te bieden wat ze nodig hebben. Hiervoor is het nodig dat zij de door haar gewenste verhuizing met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan gaan uitvoeren. Het hof betrekt daarbij dat de raad hierover heeft aangegeven dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een dergelijke verhuizing moeten aankunnen, mits dit door de moeder goed is voorbereid. Gebleken is dat de moeder in eerste aanleg hiertoe de nodige verzoeken heeft ingediend en zij de verhuizing aldus voldoende goed heeft voorbereid en doordacht. Hoewel de moeder in dit verband geen grieven heeft gericht tegen de door de rechtbank in eerste aanleg afgewezen verzoeken met betrekking tot de inschrijving van de kinderen op school, hulpverlening en fysiotherapie/ergotherapie, gaat het hof ervan uit dat de ouders hierover gezamenlijk in overleg gaan en een beslissing zullen nemen omdat nu duidelijk is geworden dat de moeder van het hof toestemming krijgt om te mogen verhuizen naar [plaats 1] .
De kinderen gaan, sinds de terugverhuizing, weer naar school in (de omgeving van) [verblijfplaats] . Het hof acht het niet in het belang van de kinderen dat zij verhuizen naar [plaats 1] zonder dat is geregeld dat zij direct daar naar school kunnen en de nodige hulpverlening daar kan aanvangen. Het hof zal daarom beslissen dat de moeder met de kinderen per start van de kerstvakantie (20 december 2025) naar [plaats 1] mag verhuizen, zodat de ouders in de tussenliggende periode voor de kinderen school en hulpverlening in [plaats 1] kunnen regelen.
Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de moeder om te mogen verhuizen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alsnog toewijzen en de bestreden beschikking op dit punt vernietigen.
4 De beslissing
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog toe het verzoek in eerste aanleg van de moeder ten aanzien van de vervangende toestemming te mogen verhuizen naar [plaats 1] met [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , en bepaalt dat de moeder met de kinderen mag verhuizen naar [plaats 1] per 20 december 2025;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, A.M. Bossink en M.E.M. Beijersbergen en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.