Personen- en familierecht
Eindbeslissing gezag na rapportage raad. Bekrachtiging gezamenlijk gezag. Wordt niet voldaan aan twee in…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 oktober 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2860 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-2860
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2025
- Datum publicatie
- 16 oktober 2025
- Zaaknummer
- 200.344.479_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. F Putmans-de Kok, mr. I. Gerrand
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2860
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eindbeslissing gezag na rapportage raad. Bekrachtiging gezamenlijk gezag. Wordt niet voldaan aan twee in artikel 1:253c lid 2 BW genoemde uitzonderingsgevallen.
Aanhouding zorgregeling in afwachting van de resultaten van de binnen het gedwongen kader in te zetten hulpverlening.
Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 16 oktober 2025
Zaaknummer: 200.344.479/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/375054 / FA RK 21-4410
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Putmans-de Kok,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. I. Gerrand.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1] (hierna [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ;
-
[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
Als informant in deze zaak wordt aangemerkt:
de Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 augustus 2024, heeft de moeder verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de verzoeken van de vader ter zake onder meer het gezamenlijk gezag en de haal- en brengmomenten ter uitvoering van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) alsnog worden afgewezen. Kosten rechtens.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 september 2024, heeft de vader verzocht de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen. Kosten rechtens.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. F. Putmans-de Kok;
-de vader, bijgestaan door mr. I. Gerrand;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt. De voorzitter van het hof heeft op 27 januari 2025 buiten aanwezigheid van partijen en de raad met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 maart 2022;
- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 13 augustus 2024;
- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 20 januari 2025;
- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vader op 21 januari 2025;
- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 24 januari 2025.
Het hof heeft bij verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 januari 2025 de raad verzocht om een breed onderzoek te gelasten naar – kort gezegd – het gezag over de kinderen en de omgang c.q. het contact tussen de vader en de kinderen.
Het hof heeft daarbij opgemerkt dat het hof er vanuit gaat dat indien het mogelijk is om tijdens het raadsonderzoek al enige vorm van contact(herstel) tussen de vader en de kinderen te realiseren, daar uitvoering aan wordt gegeven al dan niet onder begeleiding van een hulpverlenende instantie en dat beide partijen hieraan hun medewerking moeten verlenen.
Het hof heeft de verdere behandeling van de zaak aangehouden tot 6 juni 2025 pro forma.
Na genoemde mondelinge behandeling heeft het hof nog kennisgenomen van:
- het rapport van de raad d.d. 20 juni 2025;
- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vader op 1 juli 2025;
- het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 4 juli
2025;
- het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 11 juli 2025;
- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vader op 21 augustus 2025.
De mondelinge behandeling in hoger beroep is voortgezet op 4 september 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-de moeder, bijgestaan door mr. F. Putmans-de Kok;
-de vader, bijgestaan door mr. H. Kroon waarnemend voor mr. I. Gerrand;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Tevens is de GI als informant gehoord. De GI is daarbij vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] (opnieuw) in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt. De voorzitter van het hof heeft op 3 september 2025 buiten aanwezigheid van partijen en de raad met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
3 De beoordeling
De feiten
Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
De moeder oefende tot aan de bestreden beschikking van rechtswege het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
De procedure in eerste aanleg
Bij beschikking van 31 maart 2022 heeft de rechtbank aan de vader, ter vervanging van de toestemming van de moeder, toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 26 juli 2022 erkend.
Bij beschikking van 16 december 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de vader gerechtigd is tot begeleide omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in [vestiging] te [plaats] van [instantie] , waarbij de verdere invulling zal geschieden in nader overleg tussen partijen en [instantie] .
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank:
-
bepaald dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt;
-
de volgende zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader zijn:
o de eerste maand: iedere week op woensdag na school tot 18.00 uur én twee zondagen om de veertien dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur;
o de tweede maand: iedere week op woensdag na school tot 18.00 uur én om de veertien dagen een zaterdag en zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur;
o de derde maand: iedere week op woensdag na school tot 18.00 uur én om de veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;
o vanaf vierde maand: iedere week op woensdag na school tot 18.00 uur én om de veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur,
-
bepaald dat bij deze verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt dat de vader de kinderen ophaalt op school of bij de moeder en dat de moeder de kinderen weer ophaalt bij de vader;
-
ten aanzien van de vakanties en feestdagen de volgende regeling vastgesteld:
o in 2024 loopt de bovenstaande zorgregeling door tijdens vakanties en feestdagen;
o vanaf schooljaar 2024-2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :
? in eenweekse schoolvakanties van donderdag 10.00 uur tot vrijdag 18.00 uur
bij de vader;
? in tweeweekse schoolvakanties de eerste week van donderdag 10.00 uur tot en
met vrijdag 18.00 uur en in de tweede week van donderdag 10.00 uur tot en
met vrijdag 18.00 uur bij de vader;
? de eerste twee aaneengesloten weken van de zomervakantie bij de vader en
daarna twee aaneengesloten weken bij de moeder. Daarna verblijven de
kinderen een week bij de vader en een week bij de moeder;
? het ene jaar op het Offerfeest de hele ochtend tot 15.00 uur bij de vader en
daarna bij de moeder, en op het Suikerfeest de hele ochtend tot 15.00 uur bij de
moeder en daarna bij de vader, het andere jaar geldt deze verdeling andersom;
? in het weekend van Vaderdag bij de vader van vrijdag na school tot zondag
uur;
? de overige feestdagen worden tussen de ouders bij helfte in onderling overleg verdeeld;
- bepaald dat de moeder gehouden is de vader schriftelijk te informeren en te consulteren conform artikel 1:253a lid 2 sub c juncto artikel 1:247 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De ontwikkelingen na de bestreden beschikking
De vader heeft in een kort geding-procedure nakoming van de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling gevorderd.
Bij proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding op 11 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant mondeling vonnis gewezen.
De voorzieningenrechter heeft daarbij:
In conventie:
-
de moeder veroordeeld tot nakoming van de bij de bestreden beschikking vastgestelde opbouwende zorgregeling, met name voor wat betreft het halen en brengen;
-
bepaald dat moeder aan de vader een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 100,- per keer dat zij niet integraal op alle onderdelen de zorgregeling voldoet tot een maximum van € 1.500,-.
In reconventie:
- de vorderingen afgewezen.
Nadien heeft de vader nog een kort geding-procedure opgestart.
Partijen zeggen niet te beschikken over een vonnis hiervan.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep onweersproken gesteld dat de voorzieningenrechter ook in die procedure heeft bepaald dat de moeder de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling dient na te komen. Daarbij hebben partijen wel afgesproken dat wanneer de kinderen bij de vader zijn en er sprake is van erge weerstand bij de kinderen, dat de vader dan contact met de moeder opneemt. De kinderen kunnen dan eventueel eerder terug naar de moeder.
Op 11 oktober 2024 heeft een incident plaatsgevonden, waarbij ook de politie en Veilig Thuis betrokken zijn geweest. Sindsdien komt de moeder de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling niet meer na.
Op 4 februari 2025 heeft er een Beschermtafeloverleg plaatsgevonden. De Beschermtafel maakt zich zorgen over de situatie van de kinderen en heeft besloten dat er een onderzoek door de raad naar een kinderbeschermingsmaatregel nodig is.
Bij beschikking van 22 juli 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 22 juli 2025 tot 22 juli 2026.
De procedure in hoger beroep
De moeder kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het internationale karakter van de zaak vraagt om een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.
Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Aangezien de gewone verblijfplaats van de kinderen altijd in Nederland is geweest, is de Nederlandse rechter bevoegd.
Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, 299) is Nederlands recht van toepassing.
Ten aanzien van de zorgregeling
De moeder heeft in het beroepschrift alleen een grief gericht tegen de haal- en brengregeling ter uitvoering van de zorgregeling. Tijdens de eerste mondelinge behandeling in hoger beroep op 30 januari 2025 is echter gebleken dat op 11 oktober 2024 een incident heeft plaatsgevonden, waarbij de politie en Veilig Thuis betrokken zijn geweest. Daardoor kan de moeder zich ook niet langer meer verenigen met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Na dit incident heeft de moeder het contact tussen de vader en de kinderen – volgens haar om veiligheidsredenen – volledig stopgezet.
Het hof heeft, gelet op de hiervoor genoemde ontwikkelingen na de bestreden beschikking, aanleiding gezien om ook een breed onderzoek te gelasten naar de mogelijkheden van contact tussen de vader en de kinderen.
De raad heeft in dat onderzoek geconstateerd dat de kinderen, met name [minderjarige 1] , de vader volledig afwijzen en een zeer negatief beeld van hem hebben. Eerder (ten tijde van de onderzoeken van november 2022 en januari 2024) was er bij de kinderen nog wel ruimte voor contact met de vader. De raad concludeert in het rapport van 20 juni 2025 dat er op dit moment geen mogelijkheden zijn om direct tot contactherstel tussen de vader en de kinderen over te gaan. Er moeten eerst andere stappen worden gezet om te kijken of de kinderen zich weer open kunnen gaan stellen voor het contact met de vader. De raad adviseert om de beslissing over de zorgregeling aan te houden in afwachting van de te behalen resultaten van de nog op te starten hulpverlening binnen de recent uitgesproken ondertoezichtstelling.
Uit de schriftelijke reactie van partijen op genoemd raadsrapport en tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep op 4 september 2025 is gebleken dat partijen zich met het advies van de raad omtrent de zorgregeling kunnen verenigen. Ook het hof is van oordeel dat de aanhouding van de beslissing omtrent de zorgregeling op dit moment het meest in het belang van de kinderen is. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling is gebleken dat de betrokken jeugdbeschermer – onder meer vanwege de zomervakantie – pas recent kennis heeft gemaakt met partijen en dat partijen nog voor de noodzakelijk hulpverlening moeten worden aangemeld. Ook dient door de GI en/of de desbetreffende hulpverleners eerst onderzoek te worden gedaan naar de kwestie van de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader. Het hof acht zich daarom op dit moment nog onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing over de zorgregeling tussen de vader en de kinderen te kunnen nemen.
Het hof verzoekt de GI om uiterlijk 2 april 2026 het hof schriftelijk te informeren en te rapporteren over de genomen stappen om te komen tot contactherstel tussen de vader en de kinderen en de resultaten hiervan. Daarbij merkt het hof uitdrukkelijk op dat het hof ook door de GI geïnformeerd wil worden over wat de GI – gedurende de periode dat partijen op de wachtlijst staan voor hulpverlening – heeft ondernomen om het contactherstel tussen de vader en de kinderen te realiseren en de onderlinge verhouding tussen partijen te verbeteren. Partijen en de raad zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld om uiterlijk binnen twee weken schriftelijk te reageren op de rapportage van de GI.
Het hof zal iedere verdere beslissing omtrent de zorgregeling aanhouden voor de duur van zes maanden, derhalve tot 16 april 2026 pro forma.
Ten aanzien van het gezag
De standpunten
De moeder voert hieromtrent – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie die maakt dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt van gezamenlijk gezag. De kinderen komen door het gezamenlijk gezag klem of verloren te zitten. De communicatie tussen partijen verloopt niet rustig. Verder heeft de vader nooit enige betrokkenheid bij de kinderen getoond. Zo heeft de vader zich op geen enkele wijze bemoeid met de verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder heeft altijd alle gezagsbeslissingen over de kinderen genomen. De vader oefent het gezag over de kinderen feitelijk niet uit. Ook zal de vader misbruik gaan maken van het feit dat hij nu mede met het gezag over de kinderen is belast, door zijn toestemming aan de moeder te onthouden.
De situatie tussen partijen is sinds de eerste mondelinge behandeling in hoger beroep ongewijzigd, maar de kinderen staan sinds kort onder toezicht van de GI. Er moet eerst worden gekeken of partijen binnen de ondertoezichtstelling stappen kunnen gaan maken. Het is nog te vroeg om een definitieve beslissing over het gezag te kunnen nemen. Het advies van de raad over het gezag is niet zo duidelijk als de vader doet voorkomen. De raad ziet belemmeringen voor de uitoefening van gezamenlijk gezag. De moeder verzoekt het hof om de beslissing over het gezag aan te houden in afwachting van het verloop en de resultaten van de ondertoezichtstelling.
De vader voert hieromtrent – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft op goede gronden beslist dat het gezag over de kinderen voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt. De moeder heeft in eerste aanleg forse – niet onderbouwde – beschuldigingen over de vader geuit. Verder betwist de vader dat hij zich nooit met de verzorging en opvoeding van de kinderen heeft bemoeid. Ook deze stelling onderbouwt de moeder niet met objectiveerbare bewijzen. Bovendien is eenhoofdig gezag niet in het belang van de kinderen. Dat de communicatie tussen partijen niet altijd goed verloopt, betekent niet dat er geen gezamenlijk gezag mogelijk is. De vader staat open voor overleg met de moeder. Ook zal de vader zijn toestemming verlenen voor zaken wanneer dat aan hem wordt gevraagd en hij meent dat dit in het belang van de kinderen is. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem en verloren zullen raken tussen de ouders. Primair verzoekt de vader om een eindbeslissing over het gezag te nemen. Het oordeel van de rechtbank en de conclusie van de raad in het raadsrapport over het gezag zijn duidelijk. De raad adviseert om het gezamenlijk gezag in stand te laten, zodat de vader betrokken blijft bij de kinderen. De raad heeft daarbij een afweging gemaakt op basis van de geconstateerde belemmeringen en mogelijkheden. Sinds sprake is van gezamenlijk gezag heeft de vader de moeder niet tegengewerkt bij de te nemen gezagsbeslissingen. Subsidiair kan de vader instemmen met de aanhouding van de beslissing over het gezag.
De raad heeft in het rapport van 20 juni 2025, zoals aangevuld tijdens de voortgezette mondelinge behandeling – samengevat – geadviseerd om het gezamenlijk gezag in stand te laten. De raad heeft in het onderzoek zowel belemmeringen als mogelijkheden voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag geconstateerd. Om gezamenlijk gezag uit te kunnen oefenen is er een vorm van afstemming en overleg tussen de ouders nodig. Dit vraagt om onderlinge communicatie. De onderlinge verhouding tussen de ouders is echter verstoord en er is sprake van wantrouwen. Deze belemmering kan met de inzet van de ouders en met hulpverlening worden weggenomen. Het is de ouders al eerder gelukt om met ondersteuning van hulpverlening positieve stappen te zetten. De raad ziet daarom mogelijkheden voor gezamenlijk gezag. Bovendien is tot op heden nog niet gebleken dat de kinderen last of lijdensdruk ervaren van het gezamenlijk gezag. De raad concludeert dat hoewel de situatie tussen de ouders kwetsbaar is, gezamenlijk gezag het uitgangspunt moet zijn. Gezamenlijk gezag is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat beide ouders dan over belangrijke kwesties mogen beslissen. De ouders moeten hierin een gelijkwaardige rol vervullen. Daarnaast is het belangrijk dat de vader, voor wat betreft de informatie over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , niet enkel afhankelijk is van de moeder. De raad is bezorgd dat wanneer de vader geen gezag heeft hij verder op de achtergrond zal raken, de breuk tussen hem en de kinderen nog definitiever wordt en dat de vader op termijn volledig uit het leven van de kinderen zal verdwijnen.
De raad adviseert het hof om een eindbeslissing over het gezag te nemen. Binnen het kader van de ondertoezichtstelling wordt hulpverlening voor de ouders ingezet. Deze hulpverlening kan worden bemoeilijkt wanneer er door het hof nog niet over het gezag is beslist.
De GI heeft opgemerkt dat zij bij gezamenlijk gezag meer mogelijkheden heeft om tot contactherstel tussen de vader en de kinderen te komen. De GI kan de vader dan bijvoorbeeld een schriftelijke aanwijzing geven. De procedure over het gezag kan ook de nog door de GI op te starten hulpverlening in de weg staan. Voor bepaalde hulpverleningstrajecten vormt een gerechtelijke procedure (over het gezag) een contra-indicatie.
De motivering van de beslissing
Het hof overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken.
Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat sprake is van de in artikel 1:253c lid 2 BW genoemde uitzonderingsgevallen. Hoewel de raad in het onderzoek heeft geconstateerd dat er ook belemmeringen aanwezig zijn voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag door partijen, zijn die belemmeringen – naar het oordeel van het hof – niet van zodanige aard dat het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag alsnog dient te worden afgewezen. Met de raad ziet het hof namelijk, naast belemmeringen, ook mogelijkheden voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag door partijen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vader, sinds sprake is van gezamenlijk gezag, geen gezagsbeslissingen van de moeder als verzorgende ouder heeft geblokkeerd, zodat van een niet-werkbare situatie voor de moeder als verzorgende ouder in deze zaak niet is gebleken. Dat de onderlinge verhouding tussen partijen verstoord is en dat sprake is van onderling wantrouwen, is onvoldoende om die conclusie te rechtvaardigen. Gebleken is dat er in ieder geval sprake is van een minimale communicatie tussen partijen per e-mail. Daarbij komt dat er sinds 22 juli 2025 sprake is van een ondertoezichtstelling van de kinderen. De door de raad geconstateerde belemmeringen voor de uitoefening van gezamenlijk gezag kunnen met de inzet van hulpverlening binnen het gedwongen kader mogelijk nog weg worden genomen. Het hof betrekt hierbij dat in het verleden partijen ook in staat zijn gebleken om met hulpverlening stappen te zetten. Dit maakt dat thans geen sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen door het gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders zonder zicht op verbetering. Evenmin is gebleken dat eenhoofdig gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Het hof verwacht van beide ouders dat zij in het kader van de nog op te starten hulpverlening de verantwoordelijkheid zullen nemen en de inzet zullen tonen die passend is bij de uitoefening van het gezamenlijk gezag.
Uit het voorgaande volgt dat het hof zich voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen en geen aanleiding ziet om de beslissing nog langer aan te houden. Daarbij komt dat hiermee wordt voorkomen dat de nog in te zetten hulpverlening binnen het kader van de ondertoezichtstelling stagneert.
De slotsom
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 mei 2024, voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het Centraal Gezagsregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de GI om uiterlijk 2 april 2026 het hof schriftelijk te informeren en te rapporteren over de genomen stappen om te komen tot contactherstel tussen de vader en de kinderen en de onderlinge verhouding tussen partijen te verbeteren en de resultaten hiervan;
stelt partijen en de raad in de gelegenheid om uiterlijk binnen twee weken schriftelijk te reageren op genoemde rapportage van de GI;
houdt iedere verdere beslissing omtrent de zorgregeling tussen de vader en de kinderen aan voor de duur van zes maanden, derhalve tot 16 april 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en E.J.M. van Engelen en is in het openbaar uitgesproken door mr. A.M. Bossink op 16 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.