Personen- en familierecht

Personen- en familierecht, kinderalimentatie, financiële vergoeding op basis van het Engelse recht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30 oktober 2025
Datum publicatie
30 oktober 2025
Zaaknummer
200.346.283_01 en 200.346.285_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
geen.
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3012
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Personen- en familierecht, kinderalimentatie, financiële vergoeding op basis van het Engelse recht

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 26 juni 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:4758
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 oktober 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2025:3012

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummers : 200.346.283/01 en 200.346.285/01

zaaknummer rechtbank : C/02/371834/ FA RK 20-2301

beschikking van de meervoudige kamer van 30 oktober 2025

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.M.A. Leijser te [plaats 1] ,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] (Groot-Brittannië),

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: geen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 26 juni 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 25 september 2024 in hoger beroep gekomen. Het beroepschrift bevat de producties 1 t/m 30.

2.2.

De man heeft geen verweerschrift ingediend. De advocaat van de man in eerste aanleg heeft zich bij bericht van 1 oktober 2024 onttrokken.

2.3.

Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 12 september 2025 met producties 31 t/m 42.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 24 september 2025 plaatsgevonden.

2.4.1.

De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat mr. E.M.A. Leijser.

2.4.2.

De man heeft op 13 juli 2025 per e-mail het hof bericht dat hij niet op de mondelinge behandeling zal verschijnen vanwege gebrek aan middelen om naar Nederland af te reizen, alsook vanwege gezondheidsproblemen van zijn moeder. Het hof heeft hierop de man in de gelegenheid gesteld om de mondelinge behandeling via videoverbinding (CMS) bij te wonen. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Tijdens de duur van de mondelinge behandeling was de videoverbinding ingeschakeld. De man is echter zonder bericht van verhindering niet in de CMS ruimte verschenen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover de vrouw daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  1. partijen zijn op 15 januari 2011 gehuwd te [plaats 2] (Groot-Brittannië);

  2. tijdens hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

  • [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2017, en

  • [kind 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2019, (hierna ook: de kinderen);

op 6 mei 2020 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarop is bij de bestreden beschikking van 26 juni 2024 de echtscheiding uitgesproken;

de echtscheidingsbeschikking is op 7 oktober 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende beslist:

“(…)

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarigen

1. [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2017,

2. [kind 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2019,

voortaan aan de vrouw alleen toekomt;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.”

4.2.

De vrouw verzoekt het hof:

“(…) om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

I. Het beroep gegrond te verklaren;

II. De beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 juni 2024 (…) deels te vernietigen ten aanzien van het afwijzen van het meer of anders verzochte (met uitzondering van de partneralimentatie en opnieuw rechtdoende de inleidende verzoeken onder V en VII toe te wijzen in die zin dat de man aan de vrouw een bedrag van € 17.181,46 te voldoen.”

4.3.

De man heeft geen verweer gevoerd.

4.4.

De vrouw heeft in hoger beroep twee grieven gericht tegen de bestreden beschikking. Haar grieven zien op de volgende onderwerpen:

  • kinderalimentatie (grief 1);

  • financiële verzoeken (grief 2).

4.5.

Het hof zal de grieven hierna per onderwerp bespreken. Alvorens daartoe over te gaan, zal het hof eerst ingaan op de internationale aspecten van deze zaak.

5 De motivering van de beslissing

Internationale aspecten

5.1.

De zaak heeft internationale aspecten omdat de man de Britse nationaliteit heeft (de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit).

Kinderalimentatie

5.2.

Krachtens art. 3, aanhef en sub c, van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast op het alimentatieverzoek. Nu daartegen geen grieven zijn gericht, zal ook het hof Nederlands recht toepassen (zie HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).

Afwikkeling huwelijk

5.3.

Omdat het verzoekschrift van de vrouw is ingediend na 29 januari 2019 (namelijk op 6 mei 2020), wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van de verzoeken kennis te nemen, bepaald aan de hand van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (HuwVermVo). Aangezien de bevoegdheid van de Nederlandse rechter inzake de echtscheiding volgt uit het bepaalde in art. 3 lid 1 sub a tweede streepje Brussel II-bis (partijen hebben hun laatste gewone verblijfplaats in Nederland gehad en de vrouw verblijft nog altijd in Nederland en deze bepaling voor Britse staatsburgers in 2020 nog van kracht was) brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak op grond van art. 5 lid 1 HuwVermVo ook rechtsmacht mee met betrekking tot het verdelingsverzoek.

5.4.

De rechtbank heeft Engels recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200 en HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1093) ook het hof Engels recht zal toepassen.

De grieven

Kinderalimentatie (grief 1)

5.5.

De vrouw heeft aan de rechtbank verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen van € 271,25 per maand per kind, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift. Dat verzoek is afgewezen. De rechtbank heeft daartoe in het eerste onderdeel van rov. 2.26 het volgende overwogen:

“De rechtbank heeft geconstateerd - en tijdens de mondelinge behandeling aan (de advocaten van) partijen voorgehouden - dat behoudens één jaarpopgave van de man zich in het dossier geen financiële stukken bevinden. De vrouw heeft noch bij het door haar op 6 mei 2020 ingediende verzoekschrift, noch in een later stadium van de procedure, bijvoorbeeld in de aanloop naar de mondelinge behandeling van 4 juni 2024, financiële documenten in het geding gebracht waar haar verzoeken en standpunten op steunen. Het leidt tot de conclusie dat de rechtbank de gegrondheid van de verzochte kinder- en partneralimentatie niet kan onderzoeken.”

Hiertegen keert zich grief 1. De vrouw verzoekt het hof in hoger beroep alsnog haar inleidend verzoek toe te wijzen en te bepalen dat:

“De man met ingang van datum indiening verzoekschrift, dan wel een andere datum (…), voor de bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 1] en [kind 2] , zal betalen een bedrag van € 271,25 (€ 317,--, hof) per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen.”

5.6.

Ter toelichting op haar grief voert zij aan dat zij ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg in een safehouse verbleef. Hierdoor had zij geen toegang tot haar financiële gegevens. In verband met mogelijke eerwraak lag na het aanbrengen van de zaak de focus vooral op de zorg voor haar veiligheid en die van de kinderen. Nadat de man in 2023 het besluit had genomen om niet meer in beeld te zijn voor de kinderen, kwam de focus te liggen op de financiële afwikkeling van de echtscheiding. De vrouw had de hoop om met de man tot een regeling te komen. Het is echter uiterst moeilijk gebleken om met de man in contact te komen.

5.7.

Het hof stelt vast dat de vrouw in hoger beroep wél enige financiële documenten in het geding heeft gebracht voor wat betreft haar verzoek tot een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Dit leidt ertoe dat het hof de door de vrouw verzochte kinderalimentatie alsnog zal beoordelen.

Ingangsdatum

5.8.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

5.9.

Het hof hanteert als ingangsdatum 25 september 2024, zijnde de datum van indiening van het beroepschrift. De vrouw heeft weliswaar verzocht om als ingangsdatum de datum van het inleidend verzoekschrift te hanteren, dan wel subsidiair - zo heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd - de datum van de beschikking van de rechtbank, maar het hof is van oordeel dat de man niet eerder dan vanaf de datum van indiening van het beroepschrift rekening heeft kunnen en moeten houden met een aanspraak van de vrouw op kinderalimentatie. Daartoe overweegt het hof dat de vrouw niet eerder dan in hoger beroep financiële documenten in het geding heeft gebracht waar haar verzoeken en standpunten op kunnen steunen.

Behoefte

5.10.

Uitgaande van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2019, het jaar waarin partijen voor het laatst hebben samengeleefd, heeft de vrouw de behoefte van de kinderen in 2020 berekend op € 785,-- per maand. In eerste aanleg heeft de man de behoefte van de kinderen in 2020 becijferd op € 713,-- per maand. Gelet op het geringe verschil tussen beide bedragen, zal het hof uitgegaan van het gemiddelde hiervan. Aldus stelt het hof de behoefte van de kinderen vast op een bedrag van € 749,-- per maand. Nu de ingangsdatum van de kinderalimentatie 25 september 2024 is, zal het hof de behoefte van de kinderen indexeren naar 1 januari 2024. Alsdan bedraagt de behoefte van de kinderen in totaal

€ 863,-- per maand, zijnde € 431,50 per kind per maand.

Draagkracht

5.11.

Bij het bepalen van het eigen aandeel van partijen in de kosten van de kinderen, dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken.

- Draagkracht vrouw

5.12.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw haar netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Het hof gaat daarbij uit van de volgende gegevens.

5.13.

De vrouw is voor 32 uur per week werkzaam als coach bij [naam] BV . Blijkens de door haar overgelegde salarisspecificatie (productie 41) bedraagt haar brutosalaris (€ 3.019,20 + € 1.097,21=) € 4.116,41 per maand.

Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen voor de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting; en

- het kindgebonden budget.

Met inachtneming van het voorgaande becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw voor de kinderalimentatie op € 4.170,-- per maand, hetgeen leidt tot een beschikbare draagkracht van (70% van [4.170 - (0,3 x 4.170 + 1.310)] =) € 1.126,-- per maand.

- Draagkracht man

5.14.

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man een netto besteedbaar inkomen heeft van € 3.000,-- per maand. Dit leidt aan de zijde van de man tot een beschikbare draagkracht van (70% van [3.000 - (0,3 x 3.000 + 1.310)] =) € 553,-- per maand.

- Draagkrachtvergelijking

5.15.1.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.679,--. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen, die in 2024 in totaal € 863,-- per maand bedraagt, te voorzien, zodat het hof een draagkrachtvergelijking zal maken.

5.15.2.

De draagkracht van de onderhoudsplichtigen vergeleken, dient:

 de vrouw 1.126/1.679 x € 863,-- = € 578,76

en dient:

 de man 553/1.679 x € 863,-- = € 284,24

aan te wenden voor een bijdrage in het eigen aandeel van de kosten van de kinderen.

- Zorgkorting

5.16.

Gebleken is dat er tussen de man en de kinderen geen omgang plaatsvindt en dat niet te verwachten is dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding rekening te houden met een zorgkorting aan de zijde van de man.

Slotsom

5.17.

Het voorgaande brengt met zich dat het hof de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 25 september 2024 zal vaststellen op een bedrag van € 142,12 per kind per maand. In verband met de wettelijke indexering bedraagt de bijdrage met ingang van 1 januari 2025 € 151,36 per kind per maand.

Financiële vergoedingen (grief 2)

De woning aan de [adres] te [woonplaats 1]

5.18.

De vrouw verzoekt met het eerste onderdeel van haar grief het hof te bepalen dat de man op grond van het Engelse recht ter zake zijn aandeel in de woning aan de [adres] te [woonplaats 1] (hierna: de woning) aan haar een bedrag van € 9.000,-- moet voldoen.

Zij stelt dat voor het aandeel van de man in de woning sprake is van ‘matrimonial property’. Daartoe voert zij aan dat zij in 2018 bij de aankoop van de woning door de man en haar broer uit eigen middelen de nota van afrekening van de notaris van € 10.428,12 heeft voldaan. Daarnaast heeft zij met haar spaargeld diverse renovatiewerkzaamheden aan de woning betaald, waaronder de vernieuwing van het toilet, de voor- en achtertuin, de keuken, het aanbrengen van vloerverwarming en het leggen van nieuwe vloertegels. De vrouw begroot de totale investering op een bedrag van € 18.000,--. De man dient hiervan de helft aan de vrouw te voldoen.

5.19.

Het hof overweegt als volgt.

5.19.1.

In het Engelse recht geldt als wettelijk systeem, neergelegd in wetgeving en ontwikkeld in de rechtspraak, de scheiding van goederen. De scheiding van goederen sluit overigens niet uit dat er gemeenschappelijk vermogen (joint property) ontstaat. Bij echtscheiding heeft de rechter op grond van de Matrimonial Causes Act (hierna: MCA) een ruime discretionaire bevoegdheid bij het nemen van maatregelen betreffende de vermogens van de echtgenoten. De rechter is daarbij niet gebonden aan eigendomstitels en, ondanks het stelsel van scheiding van goederen, vindt er financiële afrekening plaats (ancillary relief), waarbij iedere financiële betrekking tussen de echtgenoten aan de orde komt, zowel alimentatie als huwelijksvermogensrecht. Section 25 MCA bevat een opsomming van ‘aangelegenheden waarmee de rechter rekening moet houden bij het beslissen hoe haar bevoegdheden uit te oefenen’. Deze zijn uitgewerkt in de Engelse rechtspraak. Blijkens de uitspraak in White vs White ([2000]2FLR 981) dienen alle genomen maatregelen ‘redelijk en billijk’ te zijn en moet in beginsel van een gelijke verdeling van vermogen en inkomen worden uitgegaan. Slechts als er goede redenen zijn om hiervan af te wijken, dient dit uitgangspunt niet te worden toegepast. Het beginsel van een ‘redelijke en eerlijke’ afwikkeling moet worden ingevuld aan de hand van drie criteria, te weten (a) behoefte, (b) compensatie en (c) gelijke verdeling.

5.19.2.

Vastgesteld kan worden dat de vrouw in 2018 bij de aankoop van de woning door de man en haar broer uit eigen middelen de nota van afrekening van de notaris van € 10.428,12 heeft betaald, alsook dat zij diverse renovatiekosten van de woning heeft voldaan. Het hof verwijst daarvoor naar de door de vrouw in hoger beroep overgelegde bankafschriften (producties 31 t/m 39) waaruit dit blijkt. Nu de vrouw geen eigenaar is van de woning en zij derhalve geen aanspraak kan maken op (een deel van) de waarde daarvan, acht het hof, met inachtneming van hetgeen hiervoor in rov. 5.19.1 is overwogen ter zake de Engelse rechtspraak, het ‘redelijk en eerlijk’ dat de vrouw hiervoor wordt gecompenseerd. Het hof zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen als verzocht en bepalen dat de man ter zake de door de vrouw betaalde (renovatie)kosten van de woning aan de vrouw een bedrag van € 9.000,-- moet voldoen.

De Audi A6

5.20.

Met het tweede onderdeel van haar grief verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de man op grond van het Engelse recht ter zake van de Audi A6 aan haar een bedrag van € 7.181,46 moet voldoen. Zij stelt dat zij gerechtigd is in de eigendom van de Audi A6 van de man nu zij van de koopsom van 10.000 pond uit eigen middelen een bedrag van 6.000 pond heeft voldaan. De vrouw maakt daarom aanspraak op de man van een bedrag van € 7.181,46.

5.21.

Het hof wijs dit verzoek af. Daartoe overweegt het hof dat de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Het had op haar weg gelegen stukken in het geding te brengen waaruit de door haar geschetste gang van zaken blijkt. Nu zij dit heeft nagelaten, dient dat voor haar eigen rekening en risico te komen.

De inboedel

5.22.

Met het derde onderdeel van haar grief verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de man op grond van het Engelse recht ter zake van de inboedel aan haar een bedrag van € 1.000,-- moet voldoen.

Zij stelt dat ten aanzien van de inboedel sprake is van ‘matrimonial property’. Daartoe voert zij aan dat de inboedel gezamenlijk door partijen is aangeschaft. Bij terugkeer van de vrouw en de kinderen uit het safehouse, bleek dat de man de woning had leeggehaald. Alleen enkele kledingkasten bevonden zich nog in de woning. Via familieleden heeft de vrouw vernomen dat de man een deel van de inboedel heeft meegenomen naar Engeland en een deel heeft verkocht. De vrouw schat de waarde van de inboedel op een bedrag van € 2.000,--. Op grond van de ‘redelijkheid en eerlijkheid’ dient de man aan de vrouw een bedrag van € 1.000,-- te voldoen.

5.23.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 5.19.1 hiervóór, is het hof van oordeel dat het ‘redelijk en eerlijk’ is dat de vrouw ter zake de inboedel door de man wordt gecompenseerd. Daartoe overweegt het hof dat door de vrouw onweersproken is gesteld dat zij van de gemeente [gemeente] een financiële tegemoetkoming heeft gekregen voor het herinrichten van haar woning. Hieruit leidt het hof de juistheid af van de stelling van de vrouw dat de man vrijwel de gehele inboedel heeft meegenomen. Het door de vrouw ter compensatie verzochte bedrag van € 1.000,-- komt het hof ‘redelijk en eerlijk’ voor, zodat het hof aldus zal bepalen.

6 De slotsom

in het hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen zoals hierna in het dictum is bepaald.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 26 juni 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 25 september 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

  • [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2017, en

  • [kind 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2019,

€ 142,12 per kind per maand zal betalen en met ingang van 1 januari 2025 € 151,36 per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man ter zake zijn aandeel in de woning aan de [adres] te [woonplaats 1] een bedrag van € 9.000,-- aan de vrouw moet voldoen (rov. 5.19.2);

bepaalt dat de man ter zake de inboedel een bedrag van € 1.000,-- aan de vrouw moet voldoen (rov. 5.23);

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en R.W.J. van Veen, en is op 30 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.