Personen- en familierecht
verdeling van wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3265 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-3265
Zaakgegevens
Op 13 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 13 november 2025
- Datum publicatie
- 13 november 2025
- Zaaknummer
- 200.344.622_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3265
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
verdeling van wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.344.622/01
zaaknummer rechtbank : C/03/309275 / FA RK 22-3439
beschikking van de meervoudige kamer van 13 november 2025
inzake
[de man] ,
wonende te [plaats 1] , [gemeente] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. S.M. Ayangil te Heerlen,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 1] , [gemeente] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R. Engwegen te Echt.
De zaak in het kort
Partijen zijn in de wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen gehuwd. Het geschil betreft, samengevat, de verdeling daarvan.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 8 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De man is op 7 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Het beroepschrift bevat de producties 1 tot en met 22.
De vrouw heeft op 7 november 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 3 ingediend.
De man heeft op 20 december 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep met de producties 23 tot en met 25 ingediend.
Bij het hof is voorts ingediend een journaalbericht van de zijde van de man van 23 september 2025 met bijlagen (aanvullende stukken betreffende tabbladen 17, 19 en 22). Deze stukken zijn niet toegelaten na bezwaar daartegen van de advocaat van de vrouw: zij zijn te laat, namelijk met voorbijgaan van de tien-dagen-termijn ingediend, zij hadden al eerder ingediend kunnen worden, iedere toelichting op de stukken ontbreekt en de goede procesorde noopt ten slotte niet tot toelating ervan.
De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat.
Het hof heeft partijen bevolen over te leggen:
-
i) de saldi per 16 september 2022 van bankrekeningen [bankrekeningnummer 3] en [bankrekeningnummer 4] op naam van de man;
-
ii) de afkoopwaarde en reële waarde per 8 mei 2024 van polis [nummer 1] op naam van de vrouw en de polissen [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] op naam van de man.
Na de mondelinge behandeling zijn ingekomen:
van de zijde van de man:
- een journaalbericht van 9 oktober 2025 met aanvullende stukken 1 tot met 7;
- een journaalbericht van 14 oktober 2025,
van de zijde van de vrouw:
- een journaalbericht van 9 oktober 2025 met bijlage;
- een journaalbericht van 16 oktober 2025.
3 De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
-
Partijen zijn op 13 mei 2016 in [plaats 1] met elkaar gehuwd in de wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen;
-
Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2019 te [plaats 2] [kind] geboren (hierna: [kind] );
-
Partijen oefenen van rechtswege gezamenlijk het gezag uit over [kind] ;
-
Op 16 september 2022 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht;
-
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken;
-
De echtscheidingsbeschikking is op 6 november 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4 De omvang van het geschil
De man heeft één grief aangevoerd. Deze gaat over:
a. a) de bankrekeningen;
b) de levensverzekeringen;
c) het ouderschapsplan en vervangende toestemming voor hulpverlening voor [kind] ;
d) de bankrekening van [kind] ;
e) de belastingaanslagen;
f) de premies verzekeringen vrouw.
De vrouw heeft eveneens één grief aangevoerd. Deze gaat over de op naam van de man staande overlijdensrisicoverzekering bij [verzekeraar] en uitvaartverzekering bij [verzekeraar] .
5 De motivering van de beslissing
Nagekomen stukken
Bij voornoemd journaalbericht van 14 oktober 2025 heeft de man het hof bericht zich niet te kunnen verenigen met de door de vrouw op 9 oktober 2025 overgelegde stukken, nu niet ook zijn overgelegd de bankrekeningen op naam van de vrouw, waaruit de saldi blijken. De man verzoekt het hof de vrouw deze gegevens alsnog te doen overleggen. Bij voornoemd journaalbericht van 16 oktober 2025 heeft de vrouw hiertegen verweer gevoerd.
Het hof wijst het verzoek van de man af, nu de man niet door het hof in de gelegenheid is gesteld op de op 9 oktober 2025 ingekomen stukken van de vrouw te reageren en hij dit verzoek ook niet al eerder heeft geformuleerd.
De grief van de man
a) de bankrekeningen
De grief van de man keert zich tegen de beslissing van de rechtbank over de bankrekeningen. De rechtbank heeft als volgt beslist:
‘4.7.2. aan de vrouw wordt toegedeeld:
(…)
- de bank- en spaarrekening van de vrouw bij de [bank] [bankrekeningnummer 1] ;
- de bank- en spaarrekening van de vrouw bij de [bank] [bankrekeningnummer 2] ;
(…)
aan de man wordt toegedeeld:
(…)
- de bank- en spaarrekening van de man bij de [bank] [bankrekeningnummer 3] ;
- de bank- en spaarrekening van de man bij de [bank] [bankrekeningnummer 4] ;
(…)’
De man verzoekt:
- te bepalen dat de baten en schulden op de bank- en spaarrekeningen van partijen met rekeningnummers [bankrekeningnummer 1] , [bankrekeningnummer 2] , [bankrekeningnummer 3] en [bankrekeningnummer 4] per peildatum 8 mei 2024 bij helfte worden verdeeld;
- te bepalen dat aan de vrouw worden toegedeeld de bank- en spaarrekening met nummers [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 2] , onder de verplichting om aan hem de helft van de saldi per 8 mei 2024 te voldoen;
- te bepalen dat aan hem worden toegedeeld de bank- en spaarrekening met nummers [bankrekeningnummer 3] en [bankrekeningnummer 4] onder de verplichting om aan de vrouw de helft van de saldi per 8 mei 2024 te voldoen;
Het hof overweegt als volgt. Beide partijen wensen de verdeling van de ‘saldi’ (de vorderingen op de bank). Niet in geschil is dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden op 16 september 2022. Per die datum staan de bedragen van de vorderingen op de bank (‘de saldi’) vast. Niet in geschil (beroepschrift p. 7-9; verweerschrift p. 7, 3e alinea) is het saldo op:
-
bankrekening [bankrekeningnummer 1] op naam van de vrouw: € 630,40;
-
spaarrekening [bankrekeningnummer 2] op naam van de vrouw: € 49.801,80.
Bij aanvullend stuk 6, overgelegd bij journaalbericht van 9 oktober 2025, heeft de man opgaaf gedaan van de saldi te weten:
3. bankrekening [bankrekeningnummer 3] op naam van man: € 14.138,64;
4. spaarrekening [bankrekeningnummer 4] op naam van de man: € 16.039,46.
Het hof zal aan de vrouw toedelen:
- het saldo (van € 630,40) op bankrekening [bankrekeningnummer 1] tegen vergoeding van de helft daarvan, € 315,20, aan de man;
- het saldo (van € 49.801,80) op spaarrekening [bankrekeningnummer 4] tegen vergoeding van de helft daarvan, € 24.900,90, aan de man;
en aan de man toedelen:
- het saldo (van € 14.138,64) op bankrekening [bankrekeningnummer 3] tegen vergoeding van de helft daarvan, € 7.069,32, aan de vrouw;
- het saldo (van € 16.039,46) op spaarrekening [bankrekeningnummer 4] tegen vergoeding van de helft daarvan, € 8.019,73, aan de vrouw.
Het verweer van de vrouw dat uit de proceshouding van de man blijkt dat hij heeft ingestemd met de verdeling van de rechtbank gaat niet op. Uit de enkele proceshouding in eerste aanleg kan geen erkenning worden afgeleid.
b) de levensverzekeringen
De grief van de man keert zich tegen de beslissing van de rechtbank over de levensverzekeringen. De rechtbank heeft als volgt beslist:
‘4.7.2. aan de vrouw wordt toegedeeld:
(…)
- de levensverzekering met polisnummer [nummer 1] onder verplichting aan de man de helft van de waarde die deze levensverzekering op de datum van deze beschikking heeft, te voldoen;
aan de man wordt toegedeeld:
(…)
- de levensverzekeringen met polisnummers [nummer 3] , [nummer 2] , [nummer 5] , [nummer 4] , onder verplichting aan de vrouw de helft van de waarde die deze levensverzekeringen op de datum van deze beschikking hebben, te voldoen;’
De man verzoekt:
- te bepalen dat ten aanzien van de waarde verdeling van de afkoopwaardes van de levensverzekeringen met polisnummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 4] , [nummer 3] als peildatum 16 september 2022 geldt;
- te bepalen dat aan de vrouw wordt toegedeeld de levensverzekering met polisnummer [nummer 1] onder de verplichting aan hem de helft van de waarde van deze verzekering op 16 september 2022 te voldoen;
- te bepalen dat aan hem worden toegedeeld de levensverzekeringen met polisnummers [nummer 3] , [nummer 2] , [nummer 5] , [nummer 4] , onder de verplichting de helft van de waarde van deze verzekeringen op 16 september 2022 aan de vrouw te voldoen.
Het hof overweegt als volgt. De grief van de man ziet niet op de levensverzekering met polisnummer [nummer 5] (die de rechtbank aan de man heeft toegedeeld), maar dit betekent, voor alle duidelijkheid, niet dat de man betoogt dat deze verzekering niet zou bestaan (aldus uitdrukkelijk partijen ter zitting).
De vier (andere) polissen maken deel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Voor de waardering van die polissen moet, zoals de rechtbank ook heeft gedaan, worden uitgegaan van de datum van verdeling, dat is hier de beslissing van de rechtbank, dus 8 mei 2024 (in die zin HR 8 december 2023 ECLI:NL:HR:2023:1722).
De man gaat uit van de afkoopwaarde van de polissen (beroepschrift randnr. 16). Ter zitting heeft de man aangevoerd dat hij wel moet afkopen omdat hij anders het geld niet heeft om met de vrouw af te rekenen. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van de reële waarde omdat, volgens haar, beide partijen de levensverzekeringen zullen voortzetten.
Indien vaststelling van de verdeling wordt verzocht, kan ieder van de betrokken partijen naar voren brengen hoe naar haar zienswijze deze verdeling moet plaatsvinden, zonder dat de rechter gebonden is aan hetgeen partijen aldus voorstellen. Deze rechterlijke vrijheid ligt besloten in de verzochte vaststelling van de verdeling. De rechter stelt de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang (art. 3:185 lid 1 BW).
Het hof zal voor de berekening van de te verdelen waarde, zij het fictief, uitgaan van de afkoopwaarde (en niet de premievrije waarde) van de polissen.
De waarde van de polissen
Uit de door beide partijen op 9 oktober 2025 toegestuurde stukken blijken de volgende afkoopwaarden per (omstreeks) peildatum:
- polis [nummer 1] op naam van de vrouw: € 8.801,--;
- polis [nummer 2] op naam van de man: € 16.328,--;
- polis [nummer 3] op naam van de man: € 7.822,--;
- polis [nummer 4] op naam van de man: € 10.863,61.
Over de polissen verschuldigde belasting
Toedeling van de waarde van de polissen per peildatum 8 mei 2024 brengt mee dat voor de berekening van de daarop in mindering te brengen latente belastingvordering ervan moet worden uitgegaan dat de belasting op de peildatum wordt verschuldigd over de op dat tijdstip uitgekeerde aanspraak (zie Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:281).
De polissen [nummer 1] en [nummer 3] zijn (IB2001) kapitaalverzekeringen die vallen onder het fiscale regime van box 3. Daarvoor geldt dat belasting pas verschuldigd is als er meer vermogen aanwezig is dan het heffingsvrij vermogen. Gesteld noch gebleken is dat hiervan bij partijen sprake is. Met eventueel verschuldigde belasting ter zake van deze polissen zal het hof daarom geen rekening houden.
Over de waarde van polis [nummer 4] is de man, zo vermeldt aanvullend stuk 1, geen belasting verschuldigd.
Polis [nummer 2] , een lijfrenteverzekering, valt onder het fiscale regime van box 1. Gezien de waarde van die polis (€ 16.328,--) alsook de hoogte van de mede op het inkomen van de man gebaseerde kinderalimentatie (€ 271,-- per maand, rov. 4.5. van de bestreden beschikking), houdt het hof rekening met een belastinglatentie in 2024 van 36,97%. De nettowaarde op de peildatum van de polis bedraagt daarmee (16.328 -/- (16.328 x 36,97% = 6.036,46) =) € 10.291,54.
Met eventuele boeterente houdt het hof geen rekening, nu deze alleen van toepassing is bij daadwerkelijke afkoop van de polissen en dat ligt op de weg van partijen.
Slotsom polissen
Het hof zal toedelen aan de vrouw:
- de waarde van polis [nummer 1] tegen vergoeding van de helft van de waarde op 8 mei 2024 aan de man, zijnde (8.801: 2 =) € 4.400,50;
en toedelen aan de man:
- de waarde van polis [nummer 3] tegen vergoeding van de helft van de waarde op 8 mei 2024 aan de vrouw, zijnde (7.822 : 2 =) € 3.911--;
- de waarde van polis [nummer 4] tegen vergoeding van de helft van de waarde op 8 mei 2024 aan de vrouw, zijnde (10.863,61 : 2 =) € 5.431,80;
- de waarde van polis [nummer 2] , tegen vergoeding van de helft van de netto waarde op 8 mei 2024 aan de vrouw, zijnde (10.291,54 : 2 =) € 5.145,77.
Vermeerdering verzoek
c) het ouderschapsplan en vervangende toestemming voor hulpverlening voor [kind]
De man verzoekt om vaststelling van een gemeenschappelijk ouderschapsplan en om vervangende toestemming teneinde [kind] de noodzakelijke hulpverlening voor de verwerking van de echtscheiding en haar taalachterstand en motoriek te laten verkrijgen.
Het hof overweegt als volgt. De vaststelling van een ouderschapsplan gebeurt door partijen, niet door het hof. Dat [kind] hulpverlening nodig heeft, is door de vrouw betwist en is verder ook niet gebleken. Het verzoek zal worden afgewezen.
d) de bankrekening van de dochter van [kind]
De man verzoekt de gemeenschappelijke bankrekening van partijen met nummer [bankrekeningnummer 5] ten behoeve van [kind] toe te delen aan hem onder de verplichting de helft van het saldo per datum beschikking aan de vrouw te voldoen, waarbij de vrouw wordt ontslagen van haar hoofdelijke verbondenheid ten aanzien van deze bankrekening jegens de [bank] .
Het hof overweegt als volgt. Het saldo op de bankrekening behoort tot het vermogen van [kind] . Dit betekent dat het saldo geen deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap en de man geen verdeling daarvan kan verzoeken, zoals de vrouw ook heeft gesteld. Zijn verzoek zal worden afgewezen.
e) de belastingaanslagen
De man verzoekt te bepalen dat alle fiscale toeslagen en aanslagen over de jaren waarin partijen fiscaal partners zijn bij helfte worden verdeeld. Ter zitting heeft de advocaat van de man verklaard dat het de man daarbij te doen is om de belastingaanslagen na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Daarnaar gevraagd heeft de advocaat van de man verklaard dat de grondslag het fiscaal partnerschap is. Het fiscaal partnerschap stopt echter zodra het verzoek tot echtscheiding is ingediend en de echtelieden niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven. De vrouw is op 29 augustus 2022 op het gezamenlijk adres uitgeschreven. Partijen waren na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (op 16 september 2022) dus geen fiscaal partners meer. Op andere gronden voor verrekening heeft de man zich niet beroepen. Zijn verzoek zal worden afgewezen.
f) de premies verzekeringen vrouw
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw aan hem de premies over de jaren 2023 en 2024 inzake haar verzekering met polisnummer [nummer 3] / [nummer 1] ter hoogte van € 636,08 over het jaar 2023 en € 636,08 over het jaar 2024 dient te voldoen. De vrouw heeft aangegeven hiertegen geen verweer te voeren zodat het verzoek zal worden toegewezen.
De grief van de vrouw: de op naam van de man staande overlijdensrisicoverzekering bij [verzekeraar] en uitvaartverzekering bij [verzekeraar]
De vrouw verzoekt de man te veroordelen om:
- binnen twee dagen na betekening van de beschikking van het hof, althans een door het hof te bepalen datum, zijn medewerking te verlenen aan de beëindiging van de overlijdensrisicoverzekering bij [verzekeraar] en de uitvaartverzekering bij [verzekeraar] , dan wel aan wijziging van de tenaamstelling van deze verzekeringen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,--, per dag of deel hiervan dat de man daar niet aan voldoet;
- binnen twee dagen na betekening van de beschikking van het hof de door haar voor de man betaalde premies ter zake van de genoemde verzekeringen ten bedrage van € 729,17 over de periode tot en met oktober 2024 aan haar te voldoen;
- de premies van de betreffende verzekeringen over de periode november 2024 tot en met de datum van beëindiging van deze verzekeringen aan haar te voldoen.
Het hof overweegt als volgt. Onweersproken is dat de vrouw sinds de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (als enige) de premies heeft betaald van de overlijdensverzekering bij [verzekeraar] ( [nummer 6] ) en de uitvaartverzekering bij [verzekeraar] ( [nummer 7] ).
De uitvaartverzekering bij [verzekeraar] ( [nummer 7] ):
Uit het polisblad (prod. 23) blijkt dat de man de verzekeringnemer is. De vrouw is voor de premiebetalingen echter ook (hoofdelijk) verbonden (art. 1:102 BW), zoals de vrouw zelf ook duidelijk heeft gemaakt. De strekking van de uitvaartverzekering bij [verzekeraar] is om bij [kind] ’s overlijden (de dochter van partijen samen) in de kosten daarvan te voorzien. Gelet op een en ander komen de premiebetalingen in de onderlinge verhouding voor rekening van beide partijen ieder voor de helft. De man dient daarom, zoals door de vrouw verzocht, de helft van de door haar voor deze verzekering betaalde premies over de periode van september 2022 tot en met oktober 2024 aan haar te voldoen. Zoals de vrouw heeft becijferd en ook uit de stukken blijkt, is dit een bedrag van ((16 x 10,39) + (7 x 10,60) + (3 x 10,81) = 272,87 : 2 =) € 136,44. Aldus zal het hof beslissen. Omdat een becijfering ontbreekt van de premies die de vrouw heeft betaald over de periode november 2024 tot en met de datum van beëindiging van de verzekering, zal haar verzoek in zoverre worden afgewezen (nog daargelaten dat de vrouw dus geen aanspraak kan maken op het volledige bedrag van de maandelijkse premie). Voor zover de vrouw die premies volledig heeft betaald, heeft zij een regresvordering op de man voor de helft daarvan.
De vrouw ‘is van mening dat deze verzekeringen beëindigd dienen te worden’, maar het enkele geschil over de betaling van de betrekkelijk geringe premies vormt een onvoldoende belang tegenover het grotere belang dat bij overlijden van [kind] in de kosten die daarmee gepaard gaan, is voorzien. Het verzoek de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de beëindiging van de verzekering bij [verzekeraar] (of wijziging van de tenaamstelling) zal daarom worden afgewezen.
De overlijdensrisicoverzekering bij [verzekeraar] ( [nummer 6] ):
De man is verzekeringnemer. Hij kan, zoals hij naar eigen zeggen ook wenst, de verzekering opzeggen. De man is ook de eerste begunstigde (en daarna zijn kinderen of erfgenamen); niet de vrouw (tabblad 24). Niet valt in te zien waarom na indiening van het verzoek tot echtscheiding (in de onderlinge verhouding van partijen) de premieschulden de vrouw zouden aangaan en zij de premies van de verzekering voor haar rekening zou moeten nemen.
Nu de man zelf al heeft verklaard de verzekering te willen opzeggen, zal het hof de man veroordelen tot beëindiging van de overlijdensrisicoverzekering bij [verzekeraar] , binnen twee weken na de datum van deze beschikking, derhalve vóór 27 november 2025. Voor het opleggen van een dwangsom is geen reden omdat, zoals gezegd, de man zelf al heeft verklaard de verzekering te willen opzeggen.
Het hof zal bepalen dat de man de door de vrouw betaalde premies over de periode van september 2022 tot 27 november 2025, in totaal een bedrag (35 x 17,55 =) € 614,25 aan haar dient te voldoen.
Beroep op verrekening
De man beroept zich er ten slotte nog op dat hij de volledige premies van de uitvaartverzekering op naam van beide partijen voldoet ( [verzekeraar] : [nummer 8] ), zoals wordt overgelegd als tabblad 25, waardoor partijen aldus over en weer premies voor elkaar voldoen en deze premies verrekend dienen te worden.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 6:136 BW luidt als volgt: ‘De rechter kan een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.’ Uit het door de man overgelegde polisblad van de uitvaartverzekering blijkt het volgende. De man is verzekeringnemer. Verzekerden zijn de man zelf (premie van € 14,-- per maand) en de vrouw (premie van € 11,34 per maand). De totale premie bedraagt € 25,34 per maand. De man stelt dat hij ‘de volledige premies’ van die verzekering heeft betaald, maar laat zich er niet over uit of hij de volledige premies dan wel alleen de premies die hij voor de overlijdensverzekering van de vrouw heeft betaald, wil verrekenen. Het hof kan de (tegen)vordering van de man derhalve niet op eenvoudige wijze vaststellen. Overigens kon de man, als verzekeringnemer, de verzekering opzeggen. Dat hij dat niet heeft gedaan, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Het beroep van de man op verrekening wordt verworpen.
6 De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als hierna onder 7 is weergegeven.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
7 De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 8 mei 2024, voor zover het betreft de verdeling van de saldi op de bank- en spaarrekeningen:
- [bankrekeningnummer 1] op naam van de vrouw;
- [bankrekeningnummer 2] op naam van vrouw;
- [bankrekeningnummer 3] op naam van de man;
- [bankrekeningnummer 4] op naam van de man;
en voorts voor zover het betreft de verdeling van:
- de polis (‘levensverzekering’) met nummer [nummer 1]
- en de polissen: ‘levensverzekeringen met nummers [nummer 3] , [nummer 2] en [nummer 4] ’,
en in zoverre opnieuw en voorts aanvullend beschikkende:
deelt toe aan de vrouw:
- het saldo op bankrekening [bankrekeningnummer 1] op naam van de vrouw tegen vergoeding van de helft daarvan, zijnde € 315,20, aan de man;
- het saldo op de bank- en spaarrekening op naam van de vrouw bij de [bank] [bankrekeningnummer 2] tegen vergoeding van de helft daarvan, zijnde € 24.900,90, aan de man;
- de afkoopwaarde per 8 mei 2024 van de verzekering met polisnummer [nummer 1] tegen vergoeding van de helft daarvan, zijnde € 4.400,50, aan de man;
deelt toe aan de man:
- het saldo op bankrekening [bankrekeningnummer 3] op naam van de man tegen vergoeding van de helft daarvan, zijnde € 7.069,32, aan de vrouw;
- het saldo op spaarrekening [bankrekeningnummer 4] op naam van de man tegen vergoeding van de helft daarvan, zijnde € 8.019,73, aan de vrouw;
- de afkoopwaarde per 8 mei 2024 van de verzekering met polisnummer [nummer 3] tegen vergoeding van de helft daarvan, zijnde € 3.911,--, aan de vrouw;
- de afkoopwaarde per 8 mei 2024 van de verzekering met polisnummer [nummer 4] tegen vergoeding van de helft daarvan, zijnde € 5.431,80, aan de vrouw;
- de afkoopwaarde per 8 mei 2024 van de verzekering met polisnummer [nummer 2] tegen vergoeding van de helft daarvan, zijnde, € 5.145,77 aan de vrouw;
bepaalt dat de vrouw aan de man de premies over de jaren 2023 en 2024 inzake haar verzekering met polisnummer [nummer 3] / [nummer 1] ter hoogte van € 636,08 over het jaar 2023 en € 636,08 over het jaar 2024 dient te voldoen;
bepaalt dat de man ter zake van de door de vrouw tot en met oktober 2024 betaalde premies voor de uitvaartverzekering bij [verzekeraar] ( [nummer 7] ) € 136,44 aan de vrouw dient te voldoen;
bepaalt dat de man ter zake van de door de vrouw tot twee weken na de datum van deze beschikking betaalde premies voor de overlijdensrisicoverzekering bij [verzekeraar] ( [nummer 6] ) € 614,25 aan de vrouw dient te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, A.J.F. Manders en H.J. Witkamp en is op 13 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.