Personen- en familierecht

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden; vergoedingsrechten en gebruiksvergoeding.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 november 2025

Zaakgegevens

Op 13 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13 november 2025
Datum publicatie
13 november 2025
Zaaknummer
200.343.824_01 en 200.343.826_01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3262
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden; vergoedingsrechten en gebruiksvergoeding.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 16 januari 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:188
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 november 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2025:3262

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummers : 200.343.824/01 en 200.343.826/01

zaaknummer rechtbank : C/02/410431 / FA RK 23-2684

beschikking van de meervoudige kamer van 13 november 2025

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in de zaak met zaaknummer 200.343.824/01,

verweerder in de zaak met zaaknummer 200.343.826/01,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.F. Cohen te Sittard,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerster in de zaak met zaaknummer 200.343.824/01,

verzoekster in de zaak met zaaknummer 200.343.826/01,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D.R.M. de Vos te Bergen op Zoom.

De zaak in het kort

Partijen zijn gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. Het geschil betreft, samengevat, de afwikkeling daarvan en de vraag of de man vergoedingsrechten heeft ter zake van de eenvoudige gemeenschappen van partijen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 16 januari 2024 en 26 april 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 23 juli 2024 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen. Het beroepschrift omvat – naast de stukken eerste aanleg en de producties 26 tot en met 30 – tevens een wijziging/vermeerdering van verzoek. Dit hoger beroep is ter griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.343.824/01.

2.2.

De vrouw is vervolgens op 24 juli 2024 in hoger beroep gekomen van (het hof begrijpt in het licht van de grieven:) voormelde beschikkingen van 16 januari 2024 en 26 april 2024. Dit hoger beroep, dat de producties A tot en met G omvat, is ter griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.343.826/01.

2.3.

Bij V6-formulier van 21 augustus 2024 heeft de man, in de zaak met zaaknummer 200.343.824/01, productie 31 in het geding gebracht.

2.4.

De man heeft op 2 september 2024 een verweerschrift in de zaak met zaaknummer 200.343.826/01 ingediend.

2.5.

De vrouw heeft op 21 juli 2025 een verweerschrift in de zaak met zaaknummer 200.343.824/01 ingediend. Dit verweerschrift omvat tevens een wijziging/vermeerdering van verzoek in de zaak met zaaknummer 200.343.826/01. Voorts heeft de vrouw de producties 5 tot en met 9 overgelegd (in beide zaaknummers).

2.6.

De mondelinge behandeling heeft op 22 augustus 2025 plaatsgevonden waarbij het hof beide zaken, gelet op de samenhang, gezamenlijk heeft behandeld. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

  1. Partijen zijn op 24 oktober 1997 met elkaar gehuwd, na het maken van huwelijkse voorwaarden.

  2. Op 29 november 2022 is bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Middelburg (hierna: de rechtbank), een verzoek tot echtscheiding binnengekomen.

  3. Bij beschikking van 16 januari 2024 heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

  4. De echtscheidingsbeschikking is op 2 oktober 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

In de huwelijkse voorwaarden, opgemaakt op 6 oktober 1997, zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

“Artikel 1

De echtgenoten zijn gehuwd in gemeenschap van inboedel; elke andere gemeenschap van goederen is tussen hen uitgesloten.

(…)

Artikel 6

De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar de vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.

Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar.

(…)

Artikel 11

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 8, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. (…).”

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij beschikking van 16 januari 2024 heeft de rechtbank de zaak naar de familiekamerrol verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden.

4.2.

Bij beschikking van 26 april 2024 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, als volgt beslist:

“(...)

3.1.

gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen als volgt:

aan de vrouw wordt toebedeeld:

  • de echtelijke woning, inclusief vakantiewoning, aan de [adres 1] te [woonplaats] tegen een waarde van € 840.000,=, onder de verplichting om voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen de op dit pand rustende hypothecaire geldlening ten bedrage van € 216.873,=, alsmede onder de verplichting om aan de man de helft van de overwaarde ad € 311.563,= te voldoen.

  • de helft van de overwaarde (de verkoopopbrengst minus de op het pand rustende hypotheekschuld van € 272.874 en minus de verkoopkosten) van het aan een derde te verkopen en te leveren pand aan de [adres 2] te [plaats 2] ;

(…)

- de helft van het saldo per 29 november 2022 van de gezamenlijke Rabobankrekening met rekeningnummer [nummer 1] zijnde een bedrag van € 9.066,09;

aan de man wordt toebedeeld:

- de helft van de overwaarde (de verkoopopbrengst minus de op het pand rustende hypotheekschuld van € 272.874 en minus de verkoopkosten) van het door partijen aan een derde te verkopen en te leveren pand aan de [adres 2] te [plaats 2] ;

(…);

- de helft van het saldo per 29 november 2022 van de gezamenlijke Rabobankrekening met rekeningnummer [nummer 1] zijnde een bedrag van € 9.066,09;

3.2.

veroordeelt de vrouw uit hoofde van het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding tot betaling aan de man van:

(…)

  • de helft van de waarde per 29 november 2022 van de op haar naam staande lijfrentepolis bij de [bank] ;

  • de helft van de waarde van de garage aan de [adres 3] € 30.000,00

3.3.

veroordeelt de man uit hoofde van het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding tot betaling aan de vrouw van:

(…)

- de helft van de waarde per 29 november 2022 van de op zijn naam staande lijfrentepolis bij de [bank] ;

(…).”

200.343.824/01

4.3.

De man verzoekt de beschikkingen van de rechtbank d.d. 16 januari 2024 en 26 april 2024, beide gewezen onder zaaknummer C/02/410431 / FA RK 23-2684 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

a. Primair: de vrouw te veroordelen om aan de man een gebruiksvergoeding te voldoen van € 1.440,-- per maand vanaf het moment dat de vrouw het exclusieve gebruik van de woning, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres 1] had, te weten 29 september 2022 tot aan de datum van het notarieel transport van de woning aan de vrouw respectievelijk aan de man, dan wel aan een derde.

Subsidiair: de vrouw te veroordelen om aan de man een gebruiksvergoeding te vrouw voldoen van € 677,-- per maand vanaf het moment dat de vrouw het exclusieve gebruik van de woning, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres 1] had, te weten 29 september 2022 tot aan de datum van het notarieel transport van de voornoemde woning aan de vrouw respectievelijk aan de man, dan wel aan een derde.

Te bepalen dat indien en voor zover de vrouw financieel in staat is om het pand staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres 1] over te nemen tegen een waarde van € 840.000,-, dit dient te geschieden onder de verplichting voor de vrouw om voor haar rekening als eigen schuld te voldoen de op dit pand rustende hypothecaire geldlening ten tijde van de notariële levering van dit pand aan de vrouw, alsmede onder de verplichting om aan de man uit te keren de helft van de overwaarde ten tijde van de notariële levering, zijnde de helft van de waarde van het pand van € 840.000,- minus de helft van het alsdan openstaande hypotheekbedrag ten behoeve van het pand [adres 1] te [woonplaats] .

De vrouw te veroordelen om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen wegens vergoedingsrecht de overwaarde rustend op het pand [adres 1] te [woonplaats] , zijnde een bedrag van € 258,488,--, subsidiair een bedrag van € 80.772,88 zijnde de vergoeding van het door (het hof begrijpt:) de man geïnvesteerde privévermogen van € 80.772,88, bovenstaande bedragen vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 16 februari 2023, de dag van het verzoek in eerste aanleg, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De vrouw te veroordelen om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de helft van de huurinkomsten van de vakantiewoning behorend bij de voormalige echtelijke woning van partijen aan de [adres 1] te [woonplaats] vanaf 29 september 2022, de datum waarop partijen feitelijk uiteen zijn gegaan, tot aan de datum van notariële levering van deze woning aan de vrouw dan wel aan een derde, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 16 februari 2023, de dag van het verzoek in eerste aanleg, tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede de vrouw te veroordelen om aan de man inzage te geven in alle huurcontracten en afrekennota’s aangaande de vakantiewoning behorend bij de voormalige echtelijke woning van partijen aan de [adres 1] te [woonplaats] vanaf 29 september 2022, de datum waarop partijen uiteen zijn gegaan tot aan de datum van notariële levering van deze woning aan de vrouw dan wel aan een derde, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of een gedeelte van een dag dat de vrouw daarmee in gebreke mocht blijven na betekening van de onderhavige beschikking/het onderhavige arrest.

De vrouw primair te veroordelen om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 94.096,27, zijnde het door de man geïnvesteerde bedrag van € 58.810,17 inclusief waardevermeerdering, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 16 februari 2023, de dag van het verzoek in eerste aanleg, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Subsidiair de vrouw te veroordelen om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 58.810,17, zijnde het bedrag van het spaartegoed van de door de man in 1995 aangegane spaarhypotheek en daarmee voorhuwelijksprivévermogen van de man, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 16 februari 2023, de dag van het verzoek in eerste aanleg, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties.

4.4.

De vrouw weerspreekt de grieven van de man. Zij verzoekt het hof de beschikkingen van de rechtbank van 16 januari 2024 en 26 april 2014, beide gewezen onder zaaknummer C/02/410431 / FA RK 23-2684 (afwikkeling huwelijksvoorwaarden) te bekrachtigen wat de volgende punten betreft:

I. Ten aanzien van de toedeling van de woning te [woonplaats] aan de [adres 1] aan de vrouw.

II. Ten aanzien van de afwijzing van het door de man gevorderde vergoedingsrecht van € 258.488,--.

III. Ten aanzien van de afwijzing van het door de man gevorderde vergoedingsrecht van € 58.810,17.

Ten aanzien van de nieuwe / gewijzigde verzoeken van de man:

IV. Ten aanzien van de primair en subsidiair door de man gevorderde gebruiksvergoeding verzoekt de vrouw afwijzing.

V. Ten aanzien van het verzoek van de man om de huurinkomsten van de vakantiewoning naast de echtelijke woning te delen, kan de vrouw instemmen met toewijzing vanaf de peildatum tot aan het moment van de levering.

VI. Af te wijzen het verzoek om de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties.

200.343.826/01

4.5.

De vrouw verzoekt om de beschikkingen van de rechtbank (het hof begrijpt:) d.d. 16 januari 2024 en 26 april 2024 te vernietigen wat de beslissing betreft dat de garage tot het te verrekenen vermogen behoort en, opnieuw rechtdoende, te bepalen bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, dat de garage te [woonplaats] aan de [adres 3] niet tot het verrekenen vermogen behoort.

4.6.

De man weerspreekt de grieven van de vrouw. Hij verzoekt om de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen.

4.7.

De vrouw heeft op 21 juli 2025 bij wege van wijziging/vermeerdering van haar verzoek verzocht:

VII. De beschikking van 26 april 2024 te vernietigen voor zover het de beslissing omtrent het te verrekenen vermogen met betrekking tot de [adres 4] te [plaats 2] betreft en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het aandeel van de vrouw hier in € 85.281,60 bedraagt;

VIII. Te bepalen dat de man aan de vrouw verschuldigd is de helft van de kosten aan de [adres 2] te [plaats 2] , uit hoofde van de hypotheek en de energielasten, tot aan het moment van levering aan een derde, vooralsnog, begroot door de boekhouder op € 64.185,98 tot en met 30 juni 2025.

IX. Te bepalen dat de man inzage dient te verschaffen in het saldo van de in punt 22 (van het verweerschrift) genoemde bankrekeningen en lijfrentepolis per 29 november 2022.

X. Te bepalen dat de man digitale kopieën van de foto’s van de kinderen van partijen dient te verschaffen.

XI. De kosten van de procedure te compenseren.

5 De motivering van de beslissing

200.343.826/01

Wijziging/vermeerdering van verzoek

5.1.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw op 21 juli 2025 ingediende wijziging/vermeerdering van haar verzoek omdat dit, kort gezegd, in strijd is met de zogenoemde tweeconclusieregel. De vrouw op haar beurt beroept zich op ‘nieuw gebleken feiten en omstandigheden’, die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen.

Het hof heeft, na een korte schorsing van de mondelinge behandeling, beslist dat het bezwaar van de man gegrond is. De tweeconclusieregel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven en stellingen die in een later stadium dan in het eerste processtuk (hier het beroepschrift en het verweerschrift) zijn aangevoerd en die niet zijn aan te merken als een nadere uitwerking of precisering van eerder aangevoerde grieven of stellingen (ECLI:NL:HR:2023:1334, rov. 3.1.2).

De vrouw heeft haar grieven in hoger beroep beperkt tot de beslissing van de rechtbank betreffende de garage te [woonplaats] aan de [adres 3] . De vermeerdering van haar verzoek ziet daar niet op. In zoverre kan dus niet worden gesproken van een nadere uitwerking of precisering van eerder aangevoerde grieven. Dat sprake is van ‘nieuw gebleken feiten of omstandigheden’ die een uitzondering op de tweeconclusieregel rechtvaardigen, is onvoldoende gebleken. Voor zover de vrouw stelt dat zij zich pas later realiseerde dat de betalingen van de man aan zijn zussen inzake het pand [adres 4] te [plaats 2] zijn gedaan uit overgespaarde inkomsten, had het op haar weg gelegen om dit nader toe te lichten. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw zelf in eerste aanleg deze betalingen heeft genoemd maar niet heeft aangemerkt als gedaan uit overgespaarde inkomsten (vrz. randnr. 13). Waar dan het novum zit, dat rechtvaardigt dat de vrouw de verzoeken zoals hiervoor in rov. 4.7 weergegeven niet reeds bij indiening van haar beroepschrift had kunnen doen, laat zij na uit te leggen. Het hof laat de wijziging/vermeerdering van haar verzoek daarom buiten beschouwing.

Garage ( [adres 3] te [woonplaats] )

5.2.

Het voorgaande brengt mee dat ter beoordeling van het hof in deze zaak slechts de grieven voorliggen die door de vrouw in haar beroepschrift naar voren zijn gebracht. Deze grieven zien in de kern op de vraag of de aankoop van de garage aan de [adres 3] te [woonplaats] (hierna: de garage) is geschied met voorhuwelijks vermogen dan wel met te verrekenen vermogen. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

5.3.

De grieven van de vrouw zien op rov. 4.52 van de beschikking van 16 januari 2024. Daarin heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“De rechtbank heeft de vrouw na de mondelinge behandeling van 11 oktober 2023 in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen ter onderbouwing van haar stelling dat zij de garage heeft gekocht met voorhuwelijks vermogen. Als productie 44 heeft de vrouw rekeningafschriften over de periode van 18 november 1996 t/m 5 januari 1998 overgelegd van de op haar naam staande [bank] Extra Plus rekening met nummer [nummer 2] . Hieruit blijkt dat de vrouw in verband met de aankoop van de garage op 5 januari 1998 van voornoemde rekening een bedrag van f. 22.308,25 heeft overgeboekt naar de notaris. De enkele omstandigheid dat er blijkens deze rekeningafschriften op 17 november 1997, dus kort na het huwelijk van partijen op 24 oktober 1997, een saldo van f. 31.887,42 op deze rekening van de vrouw aanwezig was, is echter onvoldoende om te concluderen dat de vrouw de garage heeft aangekocht met voorhuwelijks vermogen. De rechtbank kan immers niet vaststellen waar dit geld vandaan is gekomen. Ook hier had de staat van aanbrengsten meer duidelijkheid kunnen bieden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de garage in de verrekening dient te worden betrokken. (…)”

De rechtbank heeft vervolgens in het dictum van haar beschikking van 26 april 2024 bepaald dat de vrouw de helft van de waarde van de garage aan de man moet voldoen (€ 30.000,--, zijnde ½ x € 60.000,--).

5.4.

De vrouw stelt dat zij met de overlegging van bankafschriften over de periode 18 november 1996 tot 5 januari 1998 heeft aangetoond dat de garage volledig is gefinancierd uit haar privévermogen. Immers, alle transacties op de privérekening ( [bank] Extra Plus [nummer 2] ) van de vrouw, hebben plaatsgevonden vóór het huwelijk. Vaststaat dat het saldo van de vrouw op 15 augustus 1997 op deze rekening (het hof begrijpt:) fl. 30.892,17 bedroeg. De enige transactie die na huwelijk heeft plaatsgevonden, is de bijschrijving van creditrente. Daarmee heeft de vrouw aangetoond dat zij de garage uit privémiddelen heeft gefinancierd, en verzoekt zij het hof om te bepalen dat de garage niet tot het te verrekenen vermogen behoort.

5.5.

De man betwist dat de vrouw de garage met voorhuwelijks vermogen heeft aangekocht. De garage is tijdens het huwelijk aangekocht en gefinancierd uit overgespaarde inkomsten. De producties waar de vrouw zich op beroept, heeft zij reeds als productie 44 in eerste aanleg in het geding gebracht. De man is het eens met wat de rechtbank in rov. 4.52 van de beschikking van 16 januari 2024 daaromtrent heeft overwogen. De garage behoort tot het te verrekenen vermogen. Zo nodig biedt de man aan al zijn stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens, voor zover volgens de wet bewijslast op hem rust.

5.6.1.

Het hof stelt het volgende voorop. Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding overeengekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat dit periodiek verrekenbeding niet is uitgevoerd. Ingevolge art. 1:141 lid 3 BW wordt in dat geval het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met stellen en aannemelijk maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt, in dit geval, op de weg van de vrouw om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de (op de peildatum aanwezige) garage niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. Daartoe mag van de vrouw worden verwacht dat zij aanvoert hoe de garage is gefinancierd of verkregen en dat zij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637 en HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1922).

5.6.2.

De vrouw beroept zich in dit verband op de door haar in eerste aanleg als productie 44 overgelegde bankafschriften. Deze bankafschriften betreffen de (privé)rekening van de vrouw van de [bank] (Extra Plus Rekening [nummer 2] ). Hieruit blijkt dat het saldo van deze rekening op 15 augustus 1997 – derhalve vóór het huwelijk – fl. 30.892,17 bedroeg. Op 16 november 1997 wordt er creditrente ten bedrage van fl. 995,25 bijgeschreven, waardoor het saldo fl. 31.887,42 bedroeg. Verdere mutaties hebben in 1997 niet plaatsgevonden. De eerstvolgende mutatie op deze rekening betreft een afschrijving op 5 januari 1998 ten bedrage van fl. 22.308.25. Dit bedrag is overgeboekt naar rekeningnummer [nummer 3] – de derdengeldrekening notaris Frantzen & Van Sisseren – met als omschrijving notanr. [nummer 4] , zijnde het aan de levering van de garage verbonden notanummer van de notaris. Daarmee heeft de vrouw naar het oordeel van het hof voldoende aangetoond dat zij de aankoop van de garage volledig heeft gefinancierd met voorhuwelijks vermogen en heeft zij het bewijsvermoeden weerlegd. Dat leidt ertoe dat de garage buiten het te verrekenen vermogen valt. De grieven van de vrouw slagen. Haar verzoek zal worden toegewezen. Hetgeen de man in eerste aanleg heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

200.343.824/01

5.7.

Ofschoon de man tijdens de mondelinge behandeling bezwaar heeft gemaakt tegen het door de vrouw op 21 juli 2025 ingediende verweerschrift met producties, vanwege de late indiening hiervan, heeft hij zich na bespreking van dat bezwaar gerefereerd aan het oordeel van het hof terzake. Het hof heeft beslist dat het verweerschrift wordt toegelaten.

Woning [adres 1] te [woonplaats]

5.8.

De eerste grief van de man heeft betrekking op de echtelijke woning, inclusief vakantiewoning, aan de [adres 1] te [woonplaats] . De rechtbank heeft het volgende beslist in haar beschikking van 26 april 2024:

“(...)

aan de vrouw wordt toebedeeld:

- de echtelijke woning, inclusief vakantiewoning, aan de [adres 1] te [woonplaats] tegen een waarde van € 840.000,=, onder de verplichting om voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen de op dit pand rustende hypothecaire geldlening ten bedrage van € 216.873,=, alsmede onder de verplichting om aan de man de helft van de overwaarde ad € 311.563,= te voldoen. (…)”

De man vraagt met deze grief aandacht voor de aflossingen op de hypothecaire geldlening op voornoemd pand, die hij ná 26 april 2024 uit privémiddelen heeft verricht. Immers, door nadien uit privémiddelen (verder) af te lossen op de hypothecaire geldlening, wordt de overwaarde groter dan door de rechtbank vastgesteld. De man stelt dat de door hem ná 26 april 2024 uit privémiddelen ter zake gedane aflossingen verrekend moeten worden op de datum van notariële levering. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij daartegen geen bezwaar heeft, mits de man deze aflossingen uit privémiddelen heeft voldaan.

Het voorgaande maakt dat het hof de beschikking op dit punt zal bekrachtigen, onder de aanvulling dat de man een regresvordering heeft op de vrouw voor zover hij ná 26 april 2024 uit privémiddelen aflossingen heeft verricht op de hypothecaire geldlening, welke vordering dient te worden voldaan door middel van verrekening bij notariële levering van voormelde woning.

Vergoedingsrecht man

5.9.

De rechtbank heeft in haar beschikking van 16 januari 2024 overwogen dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt op de eenvoudige gemeenschap ten bedrage van de door hem uit zijn privévermogen gedane investering ten bate van het gemeenschappelijke pand van partijen aan de [adres 5] te [woonplaats] :

“4.59. Zoals hiervoor reeds overwogen zijn partijen het erover eens dat de man een bedrag van € 80.772,88 aan privévermogen (de overwaarde van zijn eerdere woning aan de [adres 6] te [woonplaats] ) heeft geïnvesteerd in de bouw van de voormalig echtelijke woning aan de [adres 5] te [woonplaats] en dat de overwaarde van die woning vervolgens is geïnvesteerd in de bouw van de huidige echtelijke woning van partijen aan de [adres 1] te [woonplaats] . Op grond hiervan heeft de man een vergoedingsrecht op de eenvoudige gemeenschap ten bedrage van € 80.772,88. Dit bedrag dient, gelet op wat partijen daarover in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, hetgeen overigens ook niet in geschil is tussen partijen, nominaal te worden vergoed aan de man. De rechtbank zal te zijner tijd dienovereenkomstig beslissen.”

In de beschikking van 26 april 2024 heeft de rechtbank, anders dan overwogen in de beschikking van 16 januari 2024, het door de man verzochte vergoedingsrecht zonder nadere motivering, afgewezen.

5.10.

De man kan zich met het oordeel van de rechtbank en met die afwijzing niet verenigen en daarop ziet zijn tweede grief. Hij stelt primair dat hij een vergoedingsrecht heeft van € 258.488,-- op de eenvoudige gemeenschap. Daartoe voert hij het volgende aan. De man heeft medio 2001 een bedrag aan voorhuwelijks privévermogen groot € 80.772,88 geïnvesteerd in de bouw van de voormalige (gezamenlijke) echtelijke woning aan de [adres 5] te [woonplaats] . Deze woning is op een gegeven moment verkocht en de overwaarde – waarvan vaststaat dat deze € 258.488,-- bedroeg – is vervolgens geïnvesteerd in de gezamenlijke woning van partijen aan de [adres 1] te [woonplaats] . De man stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 1987 (ECLI:NL:HR:1987:AC2558), dat aan hem daarom de gehele overwaarde toekomt. Hij wijst er in dit verband op dat op de hypotheek, rustend op de opeenvolgende woningen van partijen niet is afgelost, dat de vrouw nimmer heeft bijgedragen aan hypotheek- en eigenaarslasten en dat de waardestijging van de woningen enkel en alleen het gevolg is van tijdsverloop en ontwikkelingen op de onroerend goed markt. Subsidiair stelt hij dat aan hem een nominaal vergoedingsrecht van € 80.772,88 toekomt, zoals de rechtbank in haar beschikking van 16 januari 2024 heeft overwogen.

5.11.

De vrouw weerspreekt deze grief van de man. Zij erkent dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt van € 80.772,88 maar er bestaat géén grond voor een vergoedingsecht gelijk aan de volledige overwaarde uit de verkoop van de woning aan de [adres 5] te [woonplaats] . Partijen hebben er bewust voor gekozen om de woning aan de [adres 5] te [woonplaats] gezamenlijk aan te kopen en hiervoor een gezamenlijke hypotheek aan te gaan. Er was sprake van een eenvoudige gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW en beide partijen hebben daarin een gelijk aandeel. Er is geen aanleiding om daarvan in de onderhavige casus af te wijken. Het enkele feit dat de ene deelgenoot een groter deel uit zijn privévermogen heeft aangewend dan de andere deelgenoot, leidt er niet toe dat hun aandeel niet gelijk is, en derhalve ook niet dat de overwaarde geheel aan de man toekomt omdat de woning is gefinancierd met een aflossingsvrije hypotheek. Voorgaande brengt juist met zich dat er buiten het eerder genoemde bedrag van € 80.722,88 niets in de woning is geïnvesteerd door de man. Er zijn immers geen aflossingen op de hypotheek gedaan uit het privévermogen van de man. Dat de man de hypotheeklast volledig heeft gedragen doet daar niet aan af. De betalingen die zijn gedaan uit hoofde van de hypotheekrente moeten worden gezien als kosten van de huishouding.

5.12.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de woning inmiddels is verkocht en geleverd. De man beroept zich voor zijn vergoedingsrecht niet op de huwelijkse voorwaarden, maar op de rechtspraak van de Hoge Raad over vergoedingsrechten voor gehuwden. Op 1 januari 2012 is de Wet van 18 april 2011 tot wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen), Stb. 2011, 205 in werking getreden. ARTIKEL V, lid 1 luidt als volgt:

“Artikel 87 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is slechts van toepassing op vergoedingsvorderingen die ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet plaatsvinden. Op de vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die vóór dat tijdstip hebben plaatsgevonden, blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.”

In zijn arrest van 10 januari 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC0469) heeft de Hoge Raad beslist dat in een geval waarin met uitsluiting van iedere gemeenschap gehuwde echtgenoten een goed op naam van beide echtgenoten hadden verkregen, terwijl het goed in overwegende mate door een van hen was gefinancierd, vergoedingsrechten ontstaan. In zijn arrest van 21 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU8938), dat eveneens betrekking had op een eenvoudige gemeenschap tussen echtgenoten, heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest van 10 januari 1992 bevestigd dat iedere echtgenoot bij de verdeling van een zodanige gemeenschap recht heeft op vergoeding voor het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van het goed heeft besteed, en dat slechts bij uitzondering op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid ook recht kan bestaan op vergoeding van de waardestijging naar evenredigheid van ieders inbreng (aldus ook HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1571, rov. 3.1.2).

In hetgeen de man heeft aangevoerd – te weten dat de opeenvolgende woningen zijn gefinancierd met een aflossingsvrije hypotheek waarop nimmer is afgelost, dat de vrouw nimmer heeft bijgedragen aan de hypotheek- en eigenaarslasten en de waardestijgingen van de opvolgende woningen enkel en alleen het geval zijn van tijdsverloop en de ontwikkelingen van de onroerend goed markt – ziet het hof geen grond om af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt dat (in casu) de man recht heeft op de nominale vergoeding van zijn inbreng. Daarom wordt het primaire verzoek van de man afgewezen.

5.13.

De vrouw erkent dat aan de man een vergoedingsrecht van € 80.772,88 toekomt. Het hof zal daarom het subsidiaire verzoek toewijzen, met dien verstande dat de man voor dit bedrag een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap dan wel voor de helft van dit bedrag (€ 40.386,44) op de vrouw. Gelet op de aard van de rechtsverhouding van partijen (zij zijn ex-echtgenoten) en het feit dat de middelen om de vergoeding aan de man te voldoen pas beschikbaar komen op het moment van notariële levering, zal het hof bepalen dat de vergoeding dient te worden voldaan door middel van verrekening bij notariële levering van voormelde woning aan de vrouw dan wel aan een derde. Voor het toewijzen van de door de man verzochte wettelijke rente bestaat dan geen aanleiding.

Rabobankrekening [nummer 1]

5.14.

De derde grief van de man heeft betrekking op (het saldo van) de gezamenlijke Rabobankrekening met rekeningnummer [nummer 1] . De rechtbank heeft in haar beschikking van 16 januari 2024 hieromtrent het volgende overwogen:

“4.34. Partijen hebben een gezamenlijke bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [nummer 1] . Het saldo op deze rekening dient als een eenvoudige gemeenschap te worden beschouwd. Uit de door de vrouw als productie 50 en het door de man als productie 24 overgelegde rekeningafschrift van deze bankrekening blijkt dat het saldo per de peildatum van 29 november 2022 € 18.132,18 bedroeg. Dit saldo dient tussen partijen bij helfte te worden verdeeld, zodat ieder van partijen een bedrag van

€ 9.066,09 toekomt, waarna, zoals door de man onweersproken gesteld, deze rekening door partijen zal worden opgeheven.”

In de beschikking van 26 april 2024 heeft de rechtbank aan ieder van partijen de helft van het saldo per 29 november 2022 van die bankrekening toegedeeld, derhalve aan ieder van partijen een bedrag van € 9.066,09.

5.15.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan hem toekomt de helft van het saldo per 29 november 2022 van de gezamenlijke Rabobankrekening met rekeningnummer: [nummer 1] , zijnde een bedrag van € 9.066,09. Hij voert ter toelichting op zijn grief aan dat de inkomsten van de vakantiewoning, behorende bij het pand [adres 1] te [woonplaats] , werden en worden gestort op genoemde bankrekening. Deze vakantiewoning wordt nog steeds verhuurd. De huurinkomsten van deze vakantiewoning komen nog steeds binnen op de gezamenlijke rekening van partijen. Nu de vrouw het aandeel van de man in deze voormalige echtelijke woning aan de [adres 1] te [woonplaats] nog steeds niet heeft overgenomen, heeft hij recht op de helft van de huurpenningen van de verhuur van de vakantiewoning behorend bij dat pand en wel vanaf het moment dat partijen feitelijk uiteen zijn gegaan, te weten 29 september 2022, tot het moment dat het pand notarieel geleverd wordt aan de vrouw dan wel aan een derde. De man stelt ten slotte belang te hebben bij de huurcontracten betreffende de vakantiewoning en de nota’s van afrekening.

5.16.

De vrouw weerspreekt de grief. De man heeft volledige toegang tot de gezamenlijke bankrekening. Bovendien is door de rechtbank bepaald dat het saldo per peildatum moet worden verdeeld. De man heeft volledig inzicht in die rekening en dat de vrouw iets zou achterhouden is dan ook volstrekt onjuist. De huurinkomsten zijn tot 7 oktober 2024 altijd naar de gezamenlijke rekening overgeboekt. Daarna zijn de betalingen niet meer op de gezamenlijke rekening gestort. Echter, de inkomsten uit de vakantiewoning moeten gewoon in de verrekening worden betrokken.

5.17.

Het hof ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd geen aanleiding om als datum voor verdeling van het banksaldo van de Rabobankrekening [nummer 1] een andere datum te hanteren dan 29 november 2022. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de man recht heeft op de helft van de huurinkomsten voor zover die nadien zijn gegenereerd. In zoverre zal het hof het verzoek van de man dan ook toewijzen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de rechtbank bij (bestreden beschikking van 26 april 2024) de echtelijke woning, inclusief vakantiewoning, aan de [adres 1] te [woonplaats] aan de vrouw heeft toegedeeld. Die beslissing kan, ondanks de daaraan direct voorafgaande vermelding dat de rechtbank de wijze van verdeling gelast van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen van onroerende zaken, niet anders worden begrepen dan dat de rechtbank zelf de verdeling heeft vastgesteld. Nu deze verdeling in hoger beroep niet aan de orde is gesteld, heeft de datum van de uitspraak in eerste aanleg – 26 april 2024 – te gelden als de datum van de verdeling (HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722). Aldus heeft de man recht op de helft van de huurinkomsten over periode 29 november 2022 tot 26 april 2024. De verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen, zij het met ingang van de datum van deze beschikking.

Voor zover de man inzage heeft verzocht in alle huurcontracten en afrekennota’s aangaande de vakantiewoning, zal dit verzoek worden afgewezen. Daartoe is van belang dat de vrouw bij haar verweerschrift reeds stukken heeft overgelegd (productie 6) en heeft aangegeven dat de man volledige toegang heeft tot de bankrekening. Dit laatste heeft de man niet weersproken zodat het hof daarvan uit gaat. Voor zover er nog stukken ontbreken, heeft de vrouw zich bereid verklaard om deze stukken alsnog te overleggen. Het hof ziet daarom geen aanleiding om het verzoek om inzage toe te wijzen.

Spaartegoed

5.18.

De vierde grief van de man richt zich op rov. 4.60 van de beschikking van 16 januari 2024 waarin de rechtbank het volgende overwoog:

“In geschil is tussen partijen of de man, zoals hij stelt, het opgebouwde spaartegoed van € 58.810,17 uit de door hem aangegane spaarhypotheek voor het pand aan de [adres 6] te [woonplaats] heeft geïnvesteerd in de bouw van de echtelijke woning aan de [adres 1] te [woonplaats] . De man heeft als productie 23 stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling. Hieruit blijkt dat de man in 1995 een Polis Spaar Optimaalhypotheek heeft afgesloten bij de Rabobank. Uit de overgelegde nota ter aflossing van de door partijen voor de bouw van het pand aan de [adres 1] te [woonplaats] bij Argenta aangegane hypotheek ad € 201.000,=, welke hypotheek nadien in verband met de aankoop van het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] is verhoogd, blijkt dat er een bedrag van € 58.810,17 is ingebracht ter aflossing van deze hypotheek. Uit deze stukken valt echter niet af te leiden dat laatstgenoemd bedrag het spaartegoed van de door de man in 1995 aangegane spaarhypotheek - en daarmee voorhuwelijks privévermogen van de man - betreft. Het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van dit bedrag zal te zijner tijd dan ook worden afgewezen.”

In de beschikking van 26 april 2024 heeft de rechtbank het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van het opgebouwde spaarbedrag afgewezen.

5.19.

De man kan zich met de afwijzing van zijn verzoek niet verenigen. Uit de overgelegde nota ter aflossing van de door partijen voor de bouw van het pand [adres 1] te [woonplaats] bij Argenta aangegane hypotheek van € 201.000,--, welke hypotheek nadien in verband met de aankoop van het pand [adres 2] te [plaats 2] is verhoogd, blijkt dat er een bedrag van € 58.810,17 is ingebracht ter aflossing van deze hypotheek. Met de door de man overgelegde producties heeft hij aangetoond dat laatstgenoemd bedrag het spaartegoed betreft van de door de man in 1995 aangegane spaarhypotheek – en daarmee het voorhuwelijkse privévermogen van de man. De man stelt verder dat niet enkel en alleen kan worden volstaan met vergoeding van dit bedrag van € 58.810,17. Primair dient verrekening van de waardevermeerdering plaats te vinden. Dit komt neer op een bedrag van € 94.096,27. De man verzoekt subsidiair om de vrouw te veroordelen tot betaling van het nominale bedrag van € 58.810,17.

5.20.

De vrouw betwist de stellingen van de man en is het, kort gezegd, eens met het oordeel van de rechtbank. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de man wél een vergoedingsrecht toekomt, dan kan er enkel sprake zijn van een nominale vergoeding.

5.21.

Het hof stelt het volgende voorop. Zoals hiervoor in rov. 5.6.1 is overwogen, is sprake van een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding en wordt het aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met stellen en aannemelijk maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt daarmee op de weg van de man om te stellen en zo nodig te bewijzen dat (de waarde van) de spaarpolis ad € 58.810.17 niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. De man heeft ter zitting erkend dat de premie-inleg in de spaarpolis in ieder geval vanaf het huwelijk in 1997 is gefinancierd met overgespaarde inkomsten. Wat er aan premies is voldaan in de voorhuwelijkse periode, en tot welke waarde die betalingen hebben geleid, heeft de man niet nader uitgelegd. Dat lag wel op zijn weg. Aldus heeft hij het bewijsvermoeden niet weerlegd en is voor een vergoedingsrecht geen plaats en zal zijn verzoek daarom worden afgewezen.

Gebruiksvergoeding

5.22.

De man stelt dat de vrouw vanaf 29 september 2022 met uitsluiting van de man in de voormalige echtelijke woning verblijft. De hypotheek- en eigenaarslasten, alsmede de gebruikerslasten van de woning, worden volledig door de man voldaan. Op grond van art 3:169 BW is de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding verschuldigd, nu hij verstoken is van het gebruik en het genot van de woning. De man verzoekt de gebruiksvergoeding vanaf 29 september 2022 tot aan de datum van notariële levering van het pand aan de vrouw dan wel aan een derde. Primair stelt hij dat voor de berekening van de gebruiksvergoeding aansluiting gezocht dient te worden bij de huurwaarde van de woning, die hij op € 2.880,-- per maand becijfert. De gebruiksvergoeding bedraagt dan € 1.440,-- per maand. Subsidiair moet bij de berekening van de gebruiksvergoeding te worden uitgegaan van een rendementspercentage 2,5% van de overwaarde van de woning. Uitgaande van een overwaarde van € 650.100,--, becijfert de man de gebruiksvergoeding op € 677,-- per maand. Ter zitting heeft de man desgevraagd bevestigd dat hij in februari 2025 is uitgeschreven van het adres van de [adres 1] .

5.23.

De vrouw verzet zich tegen de door de man verzochte gebruiksvergoeding. Zij betwist dat zij vanaf 29 september 2022 het exclusieve gebruik van de woning heeft. De man kwam altijd de post halen en sliep ook begin 2024 nog regelmatig – en onaangekondigd – in de woning. Van uitsluitend gebruik door de vrouw is dan ook pas recent sprake. De man houdt de huidige situatie bovendien zelf in stand, door niet te reageren op voorstellen aangaande de verkoop van het pand aan de [adres 2] . Pas zodra de man zijn medewerking verleent aan de verkoop van de [adres 2] , is de vrouw in staat om een financiering aan te vragen voor de [adres 1] te [woonplaats] . De vrouw acht het voldoen van de volledige hypotheekrente gedurende het gezamenlijk eigendom een voldoende tegemoetkoming in de gebruikslasten, gelet op de situatie. De man moet dan wel de partneralimentatie betalen.

5.24.

Het hof overweegt als volgt. De man verzoekt een gebruiksvergoeding op de voet van art. 3:169 BW. Nu hij niet heeft weersproken dat hij tot begin 2024 af en toe nog in de woning verbleef, ziet het hof geen aanleiding om de ingangsdatum van de gebruiksvergoeding vast te stellen op een eerdere datum dan 1 januari 2024. Ingevolge art. 3:169 BW is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is, tenzij een regeling anders bepaalt. Een vergoeding op grond van art. 3:169 BW kan slechts worden toegewezen zolang de verdeling van de woning niet heeft plaatsgevonden. Immers, tot aan de datum van verdeling zijn beide partijen in beginsel voor gelijke delen gerechtigd tot het genot en gebruik van de woning. De rechtbank heeft de echtelijke woning, inclusief vakantiewoning, aan de [adres 1] te [woonplaats] aan de vrouw toegedeeld (zie ook hiervoor rov. 5.17). Nu deze verdeling in hoger beroep niet aan de orde is gesteld, heeft de datum van de uitspraak in eerste aanleg – 26 april 2024 – te gelden als de datum van de verdeling. Aldus heeft de man recht op een gebruiksvergoeding over periode 1 januari 2024 tot 26 april 2024. Het hof ziet geen aanleiding om voor de vaststelling van de hoogte van deze vergoeding, anders dan te doen gebruikelijk, aansluiting te zoeken bij de huurwaarde, zoals primair door de man is verzocht. Bij de berekening van de gebruiksvergoeding wordt uitgaan van een rendementspercentage van de overwaarde van de woning en wel een percentage van 2,5%. Aangezien de vrouw de door de man in zijn subsidiaire standpunt gehanteerde berekening niet betwist, stelt het hof de gebruiksvergoeding overeenkomstig die berekening vast op € 677,-- per maand over de periode 1 januari 2024 tot 26 april 2024. Het verzoek van de man wordt in zoverre toegewezen.

Aanvullende afspraken partijen

5.25.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen nog nadere afspraken gemaakt. Zij hebben afgesproken om, aangaande het pand [adres 2] te [plaats 2] , makelaar Duvekot te Vrouwenpolder per heden – dat wil zeggen 22 augustus 2024, zijnde de datum van de mondelinge behandeling – te benoemen om zo spoedig mogelijk tot verkoop van dat pand over te kunnen gaan. Voorts hebben partijen afgesproken dat de man toegang krijgt tot het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] , teneinde de elektra te vernieuwen. Dit geschiedt buiten winkeltijden en de vrouw zal de elektricien toegang verschaffen tot het pand. Op verzoek van partijen neemt het hof deze afspraken aldus op in de beschikking.

6 De slotsom

in het hoger beroep in de zaken met zaaknummers 200.343.824/01 en 200.343.826/01

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk bekrachtigen en gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedures de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betreft.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 26 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en

in de zaak met zaaknummer 200.343.824/01

bepaalt dat de vrouw aan de man, over de periode 1 januari 2024 tot 26 april 2024, een bedrag van € 677,-- per maand dient te betalen voor het gebruik van de woning, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres 1] ;

bepaalt dat de man een regresvordering heeft op de vrouw voor zover hij ná 26 april 2024 uit privémiddelen aflossingen heeft verricht op de hypothecaire geldlening ter zake van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] , welke vordering de helft bedraagt van die aflossingen en dient te worden voldaan door middel van verrekening bij notariële levering van voormelde woning aan de vrouw dan wel aan een derde;

veroordeelt de vrouw om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de helft van de huurinkomsten van de vakantiewoning behorend bij de voormalige echtelijke woning aan de [adres 1] te [woonplaats] over de periode 29 november 2022 tot 26 april 2024. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum van deze beschikking;

bepaalt dat de man een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap ( [adres 1] te [woonplaats] ) ten bedrage van € 80.772,88, dan wel voor de helft van dit bedrag (€ 40.386,44) op de vrouw, welke vergoeding dient te worden voldaan door middel van verrekening bij notariële levering van deze woning aan de vrouw dan wel aan een derde;

in de zaak met zaaknummer 200.343.826/01

bepaalt dat de garage aan de [adres 3] te [woonplaats] niet tot het te verrekenen vermogen van partijen behoort;

in beide zaken:

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, G.J. Vossestein en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025 door mr. M.J. van Laarhoven in tegenwoordigheid van de griffier.