Personen- en familierecht
Hof houdt geen rekening met de morele onderhoudsplicht die man voelt tegenover de kinderen van zijn partner…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 oktober 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2922 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-2922
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2025
- Datum publicatie
- 24 oktober 2025
- Zaaknummer
- 200.353.834_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2922
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hof houdt geen rekening met de morele onderhoudsplicht die man voelt tegenover de kinderen van zijn partner die in een co-ouderschapsvorm tot zijn gezin behoren; man is niet getrouwd met de moeder van deze kinderen en er is een tekort aan draagkracht.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.353.834/01
zaaknummer rechtbank : C/03/332275 FA RK 24-2187
beschikking van de meervoudige kamer van 23 oktober 2025
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.W.M. van Doorn,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R.P.F. Rober.
In het kort
De man is het niet eens met de hoogte van de gewijzigde kinderalimentatie die de rechtbank ten behoeve van de 14-jarige [minderjarige 1] en de 11-jarige [minderjarige 2] heeft vastgesteld en de vrouw is het niet eens met de ingangsdatum van deze wijziging.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 21 januari 2025 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De man is op 17 april 2025 in hoger beroep gekomen van de hiervoor voornoemde beschikking van de rechtbank.
De vrouw heeft op 28 mei 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De man heeft op 31 juli 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 13 januari 2025;
-
het V-formulier met bijlagen van 16 juli 2025 van mr. Rober;
-
het V-formulier met bijlagen van 6 september 2025 van mr. Van Doorn, ingekomen op 8 september 2025.
Op maandag 8 september 2025 is bij het hof ingekomen het V-formulier van 6 september 2025 (zaterdag) van mr. Van Doorn met bijlagen.
Op de mondelinge behandeling van 9 september 2025 heeft mr. Rober bezwaar gemaakt tegen kennisneming van het V-formulier van 6 september 20025 van mr. Van Doorn van in totaal 48 pagina’s met financiële stukken en draagkrachtberekeningen, omdat ze te laat zijn ingediend en hij zich niet voldoende heeft kunnen voorbereiden, hetgeen in strijd is met de goede procesorde.
Het hof heeft de zitting kort geschorst voor overleg en daarna op de mondelinge behandeling beslist dat op deze stukken geen acht wordt geslagen, omdat deze zonder noodzaak pas één dag voor de mondelinge behandeling zijn overgelegd, de stukken bovendien niet eenvoudig te doorgronden zijn en de tegenpartij zich in redelijkheid onvoldoende heeft kunnen voorbereiden om hierop te kunnen reageren.
De mondelinge behandeling heeft op 9 september 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3 De feiten
Partijen zijn de ouders van:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij vrouw en hebben geen contact met de man.
Als het hof het in deze beschikking heeft over ‘de kinderen’, bedoelt het hof [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De man heeft nu een relatie met mevrouw [partner] (hierna: [partner] ). Zij zijn samen de ouders van:
-
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2021;
-
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2023;
-
[minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] 2024.
Het hof duidt deze kinderen als ‘kinderen [de man] - [partner] .’
Verder heeft [partner] nog drie kinderen uit een eerdere relatie met [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) die in de vorm van een week-op-week-af regeling de helft van de tijd in het gezin van de man en [partner] verblijven. Dit zijn:
-
[minderjarige 6] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
-
[minderjarige 7] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] en
-
[minderjarige 8] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .
Ofwel: de ‘kinderen [betrokkene] - [partner] ’.
Bij beschikking van 24 februari 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: de kinderalimentatie) aan de vrouw een bedrag dient te betalen van € 50,- per maand met ingang van 1 maart 2022.
De vrouw heeft de rechtbank verzocht om, kort gezegd, een verhoging van de kinderalimentatie naar € 200,- per kind per maand met ingang van 1 oktober 2023.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de hiervoor genoemde beschikking 24 februari 2023, de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen als volgt gewijzigd:
-
met ingang van 5 februari 2024 op € 200,- per kind per maand;
-
met ingang van 1 januari 2025 op € 213,- per kind per maand, waarbij de man de kinderalimentatie voor wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de
eerste van de maand vooraf moet betalen;.
4 De omvang van het geschil
De grieven van de man zien op zijn draagkracht. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zoals op de mondelinge behandeling aangevuld, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de kinderen van partijen opnieuw wordt vastgesteld op:
-
€ 134,- per kind per maand in de periode van 5 februari 2024 tot [geboortedatum] 2024;
-
€ 111,66, per kind per maand in de periode van [geboortedatum] 2024 tot 1 januari 2025;
-
€ 119,33 per kind per maand met ingang van 1 januari 2025.
met veroordeling van de vrouw om aan de man terug te betalen het alsdan door de man teveel betaalde bedrag, berekend over de periode van (naar het hof begrijpt) 5 februari 2024 tot aan de datum waarop het hof een beschikking geeft.
De grief van de vrouw keert zich tegen de ingangsdatum. Ze verzoekt het hof, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de ingangsdatum van 5 februari 2024 betreft en, opnieuw rechtdoende, te bepalen, eventueel onder aanvulling of verbetering van de gronden van deze beschikking, dat – kort gezegd – de ingangsdatum van de door de rechtbank gewijzigde kinderalimentatie wordt vastgesteld op 1 oktober 2023.
De man heeft vervolgens verzocht om het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het de ingangsdatum betreft.
5 De motivering van de beslissing
Uit de stukken, zoals bevestigd op de mondelinge behandeling, zijn partijen het eens over de volgende uitgangspunten:
-
dat er in de financiële situatie van de man sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die noopt tot een herbeoordeling van zijn draagkracht;
-
dat de totale behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2024 € 958,- per maand bedraagt (€ 479,- per kind per maand);
-
dat de draagkracht van de man gelijkelijk dient te worden verdeeld over al zijn biologische kinderen, met dien verstande dat de man wenst dat in de berekening een ‘billijkheidscorrectie’ wordt toegepast door met één extra kind rekening te houden vanwege de zorg voor en het verblijf van de kinderen [betrokkene] - [partner] in zijn gezin;
-
dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met zorgkorting;
-
dat de draagkracht van de vrouw € 241,- per maand bedraagt in de periode van 5 februari 2024 tot [geboortedatum] 2024 en € 274,- per maand met ingang van [geboortedatum] 2024.
Het hof zal nu de grieven van partijen beoordelen, te beginnen met de ingangsdatum (5.3.) en daarna de draagkracht van de man en de grieven die daarmee samenhangen (5.4.)
Ingangsdatum
De vrouw voert aan dat zij al in haar verzoekschrift aan de rechtbank had verzocht om de ingangsdatum te bepalen op 1 oktober 2023, omdat vanaf dat moment het inkomen van de man is gestegen en de man de vrouw hierover niet tijdig heeft geïnformeerd.
De man is het eens met de ingangsdatum van de rechtbank: 5 februari 2024.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de ingangsdatum dient te worden vastgesteld op 5 februari 2024, omdat de advocaat van de vrouw op die dag bij de man om informatie heeft verzocht over zijn gewijzigde financiële situatie. Redelijkerwijs kon de man vanaf dat moment rekening kunnen houden met een wijziging van de kinderalimentatie. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, ziet het hof onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Hiermee faalt het de grief van de vrouw, zodat het incidenteel hoger beroep dient te worden afgewezen.
Draagkracht van de man
De man richt in zijn hoger beroepschrift vier grieven die betrekking hebben op zijn draagkracht. Het hof gaat net als de rechtbank uit van een bruto maandinkomen van € 3.588,- in de periode van 5 februari 2024 tot [geboortedatum] 2024 en met ingang van [geboortedatum] 2024 van een bruto maandinkomen van € 3.881,-.
? Grief 3 – Arbeidsmarkttoelage
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte voormeld basisinkomen heeft verhoogd met een arbeidsmarkttoelage van € 217,- bruto per maand. Dit betreft een incidentele looncomponent waarvan de werkgever inmiddels heeft bevestigd dat deze toelage per januari 2025 is stopgezet vanwege nieuwe richtlijnen vanuit het Ministerie. Het is twee jaar niet mogelijk om deze toelage te krijgen, omdat er van de Nederlandse Staat een periode tussen moet zitten. Daarna kan de school zich opnieuw inschrijven, maar het is niet duidelijk of de toelage dan wordt verstrekt. Vanaf 1 januari 2025 dient met de arbeidsmarkttoelage dus geen rekening meer te worden gehouden, aldus de man.
De vrouw verweert zich en stelt dat de motivatie van de man ontoereikend is en dat het
e-mailbericht van zijn werkgever van 21 januari 2025 aan duidelijkheid te wensen overlaat hoe het nu precies zit voor de jaargang 2025 en verder.
Het hof is van oordeel dat de man door overlegging van het e-mailbericht van zijn werkgever ‘ [werkgever] ’ van 21 januari 2025 heeft aangetoond dat hij de arbeidsmarkttoelage met ingang van 1 januari 2025 niet meer ontvangt en dat het niet duidelijk is of en wanneer de (school van de) man hier opnieuw voor in aanmerking komt. Het hof zal daarom in de periode van 5 februari 2024 tot 1 januari 2025 wel rekening houden met deze toelage, maar met ingang van 1 januari 2025 niet meer. Hiermee slaagt grief 3.
? Grief 1: Inkomensafhankelijke combinatiekorting
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft rekening heeft gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. [partner] heeft inderdaad een lager inkomen (WIA-uitkering) dan de man, maar dat valt niet onder de definitie van “arbeidsinkomen.” Ook uit de gezamenlijke aangiftes van de man en [partner] over de jaren 2023 en 2024 kan worden afgeleid dat zij geen recht hebben op inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als ze er wel recht op zouden hebben, zou bovendien niet de man, maar [partner] deze korting krijgen.
De vrouw verweert zich en stelt dat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting zoals dat uit de wet voortvloeit.
Het hof is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij (in ieder geval vanaf de ingangsdatum) geen recht meer heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat hij en [partner] niet aan de voorwaarden voldoen om hiervoor in aanmerking te komen: het inkomen van [partner] is immers geen inkomen uit arbeid. Hiermee slaagt grief 1.
Op grond van het vorenstaande ziet het hof aanleiding om de draagkrachtberekening van de man te verdelen over de volgende drie periodes vanwege de verschillende financiële omstandigheden die van invloed zijn op de beschikbare draagkracht van de man voor de kinderen van partijen:
|
Draagkracht man ook aanwenden voor [minderjarige 5] |
Inkomen man verhogen met arbeidsmarkttoelage ad € 217,- bruto per maand |
|
|
5 februari 2024 tot [geboortedatum] 2024 |
Nee |
Ja |
|
[geboortedatum] 2024 tot 1 januari 2025 |
Ja |
Ja |
|
Met ingang van 1 januari 2025 |
Ja |
Nee |
Rekening houdend met dezelfde financiële uitgangspunten van de rechtbank – die in hoger beroep niet in geschil zijn en die het hof overneemt uit de berekening van de rechtbank – becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de man in de volgende drie periodes op:
-
€ 3.230,- per maand in de periode van 5 februari 2024 tot [geboortedatum] 2024;
-
€ 3.388,- per maand in de periode van [geboortedatum] 2024 tot 1 januari 2025;
-
€ 3.288,- met ingang van 1 januari 2025.
? Grief 2: Woonbudget
De man voert aan dat de rechtbank terecht het forfaitaire woonbudget (30% van het netto besteedbaar inkomen per maand) heeft toegepast, maar daarin een rekenfout heeft gemaakt. Een NBI van respectievelijk € 3.476,- en € 3.634,- per maand resulteert namelijk in een woonbudget van € 1.042,80 en € 1.090,20 en niet in een woonbudget van € 679,- waar de rechtbank in beide periodes rekening mee heeft gehouden. De werkelijke woonlast van de man is zelfs hoger dan het forfait. De man wijst erop dat de vrouw in haar berekening aan de rechtbank wel heeft gerekend met een correct forfaitair woonbudget.
De vrouw brengt hier tegenin dat de rechtbank het standpunt van de vrouw – dat de draagkracht van de onderhoudsplichtige naar de behoeftige toe ontoereikend is en er daarom uitgegaan dient te worden van de reële woonlast – heeft gehonoreerd, hoewel dit niet direct is weergeven in de beschikking. Het lijkt erop alsof de rechtbank in de berekening het woonbudget heeft verlaagd met het aandeel van [partner] ,
Het hof is van oordeel dat het woonbudget van € 679,- per maand waar de rechtbank vanuit is gegaan (zie overgelegde berekening bij de bestreden beschikking) niet valt te rijmen met rechtsoverweging 3.8. van de bestreden beschikking waarin staat dat de rechtbank aan de uitgavenkant rekent met een “woonbudget van 30% van het NBI” en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Het bedrag van € 679,- correspondeert daar niet mee. Het hof ziet in het verweer van de vrouw geen aanleiding om van deze richtlijn van de landelijk geldende alimentatienormen af te wijken. Het hof zal daarom rekening houden met een forfaitair woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen dat hiervoor in rechtsoverweging 5.4.7. is berekend. Dit leidt tot een woonbudget van:
-
€ 969,- per maand in de periode van 5 februari 2024 tot [geboortedatum] 2024;
-
€ 1.016,- per maand in de periode van [geboortedatum] 2024 tot 1 januari 2025;
-
€ 986,- per maand met ingang van 1 januari 2025.
Hiermee slaagt grief 2.
? Grief 4 – Morele onderhoudsplicht van de man jegens kinderen [betrokkene] - [partner]
De man voert aan dat de kinderen [betrokkene] - [partner] de helft van de tijd in zijn gezin verblijven en dat een groot deel van de kosten voor deze kinderen op hem neerkomen. De man kan hier geen concrete bedragen aan verbinden, maar hij draagt grofweg één derde van de kosten van deze kinderen. Tussen [partner] en [betrokkene] is afgesproken dat ieder de eigen verblijfkosten draagt en dat alle verblijfsoverstijgende kosten naar rato worden verdeeld; ook hieraan zal de man in de praktijk dus zijn steentje dienen bij te dragen. Dat is geen juridische, maar wel een morele verplichting, omdat deze kinderen al jaren deel uitmaken van zijn gezin. Een redelijkheidscorrectie is daarom op zijn plaats.
De vrouw verweert zich en stelt dat deze grief zo onsamenhangend en onvolledig is dat deze afgewezen dient te worden. De man verzuimt namelijk een en ander rekenkundig in beeld te brengen en hij licht dit ook niet technisch toe. Verder biedt de wet geen grondslag hiervoor.
Het hof zal geen rekening houden met een aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen [betrokkene] - [partner] bij de verdeling van zijn draagkracht. Zoals de man zelf ook uiteenzet, is er bij hem geen sprake van een juridische onderhoudsverplichting richting deze kinderen, maar van een morele plicht. De wet bepaalt dat bloed- en aanverwanten gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud aan onder meer kinderen en stiefkinderen. Tot deze groep behoren niet de kinderen van [betrokkene] - [partner] . Daarnaast bepaalt de wet dat indien een verplichting bestaat tot het verstrekken van levensonderhoud aan twee of meer personen en de draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, kinderen, (stief)kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang hebben. Vaststaat dat er een tekort aan draagkracht bestaat. Het hof ziet dan ook geen reden rekening te houden met de door de man gevoelde morele plicht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen [betrokkene] - [partner] . Daartoe heeft de man geen nadere bijzondere omstandigheden gesteld.
Vaststelling van de kinderalimentatie
Op basis van de hiervoor uiteengezette uitgangspunten becijfert het hof de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de hand van de volgende formules waarbij het hof waar ‘0,3’ staat het woonbudget volgt zoals dat hiervoor in rechtsoverweging 5.4.9. is berekend.
-
Voor het jaar 2024: 70% van [NBI - (NBI x 0,3 + 1270)]
-
Voor het jaar 2025: 70% van [NBI - (NBI x 0,3 + 1.310)],
Toepassing van deze formules leidt tot de volgende alimentatie die het hof zal vastleggen.
- Periode van 5 februari 2024 tot [geboortedatum] 2024
70% van [NBI - (NBI x 0,3 + 1270)] leidt tot een beschikbare draagkracht van € 693,70 per maand, te verdelen over 4 kinderen, zodat € 173,- per kind per maand beschikbaar is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
o berekening: 70% van 991 [NBI 3230 - (969 + 1270)] = 693,70.
- Periode van [geboortedatum] 2024 tot 1 januari 2025
70% van [NBI - (NBI x 0,3 + 1270)] leidt tot een beschikbare draagkracht van € 771,40 per maand, te verdelen over 5 kinderen, zodat € 154,- per kind per maand beschikbaar is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
o berekening: 70% van 1102 [NBI 3388 - (1016 + 1270)] = 771,40
- Periode met ingang van 1 januari 2025
70% x [NBI – (NBI x 0,3 + 1.310)] leidt tot een beschikbare draagkracht van € 694,40 per maand te verdelen over 5 kinderen, zodat € 139,- per kind per maand beschikbaar is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
o berekening: 70% van 992 [NBI 3288 - (986 + 1310)] = 694,40
Terugbetalingsverplichting
Op de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard dat de man volledig ‘bij’ is met het betalen van de alimentatiebedragen die de rechtbank bij de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Omdat het hof de kinderalimentatie nu op een lager bedrag vaststelt dan de rechtbank heeft gedaan, betekent dit dat de vanaf de ingangsdatum (5 februari 2024) teveel kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw hetgeen zij van de man teveel heeft ontvangen aan kinderbijdrage, dient terug te betalen aan hem.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat de ontvangen kinderbijdrage is opgesoupeerd en dat zij niet over enig vermogen beschikt om hetgeen teveel is ontvangen terug te betalen aan de man. De vrouw heeft al een schuld op zich moeten nemen om te kunnen zorgdragen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Als de vrouw het teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie moet terugbetalen aan de man, ontstaat er voor haar weer een schuld.
Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de door haar ontvangen kinderbijdragen heeft besteed aan het doel waarvoor het was bestemd, zijnde om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Terugbetaling van de tot heden te veel ontvangen kinderalimentatie zal voor de vrouw zodanig ingrijpende financiële gevolgen hebben dat dit niet van haar kan worden gevergd.
Het hof is daarom van oordeel in deze zaak een dergelijke terugbetalingsverplichting in redelijkheid niet kan worden aanvaard. Dit betekent dat het verzoek van de man om terugbetaling wordt afgewezen.
6 De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en de kinderalimentatie vaststellen op de hiervoor genoemde bedragen.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage de uit die relatie geboren kinderen betreft.
Het hof heeft drie berekeningen van het netto besteedbaar inkomen van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
7 De beslissing
Het hof:
In het principaal hoger beroep van de man;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de kinderalimentatie betreft en, opnieuw rechtdoende,
wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 24 februari 2023 en bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011) en [minderjarige 2] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2015) dient te voldoen:
-
€ 173,- per kind per maand in de periode van 5 februari 2024 tot [geboortedatum] 2024;
-
€ 154,- per kind per maand in de periode van [geboortedatum] 2024 tot 1 januari 2025;
-
€ 139,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2025, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw niet gehouden is de door haar over de periode 5 februari 2024 tot aan de datum van deze beschikking teveel ontvangen alimentatie terug te betalen aan de man;
compenseert de proceskosten in hoger beroep zodat elke partij de eigen kosten draagt;
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
wijst het meer of anders verzochte af.
In het incidenteel hoger beroep van de vrouw;
wijst het hoger beroep af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, E.P. de Beij en M.I. Peereboom-van Drunick, bijgestaan door mr. D. van der Horst als griffier en is op 23 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.