Personen- en familierecht
Bekrachtiging afwijzing verzoek om toekennen gezamenlijk ouderlijk gezag en afwijzing verzoek tot het…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3091 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 6 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-3091
Zaakgegevens
Op 6 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 6 november 2025
- Datum publicatie
- 6 november 2025
- Zaaknummer
- 200.353.454_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.H.J.M. Stassen, mr. S. de Block
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3091
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bekrachtiging afwijzing verzoek om toekennen gezamenlijk ouderlijk gezag en afwijzing verzoek tot het vastleggen van een omgangsregeling.
Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 6 november 2025
Zaaknummer: 200.353.454/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/300141 FA / RK 21-5021
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S. de Block.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
- [kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2009,
hierna te noemen: [kind 1] ;
-
[kind 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2011, hierna te noemen: [kind 2] ;
-
[kind 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 3] 2014, hierna te noemen: [kind 3] ;
-
[kind 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 4] 2015, hierna te
noemen: [kind 4] .
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 10 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 april 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vader en de moeder gezamenlijk zullen worden belast met het ouderlijk gezag over de kinderen, alsmede een verdeling van de zorg- en opvoedtaken dan wel een omgangsregeling aangaande de kinderen te bepalen van eenmaal per veertien dagen, aanvangend op vrijdag na school en eindigend op zondag 18.00 / 19.00 uur.
Kosten rechtens.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 6 juni 2025, heeft de moeder verzocht de vader het door hem verzochte te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Stassen;
-de moeder, bijgestaan door mr. L.Z. Hamid als waarnemer voor mr. De Block;
- [vertegenwoordiger raad] namens de raad.
Het hof heeft [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.
Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en hebben ieder een brief aan het hof gestuurd. Deze brieven zijn op de griffie ingekomen op 2 oktober 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brieven voorgelezen, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader ingediend op 17 april 2025;
- brief van de advocaat van de vader ingediend op 1 mei 2025 met als bijlage het raadsrapport van 30 september 2024;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 februari 2023;
- V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader ingediend op 7 juli 2025;
- V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder ingediend op 8 oktober 2025.
3 De beoordeling
De feiten
De vader en de moeder hebben twaalf jaar een affectieve relatie met elkaar gehad, welke relatie medio 2020 is geëindigd. Zij zijn de ouders van [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] .
De vader heeft de kinderen erkend. De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
Nadat de relatie van de ouders is geëindigd zijn de oudste twee kinderen [kind 1] en [kind 2] in eerste instantie bij de vader gaan wonen en de jongste twee kinderen [kind 3] en [kind 4] bij de moeder. Er is toen regelmatig contact geweest tussen de kinderen en de andere ouder. Sinds april 2022 wonen alle vier de kinderen bij de moeder.
De vader heeft bij inleidend verzoekschrift, ingediend op 21 december 2021, samengevat en voor zover thans van belang, verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de kinderen en hem samen met de moeder met het ouderlijk gezag over de kinderen te belasten.
Bij beschikking van 11 februari 2022 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, een raadsonderzoek gelast en de raad verzocht te rapporteren en te adviseren over onder meer de gezagssituatie, de hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming school en de contactregeling.
Bij beschikking van 15 maart 2023 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de verzoeken van de vader met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de vervangende toestemming school afgewezen en een voorlopige omgangsregeling (BOR 2-traject) bepaald. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht de eindrapportage van de jeugdhulpaanbieder omtrent het BOR-traject bij de rechtbank in te dienen en voorts de raad opdracht gegeven nader advies uit te brengen over de vraag welke gezagssituatie en contactregeling in het belang van de kinderen is, naar aanleiding van het eindrapport van de BOR-instantie. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de rapportage van de raad.
In het raadsrapport van 30 september 2024 adviseert de raad om het eenhoofdig gezag niet te wijzigen in gezamenlijk ouderlijk gezag en om geen omgang tussen de vader en de kinderen te bepalen.
De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank afgewezen het verzoek van de vader om samen met de moeder met het ouderlijk gezag over de kinderen te worden belast, en ook het verzoek van de vader tot het vastleggen van een omgangsregeling.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
De vader voert in het beroepschrift zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling ‑ samengevat - het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte geen gehoor gegeven aan het verzoek van de vader om een nieuwe mondelinge behandeling (na de aanhouding). De vader wilde aan de rechtbank duidelijk maken dat de begeleide omgang via [zorginstantie] in zijn ogen niet op een onafhankelijke en onbevangen wijze is verlopen. De betreffende begeleidster was zelf ook verwikkeld in een echtscheidingsprocedure en had sympathie voor de moeder. De vader is ervan overtuigd dat indien een andere persoon betrokken was geweest bij de begeleide omgang, het BORtraject wel zou zijn geslaagd.
De vader bestrijdt dat er sprake is van een slechte verstandhouding tussen de vader en de moeder. De ouders zijn in staat om in het kader van de gezamenlijke gezagsuitoefening afspraken te maken en overleg met elkaar over de kinderen te hebben. Het klem- of verlorencriterium speelt niet. En zelfs als dat wél het geval zou zijn, behoeft het verzoek van de vader over het gezag niet te worden afgewezen. Volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:533) heeft de rechter dan evengoed de ruimte om het gezamenlijk gezag in stand te laten of toe te kennen. De vader is als niet-verzorgende ouder bereid om zich (zeer) terughoudend op te stellen ten aanzien van het gezamenlijk nemen van belangrijke beslissingen in het leven van de kinderen. Er is dan geen risico dat de kinderen klem komen te zitten.
De rechtbank heeft in haar overweging om de vader niet mede met het gezag te belasten meegewogen dat de vader niet heeft meegewerkt aan het raadsonderzoek. Dit is onjuist; de vader heeft zijn medewerking aan het raadsonderzoek noodgedwongen moeten afbreken vanwege het overlijden van zijn oma op [overlijdensdatum] 2024.
De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom omgang van de vader met de kinderen ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen. De vader betwist dat hij zijn ideologieën aan de kinderen zou willen opdringen. Uit het raadsrapport blijkt dat er bij de kinderen sprake is van toenemende weerstand tegen omgang met de vader. Het valt niet uit te sluiten dat de moeder bewust of onbewust de oorzaak hiervan is. Het is aan de moeder om de kinderen te stimuleren goed contact met de vader te hebben. De vader ontkent dat hij afspraken niet zou nakomen. De vader herkent zich ook niet in de stelling dat de kinderen slechte herinneringen aan de vader zouden hebben. De vader heeft tot eind 2020 op een gelukkige wijze in gezinsverband met de moeder samengewoond. Nadat de relatie eindigde zijn de oudste twee kinderen bij de vader blijven wonen tot april 2022 en vond er met de jongste twee kinderen op regelmatige basis omgang plaats.
Tot slot merkt de vader op dat hij er een regelmatig leven op nahoudt. Hij woont al veertien jaar in dezelfde woning, heeft geen schulden en is nooit in aanraking gekomen met politie of justitie. Hij gebruikt ook geen alcohol of drugs. Het feit dat zijn verzoek om een omgangsregeling is afgewezen, is niet in het belang van de kinderen en heeft ingrijpende gevolgen voor de vader.
De moeder voert in het verweerschrift zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan.
Het standpunt van de vader dat de begeleidster van [zorginstantie] niet onafhankelijk was en dat om die reden het BOR-traject niet is geslaagd, is voor de moeder onnavolgbaar. De vader heeft de bezwaren tegen de begeleidster nooit kenbaar gemaakt, niet bij [zorginstantie] en ook niet bij de raad. De moeder heeft nooit iets gehoord over de persoonlijke omstandigheden van de begeleidster en zij bestrijdt dat de begeleidster zich hierdoor liet beïnvloeden. Bovendien is de geschiktheid van de begeleiding en het niet slagen van de BOR niet doorslaggevend geweest voor de rechtbank. De moeder ziet in deze grief van de vader de bevestiging dat de vader niet in staat is tot zelfreflectie en in plaats daarvan de oorzaak onterecht bij derden zoekt. De vader heeft in zijn correspondentie richting [zorginstantie] meermaals aangegeven van mening te zijn dat alle betrokken hulpverleners in een complot tegen de vader zouden zitten.
Het is voor de moeder eveneens onnavolgbaar dat de vader stelt dat er geen slechte verstandhouding tussen de ouders bestaat en dat zij in staat zijn onderling te communiceren. Het tegendeel blijkt uit het procesdossier in eerste aanleg. De vader is niet in staat tot deugdelijke communicatie en de vader kon door alle betrokken instanties slecht of niet bereikt worden. De moeder vertrouwt er niet op dat de vader in geval van gezamenlijk gezag beter bereikbaar zou zijn. Het klopt dat de verhoudingen kort na het verbreken van de relatie goed waren. De vader wijst, ter onderbouwing naar de verhouding nu, naar een verklaring van zijn ouders. Echter, deze verklaring is vijf jaar oud en sindsdien is er ontzettend veel gebeurd en zijn de omstandigheden fundamenteel gewijzigd.
Het argument van de vader dat zijn oma is overleden en hij om die reden niet heeft kunnen meewerken aan het raadsonderzoek, gaat volgens de moeder niet op. De vader had dit direct na het overlijden kenbaar kunnen maken en niet pas vier maanden nadien. Bovendien is de onbereikbaarheid van de vader en het gebrek aan medewerking aan hulpverlening een doorlopend probleem bij de vader en speelde dit niet slechts ten aanzien van het laatste raadsonderzoek. Het beroep dat de man doet op een uitspraak van de Hoge Raad volgt de moeder niet omdat de casus in die specifieke zaak op een aantal fundamentele aspecten verschilt van de onderhavige zaak. De moeder blijft bij haar bezwaren ten aanzien van het gezamenlijk gezag en die worden onderschreven door de raad en andere betrokken instanties.
De rechtbank heeft wel degelijk toegelicht waarom omgang ernstig nadeel voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen zal opleveren. De vader is niet leerbaar, kan onvoldoende aansluiten bij de kinderen, staat niet open voor hulpverlening, komt afspraken niet na én de rechtbank constateert dat de kinderen weerstand tegen omgang met de vader laten zien, slechte herinneringen aan de vader hebben en zich onveilig voelen in het contact met de vader. Geconstateerd wordt dat de vader zich waar de kinderen bij zijn regelmatig uitlaat over zijn geloof op een manier die niet aansluit bij de belevingswereld en de leeftijd van de kinderen. De kinderen geven zelf aan dit als vervelend en onveilig te ervaren. De vader verdraait deze vaststelling en stelt dat hij zijn geloof niet aan de kinderen wil opdringen. Dat wordt evenwel ook niet geconstateerd door de rechtbank. De vader weigert dit in te zien. De vader onderbouwt op geen enkele manier dat hij openstaat voor hulpverlening. De talloze trajecten die al hebben plaatsgevonden hebben ook uitgewezen dat dit niet het geval is.
Dat de vader zich niet herkent in de vaststelling dat de kinderen slechte herinneringen aan de vader hebben, toont dat de vader niet in staat is zich te verplaatsen in de kinderen, hun gevoelens en behoeftes. De overwegingen van de rechtbank zijn passend en de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende geadviseerd. De raad ziet op dit moment geen verandering in de situatie ten opzichte van de situatie tijdens het raadsonderzoek. Geconcludeerd kan worden dat het maximale is ingezet om te komen tot omgang maar dat dit helaas niet is gelukt. Het is niet aan te raden om daar nogmaals op in te zetten. Er is inmiddels twee jaar geen contact geweest tussen de vader en de kinderen. Alle vier de kinderen geven duidelijk aan geen omgang meer met de vader te willen. Zij hebben rust nodig.
Er zou eventueel wel nog bekeken kunnen worden of het tot de mogelijkheden behoort dat de vader bij gelegenheid een kaartje naar de kinderen stuurt.
De motivering van de beslissing
Het hof overweegt het volgende.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
-
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
-
afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Ingevolge artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang;
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken;
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank uitgebreid toegelicht waarom de rechtbank zowel het verzoek van de vader om hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over de kinderen als het verzoek van de vader tot het vastleggen van een omgangsregeling, heeft afgewezen. Het hof schaart zich, na eigen onderzoek en weging, achter de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.
Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er sinds de procedure in eerste aanleg geen nieuwe ontwikkelingen zijn.
Er is inmiddels al bijna twee jaar geen contact meer tussen de vader en de kinderen. De vader is niet meer betrokken in het leven van de kinderen en vervult geen actieve vaderrol meer. De kinderen tonen grote weerstand tegen contact met de vader. [zorginstantie] zag in het omgangstraject meer belemmeringen dan mogelijkheden bij vader. Daarbij komt dat de verstandhouding tussen de vader en de moeder ernstig verstoord is. Zij kunnen niet met elkaar communiceren over de kinderen. De ouders strijden al lang met elkaar en niet te verwachten is dat hierin verbetering komt. Wanneer de vader samen met de moeder wordt belast met het gezag over de kinderen, is te voorzien dat daardoor de besluitvorming over belangrijke zaken aangaande de kinderen stagneert of wordt bemoeilijkt, wat niet in het belang van de kinderen is.
De uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:533) zag op een andere situatie, waar de gezaghebbende ouder geen enkele opening bood aan de andere ouder om betrokken te zijn. Dat is hier anders; het is de houding van de vader en zijn gebrek aan inlevings- en reflecterend vermogen die zowel de omgang als het gezamenlijk gezag belemmeren.
Omdat de vader niet in staat is tot reflectie op zijn handelen en onvoldoende zicht heeft op wat zijn gedrag bij de kinderen teweegbrengt, is het hof, net als de rechtbank van oordeel dat omgang van de kinderen in strijd is met hun zwaarwegende belangen. Om te komen tot contactherstel zou een nieuw traject gestart dienen te worden. Gelet op de reeds ingezette hulpverlening en het verloop van de eerdere trajecten acht het hof dat op dit moment niet in het belang van de kinderen. Daarbij komt dat de kinderen zelf ook ernstige bezwaren hebben geuit tegen omgang met de vader. De kinderen hebben nu heel hard hun rust en stabiliteit nodig. Het hof ziet op dit moment geen andere manier om die rust voor hen te creëren dan door het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling af te wijzen. Het hof volgt hierin ook het advies van de raad.
De grieven van de vader falen. Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en de verzoeken van de vader afwijzen.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad en deze procedure gaat over hun minderjarige kinderen.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 januari 2025;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, A.M. Bossink en H.J. Witkamp, bijgestaan door mr. E.G.A. Janssen als griffier en is in het openbaar uitgesproken door mr. A.M. Bossink op 6 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.