Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Hoger beroep · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16 oktober 2025
Datum publicatie
16 oktober 2025
Zaaknummer
200.352.123_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. K el Joghrafi, mr. B.G.M. de Ruijter
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2859
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hoofdverblijf

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 16 oktober 2025

Zaaknummer: 200.352.123/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/424545 FA RK 24-3229

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K. el Joghrafi,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B.G.M. de Ruijter.

In deze procedure is als informant aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

In het kort:

Deze zaak gaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016, hierna: [minderjarige] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 maart 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader ter zake de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] af te wijzen. Bij de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder toegelicht dat zij heeft bedoeld te verzoeken voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen, namelijk voor wat betreft de beslissing over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] .

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 juni 2025, heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoekschrift in hoger beroep, althans haar verzoek in hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en voorts de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • de moeder, bijgestaan door mr. El Joghrafi;

  • de vader, bijgestaan door mr. De Ruijter;

  • [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI;

  • [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.

2.4.

Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 14 augustus 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • het procesdossier eerste aanleg;

  • het V6-formulier met bijlagen (producties 2 t/m 4) d.d. 29 augustus 2025 van de advocaat van de moeder.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens deze relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend.

De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij beschikking van 20 juni 2022 heeft de rechtbank Den Haag de regeling opgenomen zoals door de vader en de moeder in het ouderschapsplan opgesteld. In dit ouderschapsplan hebben partijen afgesproken dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en dat een zorgregeling geldt waarbij (kort gezegd) [minderjarige] eenmaal in de twee weken van vrijdagmiddag tot zondag eind van de middag bij de vader verblijft.

3.3.

Na onderling overleg hebben de vader en de moeder besloten dat [minderjarige] vanaf december 2023 bij de vader zal wonen. Daar heeft ze tot april 2024 gewoond. Daarna heeft de moeder [minderjarige] niet meer naar de vader laten terugkeren en heeft [minderjarige] bij de oma en de stiefvader moederszijde in [plaats] verbleven.

3.4.

[minderjarige] is vanaf 14 mei 2024 onder toezicht gesteld van de GI en uit huis geplaatst bij de vader.

3.5.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voormelde beschikking van 20 juni 2022 en voormeld ouderschapsplan gewijzigd en, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft.

3.6.

De moeder kan zich met deze beslissing betreffende de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De standpunten

3.7.

De moeder voert samengevat het volgende aan. De beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] dient aangehouden te worden en parallel te lopen met het traject van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Op basis van een machtiging uithuisplaatsing dient [minderjarige] bij de ene of de ander ouder te worden geplaatst, zodat het hoofdverblijf van [minderjarige] inzet blijft van de ondertoezichtstelling.

De rechtbank heeft aangegeven dat er zoveel mogelijk moet worden toegewerkt naar thuisplaatsing. Daar is tot op heden door de GI op geen enkele manier aan gewerkt. De hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling is nog niet gestart. Ook is er nog steeds geen zicht op de thuissituatie bij de vader, terwijl de moeder haar zorgen heeft geuit over seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader in het bijzijn van [minderjarige] . [minderjarige] is onverzorgd, draagt te kleine en vuile kleding/schoenen. Verder belast de vader [minderjarige] met negatieve uitspraken over de moeder en heeft hij in het verleden [minderjarige] duidelijk gemaakt dat als zij zou aangeven dat zij bij de moeder wil wonen, zij in een pleeggezin zou worden geplaatst. [minderjarige] is hier zo hevig van geschrokken dat de moeder niet uitsluit dat dit nog steeds bij haar leeft. [minderjarige] ervaart ook overigens niet de vrijheid om te uiten dat zij bij de moeder wil wonen, omdat dat zowel in het kader van de ondertoezichtstelling als in het kader van de ingezette hulpverlening, geen onderwerp van gesprek (meer) is.

De moeder maakt zich zorgen dat er bij wijziging van de hoofdverblijfplaats geen noodzaak meer is voor de GI om zoveel mogelijk te werken aan thuisplaatsing bij de moeder, omdat dat doel dan vervalt. Nu wordt er geen onderzoek meer gedaan naar de opvoedomstandigheden en opvoedvaardigheden bij beide ouders. De moeder krijgt op die manier geen eerlijke kans om [minderjarige] weer bij zich terug te krijgen. Onder die omstandigheden had iedere beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats aangehouden moeten worden.

Inmiddels heeft de moeder weer vaker contact met [minderjarige] en is er ook gestart met onbegeleid contact. [minderjarige] heeft richting de moeder aangegeven dat ze bij haar moeder wil zijn. De moeder heeft haar leven op de rit; de GI is positief in haar berichtgeving over de moeder. De moeder wil een eerlijke kans voor haar en [minderjarige] .

3.8.

De vader voert, samengevat, het volgende aan.

[minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de vader. Er is sprake van rust, regelmaat en voorspelbaarheid in de opvoedsituatie. De vader werkt goed mee met de GI en staat open voor aanvullende hulpverlening.

De moeder kan niet accepteren dat [minderjarige] bij de vader woont. Zij zoekt voortdurend contact met [minderjarige] en gunt haar geen rust. Tevens heeft de moeder [minderjarige] belast met beschuldigingen richting de vader. De moeder doet ongefundeerde uitspraken over de verzorging van [minderjarige] door de vader. De vader betwist dat hij tegen [minderjarige] zou hebben gezegd dat zij in een pleeggezin zou worden geplaatst. Dit wordt nu voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht en dient wederom om aan te tonen dat de vader niet in het belang van [minderjarige] zou handelen.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het in het belang van [minderjarige] is om haar hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen. Dit is een bevestiging van hetgeen de ouders zelf al waren overeengekomen in december 2023. Op dat moment was opnieuw een zeer onveilige situatie voor [minderjarige] ontstaan bij de moeder waarbij ook Veilig Thuis aangaf dat een verblijf van [minderjarige] bij de moeder niet meer verantwoord was. De moeder heeft aangegeven dat zij zelf nog psychologische behandelingen dient te ondergaan maar daarmee is zij kennelijk nog niet gestart. Het is dan ook niet te verwachten dat er op korte termijn sprake is van zodanig contact tussen de moeder en [minderjarige] dat zij weer bij de moeder kan gaan wonen.

De GI heeft probeert de contacten tussen de moeder en [minderjarige] veilig te laten plaatsvinden. Pas sinds juni 2025 kunnen de moeder en [minderjarige] elkaar onbegeleid zien. Een gedeelte van het omgangsmoment vindt nog steeds onder begeleiding plaats. De moeder doet nog steeds negatieve uitlatingen over de vader en blijft aangeven dat [minderjarige] snel weer bij de moeder komt wonen. Dergelijke uitlatingen hebben een negatieve impact op [minderjarige] en zorgen voor verwarring bij haar.

De vader betwist dat er zou worden toegewerkt naar thuisplaatsing bij de moeder. [minderjarige] heeft rust en stabiliteit nodig, hetgeen de vader haar biedt. Vanuit die situatie kan aan de uitbreiding van het contact met de moeder worden gewerkt. Het verzoek van de moeder dient dan ook te worden afgewezen.

3.9.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht.

Er is duidelijk sprake van strijd tussen de ouders. De ouders doen veel uitspraken over elkaar en over de situatie bij de andere ouder. Het is jammer dat hulpverlening pas laat kon starten. In februari is gestart met een kindbehartiger voor [minderjarige] , een behandelaar voor de ouders en omgangsbegeleiding. Beide ouders blijken zich vast te klampen aan deze procedure over het hoofdverblijf, waardoor er geen ruimte was om te praten over de doelen van de hulpverlening.

De kindbehartiger ziet [minderjarige] alleen, tijdens gesprekken op of na school. Dat lijkt [minderjarige] fijn te vinden. Zij heeft behoefte aan het spreken met deze kindbehartiger. Dat ze bij de ene ouder het ene zegt en iets anders bij de andere ouder komt door haar loyaliteitsconflict. Dat [minderjarige] met de schoudertjes naar beneden terugkomt van de vader is geen teken dat ze het niet goed heeft bij de vader, maar een teken van een loyaliteitsconflict. Beide ouders zijn aangesproken op het doen van negatieve uitspraken over de andere ouder en of het uithoren van [minderjarige] . Daarna heeft de GI dat niet meer geconstateerd. Beide ouders hebben het beste voor met [minderjarige] en willen meewerken, maar door de pijn uit het verleden komen ze niet verder. [instantie] wil met de ouders naar de toekomst kijken. Misschien kan de zorg in de toekomst 50-50 worden verdeeld – de ouders wonen dicht bij elkaar.

De GI ziet geen reden om het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen. Dat heeft geen meerwaarde. De GI wil met de ouders vooral kijken naar de zorgregeling en werken naar co-ouderschap. Er moet rust komen in de situatie om daarmee verder te kunnen.

3.10.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te behouden.

Er is een langdurige periode geweest van veel zorgen, vele wisselingen van verblijf en school, dreigingen en een lastige thuissituatie. Nu is al enige tijd sprake van rust. Dat werd eerst door de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing geborgd. Gebleken is dat de vader in staat is voor een langere periode stabiliteit te bieden.

Het is fijn dat de moeder naar [regio] is verhuisd. Daardoor zijn er nu veel mogelijkheden om het op termijn goed voor [minderjarige] te regelen. Nu hebben [minderjarige] en de moeder nog begeleid contact en zien zij elkaar nog slechts één keer in de week: er moet nog veel gebeuren, maar er kunnen wel stappen vooruit worden gezet.

Ten behoeve van stabiliteit en duidelijkheid dient het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te zijn en dient er hard te worden gewerkt aan uitbreiding van het contact met de moeder.

De strijd over het hoofdverblijf is zonde van de energie. De raad adviseert de moeder zich te richten op het contact met [minderjarige] en het creëren van haar eigen stabiliteit. Over de vader heeft de raad geen zorgen.

Het zou mooi zijn als de ouders met de hulpverlening zouden onderzoeken hoe je het samen kunt doen en dat zij kunnen samenwerken in de opvoeding en elkaar daarin kunnen ondersteunen en de moeder de vader tips kan geven over de (uiterlijke) verzorging van [minderjarige] .

De motivering van de beslissing

3.11.

Het hof oordeelt als volgt.

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.11.2.

Het hof acht het evenals de rechtbank in het belang van [minderjarige] dat zij haar hoofdverblijf bij de vader heeft. [minderjarige] heeft zelf ook te kennen gegeven graag bij haar te willen wonen. Bij de moeder was de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd. Het hof verwijst daarbij naar de in de stukken uitvoerig beschreven situatie en gebeurtenissen in december 2023 en mei 2024. Bij de vader ervaart [minderjarige] rust, stabiliteit en veiligheid en komt zij toe aan haar ontwikkeling(sbehoefte). Het handhaven van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader bestendigt deze situatie en geeft haar de zekerheid en continuïteit die zij nodig heeft. Met een (naar haar aard tijdelijke) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zou onvoldoende aan die behoefte tegemoet kunnen worden gekomen.

[minderjarige] verblijft ook hoofdzakelijk bij de vader. Daarbij past dat zij haar hoofdverblijf bij de vader heeft.

Gezien de vele wisselingen die [minderjarige] al heeft meegemaakt, acht het hof het bovendien niet in het belang van [minderjarige] om in haar situatie nu wederom enige wijziging aan te brengen.

3.11.3.

Het hof maakt uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling op dat [minderjarige] klem zit in haar loyaliteit richting beide ouders. Nu het hof duidelijkheid verschaft over het hoofdverblijf van [minderjarige] spreekt het hof de hoop uit dat de ouders zich gaan richten op het oplossen van de klempositie waarin [minderjarige] zich bevindt en het hebben van een onbelast contact met [minderjarige] .

Afsluitende conclusie

3.12.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] ;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, C.M.J. Peters en M.I. Peereboomvan Drunick, en is op 16 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. C.M.J. Peters in tegenwoordigheid van de griffier.