Personen- en familierecht
Verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3266 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-3266
Zaakgegevens
Op 13 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 13 november 2025
- Datum publicatie
- 13 november 2025
- Zaaknummer
- 200.341.769_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3266
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.341.769/01
zaaknummer rechtbank : C/01/390366 / FA RK 23-736
beschikking van de meervoudige kamer van 13 november 2025
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.M. Wigman te 's-Gravenhage,
tegen
[de vrouw] ,
wonende op een geheim adres,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. N. Groen te 's-Gravenhage.
Vooraf
Deze beschikking gaat over de financiële afwikkeling van de wettelijke (beperkte) gemeenschap van goederen waarin partijen met elkaar waren gehuwd.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 26 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De man is op 22 mei 2024 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 26 februari 2024.
De vrouw heeft op 27 juni 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De man heeft op 13 augustus 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
De verzoeken van partijen die betrekking hebben op de (vervangende toestemming tot) verhuizing, het gezag, de zorg- en contactregeling en de kinderalimentatie zijn ter griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.341.729/01. Op deze verzoeken is reeds beslist bij beschikking van dit hof van 27 februari 2025.
De overige verzoeken van partijen, te weten de verzoeken die betrekking hebben op de verdeling van de huwelijksgemeenschap en het incident ex art. 843a Rv (oud), zijn ter griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.341.769/01 en liggen thans ter beoordeling voor.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
-
een V6-formulier van 20 juni 2025 van de zijde van de man, met als bijlagen een begeleidende brief van diezelfde datum en twee (ongenummerde) producties, ingekomen 20 juni 2025;
-
een V6-formulier van 22 juni 2025 van de zijde van de vrouw, met als bijlagen een begeleidende brief van diezelfde datum en de producties 106 tot en met 113, ingekomen op 23 juni 2025;
-
een V6-formulier van 24 juni 2025 van de zijde van de man, met als bijlagen een begeleidende brief van diezelfde datum en de producties A en B, ingekomen op 24 juni 2025.
De mondelinge behandeling heeft op 2 juli 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3 De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
-
Partijen zijn op 30 maart 2018 te [plaats 3] met elkaar gehuwd in de wettelijke (beperkte) gemeenschap van goederen.
-
Uit het huwelijk van partijen zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren.
-
Op 16 februari 2023 is bij de rechtbank het verzoek tot echtscheiding ingekomen.
-
Bij de bestreden beschikking van 26 februari 2024 heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken.
-
De echtscheidingsbeschikking is op 20 juni 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4 De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast zoals aldaar in pt. 4.8 is weergegeven en is voorts beslist als volgt:
-
bepaalt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 465,-- moet betalen uit hoofde van door de man betaalde hypotheeklasten van de echtelijke woning, vanaf de datum van ontbinding van de ‘huwelijksgoederengemeenschap’;
-
bepaalt dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding moet betalen van € 465,-- vanaf de datum van ontbinding van de ‘huwelijksgoederengemeenschap’;
-
bepaalt dat de vrouw aan de man een bedrag € 173,-- per maand moet betalen over de periode vanaf de datum van ontbinding van de ‘huwelijksgoederengemeenschap’ tot en met 31 december 2023, in verband met de door de vrouw ontvangen hypotheekrenteteruggaaf;
-
bepaalt dat de vrouw een bedrag aan de man moet betalen ter hoogte van € 72,45 per maand, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van de ‘huwelijksgoederengemeenschap’ tot en met 31 december 2023, in verband met door de man betaalde eigenaarslasten;
-
het meer of anders verzochte afgewezen.
De man verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover hij daartegen grieven heeft gericht en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt wordt vastgesteld:
-
dat de door de man betaalde aflossingen vanaf de datum van peildatum aan de man zullen toekomen ten bedrage van € 303,20 per maand zonder verrekening daarvan met de vrouw;
-
te bepalen dat de vrouw de door haar ontvangen hypotheekrenteteruggave ook vanaf 1 januari 2024 aan de man dient te vergoeden, nu hij de hypotheekrente volledig voldoet;
-
te bepalen dat de vrouw ook vanaf 1 januari 2024 de helft van € 78,61 aan de man dient te vergoeden in verband met de door hem betaalde inboedel- en opstalverzekering tot en met de datum waarop het huis geleverd is aan de koper;
-
te bepalen dat de vrouw de helft van de gemeentelijke belastingen over de jaren 2023 en 2024 aan de man dient te vergoeden van totaal € 462,40 en € 341,94;
-
te bepalen dat de vrouw de helft van de waterschapsbelasting voldoet over de jaren 2023 en 2024 van totaal € 98,60;
-
te bepalen dat de vrouw aan de man binnen een week na het geven van de beschikking in deze een bedrag van € 2.965,- is verschuldigd vanwege de door de man betaalde overdrachtsbelasting van de aankoop van de echtelijke woning;
En de verzoeken van de vrouw waartegen door de man is gegriefd, af te wijzen.
De vrouw verzoekt om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in principaal hoger beroep:
- de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn verzoeken in hoger beroep af te wijzen;
in incidenteel hoger beroep
-
te bepalen dat partijen de belastingaangiftes en teruggaven over de jaren 2022 t/m 2024 dienen te verrekenen;
-
te bepalen dat de vrouw niet gehouden is om aan de man maandelijks € 72,45 te betalen tot 31 december 2023 uit hoofde van de helft van de eigenaarslasten;
-
te bepalen dat de gebruikersvergoeding blijft doorlopen totdat het huis van partijen aan een derde wordt geleverd en dat de hoogte daarvan in elk geval gelijk is aan de volledige hypotheeklast.
bij incident:
- te bepalen dat de man zijn bankafschriften van zijn bank- en spaarrekening over de maanden november 2022 tot en met februari 2023 aan de vrouw dient te verstrekken op grond van artikel 843a Rv.
Met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige.
De man verzoekt in incidenteel hoger beroep
I. het verzoek van de vrouw in incidenteel appel zoals hiervoor weergegeven onder nummer 1 af te wijzen wat betreft de belastingjaren 2023 en 2024;
II. het verzoek van de vrouw in incidenteel appel zoals hiervoor weergegeven onder nummer 2 af te wijzen en de bestreden beschikking op dat punt te handhaven en te bekrachtigen;
III. het verzoek van de vrouw in incidenteel appel zoals hiervoor weergegeven onder nummer 3 af te wijzen onder verwijzing naar de grief die de man op dit punt heeft ingediend.
Het hof zal de grieven hieronder puntsgewijs bespreken.
5 De motivering van de beslissing
Auto’s, motor en inboedel
Voor zover partijen in de hiervoor in rov. 2.5 weergegeven stukken stellingen innemen en of producties overleggen betreffende de auto’s (Renault Twingo en Renault Mégane) de motor en de inboedel, gaat het hof hieraan voorbij, gelet op het feit dat ter zake geen verzoeken zijn geformuleerd. Het hof heeft dit laatste ook met partijen besproken bij de mondelinge behandeling. Partijen hebben toen niet alsnog verzoeken geformuleerd, zodat er daardoor voor het hof niets te beslissen valt. Pogingen bij de mondelinge behandeling over genoemde zaken overeenstemming te bereiken zijn mislukt.
Vergoedingsvordering
Grief 10 van de man keert zich tegen rov. 3.12.1 tot en met rov. 3.12.3 van de bestreden beschikking. Daarin heeft de rechtbank als volgt overwogen:
“3.12.1. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat zij een in hoogte nog nader vast te stellen vergoedingsvordering heeft op de beperkte gemeenschap van in ieder geval € 13.513,50 uit hoofde van de door haar geïnvesteerde privégelden in de woning. De vrouw heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de omvang van de vergoedingsvordering dient te worden berekend bij verkoop van de woning conform artikel 1:87 BW en dat de vrouw uit de verkoopopbrengst van de woning eerst haar vergoedingsvordering ontvangt, waarna de overwaarde met inachtneming van al het voorgaande wordt verdeeld.
De rechtbank stelt vast dat de man tot aan de mondelinge behandeling geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de vrouw, terwijl de vrouw dit verzoek al in het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 9 mei 2023 heeft gedaan. Hij heeft zich nog [sic] verweerd tegen de stelling dat zij een bedrag van € 13.513,50 vanuit privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd, noch tegen de door de vrouw voorgestane berekening van het vergoedingsrecht op grond van artikel 1:87 BW. Ook in zijn processtuk van 27 december 2023 heeft de man geen enkel verweer gevoerd tegen dit verzoek. Tijdens de mondelinge behandeling voert de man voor het eerst verweer door te zeggen dat de vrouw met de door haar overgelegde nota van afrekening niet heeft aangetoond dat met haar privégeld op de hypotheek is afgelost. Dit acht de rechtbank te laat en in strijd met de goede procesorde, omdat de vrouw geen stukken meer kan overleggen waaruit dit blijkt. De rechtbank ziet in het tijdstip waarop de man dit verweer heeft gedaan ook geen aanleiding om de zaak aan te houden. Het had op zijn weg gelegen om dit verweer eerder maar [sic] voren te brengen. Nu de rechtbank dit verweer buiten beschouwing laat en de man geen andere verweren heeft opgeworpen die aan toekenning van het vergoedingsrecht en de hoogte van het gestelde bedrag in de weg staan, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw als onbetwist toe.
De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw een in hoogte nog nader vast te stellen vergoedingsvordering heeft op de beperkte gemeenschap, waarbij geldt dat zij vanuit privévermogen een bedrag van € 13.513,50 heeft geïnvesteerd in de woning. De omvang van de vergoedingsvordering dient te worden berekend bij verkoop van de woning conform artikel 1:87 BW volgens de volgende formule: vergoedingsrecht = € 13.513,50 : aankoopprijs woning x verkoopopbrengst. De rechtbank zal bepalen dat de vrouw uit de verkoopopbrengst van de woning eerst haar vergoedingsvordering ontvangt, waarna de overwaarde met inachtneming van al het voorgaande wordt verdeeld.”
Ter toelichting op die grief voert de man het volgende aan. Met de door de vrouw als productie 26 overgelegde nota van afrekening is niet komen vast te staan dat de vrouw met een bedrag van € 13.513,50 heeft geïnvesteerd in de aankoop van de gezamenlijke echtelijke woning. Het aangevoerde bedrag ziet toe op een aflossing van een hypotheekdeel, welke de vrouw kennelijk is aangegaan bij de aankoop van haar woning aan de [adres 1] te [plaats 2] . In dezelfde nota van afrekening is ook te lezen dat de vrouw nog een hypotheek dient in te lossen, namelijk voor een bedrag van € 131.604,11 inclusief dagrente. De man volgt de vrouw niet in haar conclusie dat het door haar aan de bank terugbetaalde geleende bedrag geïnvesteerd is in de aankoop van de door partijen gezamenlijk aangekochte woning. Op de eveneens door de vrouw overgelegde nota van afrekening betreffende de aankoop van de gezamenlijk woning is te lezen dat er door partijen een bedrag is geleend voor de aankoop van de woning en dat er nog een bedrag resteert te betalen. De man heeft met stukken onderbouwd dat hij dit bedrag heeft voldaan en niet de vrouw. Hij verzoekt dan ook om het verzoek van de vrouw – strekkende tot vaststelling van een vergoedingsvordering van de vrouw ten laste van de man van € 13.513,50 – alsnog af te wijzen.
De vrouw verweert zich. Zij heeft door middel van bewijsstukken aangetoond dat partijen een overbruggingshypotheek voor de aankoop van de gezamenlijke woning hadden afgesloten. Dit omdat de woning van de vrouw nog niet verkocht was. Nog voor de overdracht van de gezamenlijke woning aan partijen, verkocht de vrouw haar appartement in [plaats 2] en is de overwaarde uit dit appartement direct afgelost in de overbruggingshypotheek ter grootte van een bedrag van € 13.513,50. De bewijsstukken worden nogmaals ingediend als productie 93.
Het hof overweegt als volgt. De grief betreft enkel de kwestie of de vrouw de overbruggingshypotheek heeft afgelost met een bedrag van € 13.513,50. Zij heeft dit voldoende aangetoond (productie 93: de door de Rabobank aangeboden overbruggingshypotheek met de nota van afrekening van de woning). Daaruit blijkt dat het overbruggingskrediet is afgelost met de verkoopopbrengst van haar eigen woning. De door de rechtbank gehanteerde berekeningsmethodiek heeft de man in hoger beroep niet bestreden, in het bijzonder niet de toepasselijkheid van art. 1:87 BW. Het voorgaande betekent dat de grief faalt.
Regresvordering
Grief 11 van de man richt zich tegen rov. 3.12.4 van de bestreden beschikking. Daarin heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“3.12.4. De man stelt dat, voor zover het vergoedingsrecht van de vrouw kan worden toegewezen, hij dan ook een vergoedingsrecht heeft op de vrouw van € 2.965,00, zijnde de helft van de door hem betaalde overdrachtsbelasting. De rechtbank zal dit verzoek, mede gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw, afwijzen, alleen al vanwege het feit dat de man niet heeft aangetoond dat hij de overdrachtsbelasting met privégeld heeft betaald.”
Ter toelichting op deze grief voert de man aan dat hij met stukken heeft aangetoond dat hij de overdrachtsbelasting voor de aankoop van de gezamenlijke woning van partijen volledig heeft betaald. Uit de overgelegde producties, nota van afrekening d.d. 15 januari 2018 alsmede bankbetaling, is op te maken dat de man een bedrag heeft overgemaakt ten bedrage van € 5.930,59 op de bankrekening van het notariskantoor.
De man heeft een vordering op de vrouw ten bedrage van de helft hiervan, zijnde € 2.965,30. In eerste aanleg is door de vrouw betoogd dat de man slechts kosten heeft betaald en geen investering in het onroerend goed heeft gedaan gelijk de vrouw. Dat laatste wordt door de man betwist. Het neemt echter niet weg dat de man kosten voor de vrouw heeft voorgeschoten, waarvan zij de helft had moeten betalen en zij dit niet heeft gedaan.
De vrouw verweert zich. De man heeft kosten voldaan en geen investering gedaan in de woning. Zij betwist dat zij gehouden zou zijn de helft van de kosten van de notaris te dragen. Dat volgt nergens uit.
Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben vóór het huwelijk tezamen een woning gekocht aan de [adres 2] te [plaats 3] . De man heeft de nota van afrekening (aktedatum 2 februari 2018) overgelegd (op 20 juni 2025). Daaruit blijkt dat ter zake van verkrijging van de woning nog het door de man genoemde bedrag van € 5.930,59 moest worden voldaan. Verder heeft de man een afschrift van een bankrekening op zijn naam overgelegd (op 20 juni 2025), waarop een overboeking door hem staat vermeld van exact het genoemde bedrag op het op de nota van afrekening genoemde rekeningnummer op 29 januari 2018, luttele dagen voorafgaand aan de aktedatum. Daarmee heeft de man genoegzaam aangetoond dat hij bij de aankoop van deze gezamenlijke woning en voor het huwelijk een bedrag van € 5.930,59 heeft voldaan dat voor rekening van beide partijen kwam (beiden waren partij bij de koopovereenkomst). Waarom dat anders zou zijn, heeft de vrouw niet gesteld, wat temeer op haar weg had gelegen in het licht van de stelling van de man dat hij de helft van het bedrag heeft voorgeschoten (in welke stelling een beroep op een (stilzwijgende) overeenkomst ligt besloten). Evenmin heeft de vrouw betwist dat de man dit bedrag heeft voldaan met privégelden. Aldus komt de man een regresvordering toe ten bedrage van afgerond € 2.965,-- (zijnde de helft van € 5.930,59). De vordering en de daarmee corresponderende schuld vallen niet in de huwelijksgemeenschap (zie ook HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:436.
De grief van de man slaagt.
Gebruiksvergoeding
Grief 12 van de man en grief 4 van de vrouw gaan over de gebruiksvergoeding. Daarmee richten deze grieven zich tegen rov. 3.13.8 van de bestreden beschikking. Daarin heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“3.13.8. De vrouw vraagt echter een gebruiksvergoeding. Een gebruiksvergoeding kan zowel op grond van art. 1:165 BW als op grond van art. 3:169 BW worden verzocht. Artikel 1:165 BW ziet op de periode vanaf datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Artikel 3:169 BW is echter reeds van toepassing vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap, dus vanaf 16 februari 2023. Beide bepalingen hebben (mede) ten doel de deelgenoot die verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. De rechtbank legt de stelling van de vrouw zo uit dat zij haar verzoek baseert op art. 3:169 BW, omdat zij een gebruiksvergoeding vraagt vanaf de datum van ontbinding van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap (namelijk vanaf het moment dat zij gehouden is de helft van de door de man betaalde hypotheeklasten te voldoen). Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 3:169 BW volgt dat een deelgenoot, die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is de andere deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen (onder meer de Hoge Raad van 22 november 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA9143) en 23 november 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BB6176). Daarbij geldt dat de redelijkheid en billijkheid de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten, tevens ex-echtgenoten, beheersen. Dit betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de man gehouden is, nu hij de woning vanaf de datum van ontbinding van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap met uitsluiting van de vrouw heeft gebruikt, aan haar een schadeloosstelling in de vorm van een gebruiksvergoeding moet betalen. Gelet op het feit dat man niet heeft betwist dat de vrouw in het Blijfhuis ook zelf een verplichte bijdrage heeft betaald en daarna zelf ook huur heeft moeten betalen, zal de rechtbank de gebruiksvergoeding in redelijkheid stellen op hetgeen de vrouw aan de man uit hoofde van de hypotheekrente van € 465,00 moet betalen. Per saldo betekent dit dat het door de vrouw aan de man te betalen bedrag en de gebruiksvergoeding tegen elkaar worden weggestreept.”
De man heeft het volgende aangevoerd. Hij betwist alsnog dat de vrouw een verplichte bijdrage aan het Blijfhuis diende te voldoen en, indien van toepassing, de hoogte hiervan. De man verzoekt de vrouw om met stukken te onderbouwen wat de bijdrage is geweest van haar verblijf, zodat daar rekening mee kan worden gehouden bij het bepalen of en hoe hoog de bijdrage in de woonlasten van de gezamenlijk echtelijke woning dienen te zijn. Tevens kan de man zich niet vinden in de beslissing van de rechtbank om de bijdrage in de hypotheekrente weg te strepen tegen de gebruiksvergoeding. De rechtbank heeft het totale bedrag aan hypotheekrente inclusief aflossing in de berekening betrokken, terwijl een bedrag van € 303,20 het deel van de aflossing is. Het komt de man onredelijk voor dat de vrouw meeprofiteert van de aflossingen op de woningschuld die door de man worden gerealiseerd. De man is van mening dat de aflossing van de schuld ten goede dient te komen van degene die het heeft betaald. De man legt een bewijsstuk over, waaruit de rentebetaling en de aflossing blijkt.
De vrouw legt als productie 94 over bewijs van haar maandelijkse lasten van het Blijfhuis. Zij stelt dat de man de verkoop van de woning heeft tegengewerkt en wijst in dat verband op productie 95. Het is zeer onredelijk dat de man bewust heeft stilgezeten waardoor de vrouw moet blijven betalen voor de woning waarin de man kon verblijven. De gebruiksvergoeding dient in ieder geval gelijk te worden gesteld aan de volledige hypotheeklasten (rente en aflossing). De rechtbank heeft dit dus goed gedaan. Als het hof dat niet vindt, dan stelt de vrouw incidenteel appel in op het punt dat de gebruiksvergoeding gelijk is aan de hypotheekrente én aflossing. Zij is dan van mening dat de gebruiksvergoeding hoger dient te zijn. Er is immers een forse overwaarde. De gebruiksvergoeding dient door te lopen tot verkoop woning aan derde.
Het hof stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw recht heeft op een gebruiksvergoeding over de periode 16 februari 2023 (datum ontbinding huwelijksgemeenschap) tot 26 juli 2024 (datum waarop de woning aan de [adres 2] te [plaats 3] is geleverd aan (een) derde(n)). De gebruiksvergoeding is bedoeld als schadeloosstelling voor het gemiste gebruik en genot van die woning (daartoe o.m. HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143, rov. 3.7 en HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156, rov. 4.1.2). Aangezien de man in de periode 16 februari 2023 tot 26 juli 2024 het exclusieve gebruik van de woning had, heeft de vrouw in die periode geen genot gehad van haar aandeel in de woning. Dat betekent dat zij op grond van artikel 3:169 BW in beginsel recht heeft op een schadeloosstelling in de vorm van een gebruiksvergoeding.
Partijen hebben beiden de kwestie van de gebruiksvergoeding aan het hof voorgelegd. Artikel 3:169 BW schrijft voor dat – tenzij een regeling anders bepaalt – iedere deelgenoot in een gemeenschap bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Deze wettelijke bepaling heeft mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere echtgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Het hof gaat voor de schadeloosstelling in redelijkheid, terwijl dit ook een gebruikelijke berekeningsmethodiek is, uit van de overwaarde van de woning. De WOZ-waarde van de woning is € 517.000,-- (IB-aangifte 2023 van de man, productie HB63). Uit diezelfde IB-aangifte blijkt dat de eigenwoningschuld op 31 december 2023 € 135.121,-- bedroeg, zodat het hof voor de berekening van de gebruiksvergoeding een overwaarde van € 381.879,-- (€ 517.000,-- minus € 381.879,--) tot uitgangspunt neemt. Het hof stelt de gebruiksvergoeding per jaar in redelijkheid vast op 3% van het aandeel van de vrouw in die overwaarde (derhalve 3% van ½ x € 381.879,--), hetgeen neerkomt op, afgerond, € 477,-- per maand. Op grond van het in hoger beroep geldende beginsel van ‘non reformatio in peius’ kan de man echter niet slechter worden van zijn eigen hoger beroep in die zin dat het hof op basis van het gegrond zijn van deze grief tot een hogere door de man te betalen bijdrage zou komen.
Het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van de vrouw behoeft – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – geen verdere bespreking meer. Aldus stelt het hof de gebruiksvergoeding vast op € 465,-- per maand, gelijk aan de hoogte van de gebruiksvergoeding die de rechtbank heeft vastgesteld. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de gebruiksvergoeding, zij het op andere gronden, bekrachtigen.
Hypotheekrenteaftrek / Belastingteruggaven
Grief 13 van de man en grief 2 van de vrouw hebben betrekking op de afwijzing van hun verzoeken, zoals door de rechtbank in de rov. 3.13.9 tot en met 3.13.11 weergegeven:
“3.13.9. De man verzoekt te bepalen dat hij met betrekking tot maandelijkse renteteruggave een vordering op de vrouw heeft ter hoogte van € 2.076,00 te vermeerderen met € 173,00 voor iedere maand vanaf 1 januari 2024 tot het moment waarop de woning aan een derde is geleverd.
De rechtbank vindt dat dit verzoek deels toewijsbaar is en wel voor zover het de periode betreft vanaf de datum van ontbinding van de beperkte gemeenschap van goederen tot en met 31 december 2023. De vrouw betwist niet dat zij gedurende het jaar 2023 de hypotheekrenteteruggaaf van € 173,00 per maand heeft ontvangen. De man heeft echter, zoals de vrouw terecht opmerkt, enkel recht op de helft van het door hem gevorderde bedrag, nu de andere helft van het bedrag aan de vrouw toekomt. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man een vordering heeft op de vrouw van € 1.038,00, zijnde de helft van de door de vrouw ontvangen hypotheekrenteteruggaaf over het jaar 2023. De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij vanaf 1 januari 2024 de hypotheekrente niet langer ontvangt en de man heeft niet aangetoond dat dit wel het geval is. Dit deel van het verzoek van de man zal de rechtbank daarom afwijzen.
De vrouw heeft verder nog aangegeven dat partijen gehouden zijn om eventuele belastingteruggaven en -aanslagen te verrekenen. Zij heeft hier echter geen verzoek aan gekoppeld. Voor zover hierin een verzoek gelezen moet worden, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek te algemeen is geformuleerd om te kunnen worden toegewezen.”
De man (grief 13) kan zich er niet mee verenigen dat de rechtbank heeft overwogen dat nu de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat zij vanaf 1 januari 2024 de hypotheekrenteaftrek niet langer ontvangt en de man niet heeft aangetoond dat dat wel het geval is, dat deel van zijn verzoek – inhoudende dat hij een vordering op de vrouw heeft vanwege de door haar ontvangen hypotheekrenteaftrek – daarom zal afwijzen. De man licht dit als volgt toe. Hij kan niet aantonen dat de vrouw een hypotheekrenteaftrek ontvangt. Het is aan de vrouw om met stukken aan te tonen dat zij dit over 2024 niet ontvangt. De man ontvangt zijn deel van de hypotheekrenteaftrek, nu partijen geen fiscaal partner meer zijn, maar hij betaalt wel de gehele hypotheekrente, zonder bijdrage van de vrouw hierin. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de door haar ontvangen hypotheekrenteteruggave ook vanaf 1 januari 2024 aan de man dient te vergoeden, nu hij de hypotheekrente volledig voldoet.
De vrouw verweert zich tegen deze grief van de man. De vrouw heeft geen recht meer op hypotheekrenteaftrek en legt ter onderbouwing hiervan een brief van de Belastingdienst over (productie 96). Uit deze productie blijkt dat de vrouw geen voorlopige aanslag 2024 krijgt omdat uit de definitieve aanslag van 2022 “bleek dat u geld moest betalen. Wij verwachten dat u over 2024 ook moet betalen. Daarom krijgt u nu geen maandelijkse teruggaaf meer.”
Het hof stelt allereerst vast dat de voormalige echtelijke woning op 26 juli 2024 is geleverd aan (een) derde(n), zodat daarmee dit geschil beperkt is tot de periode 1 januari 2024 tot 26 juli 2024. De stelling van de man dat hij de volledige hypotheekrente in deze periode voor zijn rekening heeft genomen en slechts de helft van de hypotheekrenteteruggaaf heeft genoten, is door de vrouw niet weersproken. De enkele betwisting door de vrouw dat zij deze teruggaaf niet heeft ontvangen, ofschoon zij daar recht op heeft, is onvoldoende. Dit betekent dat zijn grief slaagt (hij betaalt de volledige hypotheekrenten en hij heeft in de onderlinge verhouding recht op de teruggaaf) en dat zijn verzoek om te bepalen dat de door de vrouw ontvangen hypotheekrenteteruggaaf vanaf 1 januari 2024 tot 26 juli 2024, wordt toegewezen,
Grief 2 van de vrouw keert zich tegen rov. 3.13.11 van de bestreden beschikking. In die rechtsoverweging heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“3.13.11. De vrouw heeft verder nog aangegeven dat partijen gehouden zijn om eventuele belastingteruggaven en -aanslagen te verrekenen. Zij heeft hier echter geen verzoek aan gekoppeld. Voor zover hierin een verzoek gelezen moet worden, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek te algemeen is geformuleerd om te kunnen worden toegewezen.”
Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan. Partijen zijn nog altijd gehuwd en eigenaar van een gezamenlijke woning. De vrouw zou over de jaren 2022 en 2024 de belastingaangiftes en -aanslagen willen verrekenen, gelet ook op de beperkte gemeenschap van goederen. De aangiftes 2022 en 2023 zijn bekend, dus de rekensom kan worden gemaakt. Zij verzoekt het hof dan ook te bepalen dat partijen de belastingaangiftes en -aanslagen over de jaren 2022 tot en met 2024 dient te verrekenen.
De man verzet zich tegen verrekening van de belastingaanslagen over de jaren 2023 en 2024.
Het hof oordeelt als volgt. Zoals de rechtbank al heeft geoordeeld is het verzoek te onbepaald en te algemeen geformuleerd, waardoor het niet kan worden toegewezen. Dat is in hoger beroep nog steeds het geval. Hierbij zij nog opgemerkt dat huwelijksgemeenschap al is ontbonden op 16 februari 2023. Wat de vrouw voor de periode daarna voor ogen staat met verrekening is het hof helemaal onduidelijk.
Inboedel- en opstalverzekering
Grief 14 van de man en grief 3 van de vrouw richten zich tegen hetgeen de rechtbank ter zake deze verzekeringen heeft overwogen:
“3.13.12. De man heeft verzocht te bepalen dat hij met betrekking tot de inboedel-/opstalverzekering een vordering op de vrouw heeft ter hoogte van € 434,70, namelijk € 72,45per maand, nog te vermeerderen met € 72,45 voor iedere maand vanaf 1 januari 2024 tot het moment waarop de woning aan een derde is geleverd. De vrouw heeft de verschuldigdheid daarvan betwist.
De rechtbank stelt voorop dat deze kosten zien op de instandhouding van de woningen inboedel. Vanaf de datum van ontbinding van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap moeten partijen op grond van artikel 3:172 BW naar evenredigheid van hun aandeel bijdragen in de uitgaven die daarop betrekking hebben. Het enkele feit dat alleen de man, zoals de vrouw stelt, het gebruik hierover heeft doet hieraan niet af. Nu de vrouw er ook zelf van uitgaat dat zij voor de helft gerechtigd is tot de woning en de inboedel, is zij gehouden om voor de helft bij te dragen in de kosten van de inboedel-/opstalverzekering vanaf de datum van ontbinding van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw heeft niet gemotiveerd betwist dat de man deze bedragen over 2023 heeft voldaan, zodat rechtbank zal bepalen dat de vrouw een bedrag aan de man moet betalen ter hoogte van € 72,45 te rekenen vanaf 16 februari 2023. De rechtbank kan niet bepalen dat de vrouw een bedrag aan de man verschuldigd is over 2024, nu nog niet vaststaat dat de man deze bedragen zal voldoen. Het spreekt uiteraard voor zich dat als de man deze lasten integraal betaalt hij een regresrecht op de vrouw heeft voor de helft van deze lasten.”
De grief van de man richt zich specifiek tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtbank niet kan bepalen dat de vrouw een bedrag verschuldigd is over 2024, nu nog niet vaststaat dat de man deze bedragen zal voldoen en dat het voor zich spreekt dat als de man deze lasten integraal betaalt, hij een regresrecht op de vrouw heeft voor de helft van deze lasten.
Ter toelichting hierop stelt de man dat hij de kosten voor de inboedel- en opstalverzekering voor 2024 óók heeft voldaan. De man overlegt betalingsbewijzen waaruit blijkt dat hij deze kosten voor de maanden januari tot en met april 2024 heeft voldaan en hij vindt dat aangenomen kan worden dat hij deze kosten tot aan de levering van de woning aan (een) derde(n) zal blijven voldoen. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw ook vanaf 1 januari 2024 de helft van € 78,61 aan de man dient te vergoeden in verband met de door hem betaalde inboedel- en opstalverzekering tot en met de datum waarop het huis geleverd is aan de koper.
De vrouw op haar beurt is van mening dat zij überhaupt niet gehouden is om voor de helft bij te dragen in de kosten van de inboedel-/opstalverzekering vanaf de datum van ontbinding van de beperkte huwelijksgemeenschap. Het is de keuze van de man geweest om de woning aan te houden en niet de keuze van de vrouw. De man had bovendien ook de inboedel geheel weggehaald uit het huis, althans in elk geval al sinds de woning in de verkoop staat, dus wat de vrouw betreft is het daarom des te onredelijker dat ze de helft van de kosten moet blijven betalen voor inboedel die niet in de woning staat.
De vrouw is van mening dat de man niet van de vrouw mag verlangen dat, terwijl zij met de kinderen noodgedwongen elders woont en extra kosten moet maken en minder of nog geen alimentatie ontvangt, zij moet meebetalen aan lasten van de man. De man betaalt immers ook niet mee aan haar lasten. De vrouw acht het dan ook niet redelijk en billijk dat de rechtbank dit heeft toegewezen. Partijen zijn gehouden elkaar het nodige te verschaffen ex art. 1:81 BW en elkaar te onderhouden, dus strikt genomen moet de man dan ook alle kosten voor het Blijfhuis en de kosten van de kinderen die zij heeft gemaakt, voor de helft dragen.
De vrouw verzoekt het hof om dit onderdeel van de beschikking te vernietigen
en het verzoek van de man af te wijzen, dan wel, met vermeerdering van haar eigen verzoeken, te bepalen dat de man dan ook gehouden is de helft van de kosten van het verblijf van de vrouw in de Blijf-groep alsook de helft van de kosten van de kinderen te betalen, nog nader te specificeren voor een tiendagentermijn, tot het moment waarop de man kinderalimentatie is gaan betalen.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de vrouw gehouden is om voor de helft bij te dragen in de kosten van de inboedel- en opstalverzekering vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Die verplichting vloeit voort uit art. 3:172 BW. Dat het – zoals de vrouw stelt – de keuze van de man is geweest om de woning aan te houden leidt niet tot een ander oordeel. In dat oordeel heeft het hof betrokken dat de man de woning – die op 26 juli 2024 is geleverd aan een derde(n) – niet onevenredig lang aan zich heeft gehouden. Dat de man de inboedel uit het huis heeft weggehaald, kan evenmin tot een ander oordeel leiden, nu dit niet is komen vast te staan.
Voor wat betreft 2023 is tussen partijen niet in geschil dat de maandelijkse verzekeringskosten ad € 72,45 in zijn geheel door de man zijn voldaan. De vrouw dient hierin, zoals de rechtbank heeft overwogen en zoals door dit hof bekrachtigd, voor de helft bij te dragen vanaf de datum ontbinding van de beperkte huwelijksgemeenschap (16 februari 2023). De rechtbank heeft evenwel abusievelijk overwogen dat de man een regresvordering heeft op de vrouw voor het gehele bedrag. Deze kennelijke rekenfout zal het hof ambtshalve herstellen en aldus bepalen dat de man voor wat betreft 2023 ter zake een regresvordering heeft op de vrouw ten bedrage van € 36,22 per maand (zijnde ½ x € 72,45). Dit komt ook overeen met zijn oorspronkelijke verzoek (aanvullend verzoek van de man d.d. 27 december 2023, nr. 44). De bestreden beschikking zal om die reden ter zake dan ook worden vernietigd.
Voor wat betreft 2024 kan het hof enkel over de maanden januari 2024 tot en met april 2024 vaststellen dat de man deze verzekeringen heeft voldaan, zodat hij ook ter zake een regresvordering heeft op de vrouw. Dit regresrecht komt neer op ½ x € 72,45 (januari 2024) en ½ x € 78,61 (februari, maart en april) of wel in totaal € 154,14. Voor wat betreft de maanden mei 2024 tot en met de levering van de woning aan (een) derde(n) geldt dat het hof niet kan bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag verschuldigd is, nu – bij gebrek aan betalingsbewijzen – niet vaststaat dat de man deze bedragen heeft voldaan.
Voor zover de vrouw ter toelichting op haar grief heeft verzocht om de beschikking waarvan beroep op dit punt te vernietigen en het verzoek van de man af te wijzen, dan wel, met vermeerdering van haar eigen verzoeken, te bepalen dat de man dan ook gehouden is de helft van de kosten van het verblijf van de vrouw in de Blijf-groep alsook de helft van de kosten van de kinderen te betalen, nog nader te specificeren voor een tiendagentermijn, tot het moment waarop de man kinderalimentatie is gaan betalen, heeft zij dit verzoek, ondanks haar toezegging dit te zullen doen, niet nader gespecificeerd voor de tiendagentermijn. Het hof zal het verzoek daarom afwijzen.
Waterschapsbelasting en overige gemeentelijke belastingen
Grief 15 van de man richt zich tegen rov. 3.13.14 van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft aldaar als volgt overwogen:
“3.13.14. De man stelt zich op het standpunt dat hij een vordering op de vrouw heeft van in totaal € 510,98, te weten de helft van de door hem over 2023 betaalde waterschapsbelasting van in totaal € 97,14 en de helft van de overige gemeentelijke belastingen van in totaal € 924,81, voor zover dit eigenaarslasten betreffen. Voor deze lasten geldt in beginsel hetzelfde kader als voor de hypothecaire rentelasten. Dat betekent dat als de man deze kosten heeft voldaan, de vrouw gehouden is de helft terug te betalen op grond van hun interne draagplicht. De vrouw heeft echter terecht opgemerkt dat de man niet heeft aangetoond dat hij deze lasten heeft voldaan. De rechtbank kan daarom het verzoek van de man niet toewijzen. Uiteraard geldt dat als de man dit alsnog aan de vrouw aantoont, zij -voor zover dit het eigenaarsdeel betreft- de helft van deze lasten' aan hem dient te voldoen vanaf de datum van ontbinding van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap.”
Ter toelichting op deze grief voert de man aan dat hij de WOZ 2023 en 2024, zoals blijkt uit de WOZ-aanslag, heeft betaald. Dit blijkt uit de overgelegde betalingsbewijzen (HB21 en HB22). De bedragen die de vrouw bij helfte aan de man dient te vergoeden zijn:
-
Waterschap [locatie] € 97,14 en € 100,06 = € 197,20 : 2 = € 98,60.
-
WOZ 2023 € 924,81, waarvan het eigenaarsdeel en een aanslag op basis van meerpersoonshuishouden een bedrag van € 924,81 betreft. De vrouw dient de helft aan de man te voldoen ad € 462,40.
-
WOZ 2024 € 877,25, waarvan het eigenaarsdeel een bedrag van € 683,88 betreft (€ 482,83 + € 201,05 = € 683,88). De vrouw dient de helft hiervan te voldoen ad € 341,94.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de helft van de gemeentelijke belastingen over de
jaren 2023 en 2024 aan de man dient te vergoeden van totaal € 462,40 en € 341,94, alsmede te bepalen dat de vrouw de helft van de waterschapsbelasting voldoet over de jaren 2023 en 2024 van totaal € 98,60.
De vrouw verweert zich. Zij kan zich vinden in het standpunt van de man dat zij in beginsel de helft van de eigenaarslasten van de woning dient te voldoen. Echter, zij is niet bereid om de waterschapslasten te voldoen, nu dit volgens de vrouw gebruikerslasten zijn. Evenmin is zij bereid om de toeslag die verband houdt met een meerpersoonshuishouden te voldoen. Het had op de weg van de man gelegen om bij de gemeente te laten aanpassen dat sprake is van een eenpersoonshuishouden. De man heeft de verkoop van de woning tegengewerkt, waardoor de kosten onnodig voortduren. De vrouw heeft ook niet de financiële middelen om deze kosten te voldoen.
Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw niet betwist dat de man de WOZ-aanslagen 2023 en 2024 heeft voldaan. Ten aanzien van de toeslag meerpersoonshuishouden, is het hof niet gebleken dat deze toeslag voor wat betreft 2024 is toegepast. Uit de WOZ-beschikking 2024 blijkt dat reeds rekening is gehouden met een eenpersoonshuishouden. Voor wat betreft 2023 geldt het volgende. Het hof ziet, anders dan de vrouw, geen aanleiding om de toeslag voor een meerpersoonshuishouden buiten beschouwing te laten, nu de peildatum voor die toeslag is gelegen op 1 januari van het betreffende jaar. Aangezien de vrouw op 1 januari 2023 in het gemeentelijke basisadministratie nog stond ingeschreven op de [adres 2] , bestaat er geen aanleiding om die toeslag niet in evenredigheid aan de vrouw toe te rekenen.
Voor wat betreft de WOZ-aanslag 2023 heeft de man dan ook een regresvordering op de vrouw van € 462,40. Voor wat betreft de WOZ-aanslag 2024 geldt dat de woning op 26 juli 2024 is geleverd aan (een) derde(n). In de processtukken bevindt zich geen nota van afrekening, maar uit die afrekening zal dienen te blijken welk deel van de WOZ-aanslag 2024 voor rekening van partijen komt en wel deel voor rekening van de nieuwe woningeigena(a)r(en). Voor zover de man dat deel van de WOZ-aanslag dat voor rekening van partijen komt, niet reeds met de kopers van de woning via de nota van afrekening heeft verrekend, heeft de man een regresvordering op de vrouw voor de helft van dat aandeel dat voor rekening van partijen komt. Bij gebrek aan nadere gegevens, kan het hof hieraan geen bedrag koppelen en dus geen vordering toewijzen.
Voor zover het betreft de kosten van de waterschapsbelasting, overweegt het hof als volgt. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat het gaat om de aanslagen watersysteemheffing. De kosten voor watersysteemheffing zijn, anders dan de vrouw stelt, geen gebruikerslasten, maar eigenaarslasten. Aldus is de vrouw gehouden hiervan de helft te voldoen. Nu niet in geschil is dat de man deze kosten heeft voldaan, heeft hij een regresvordering voor de helft hiervan op de vrouw. Met dien verstande dat ook hier ten aanzien van 2024 geldt dat dit enkel geldt voor de helft van het bedrag dat (tot aan de levering van de woning aan (een) derde(n)) voor rekening van partijen komt en uitsluitend voor zover dit deel niet reeds met de kopers van de woning via de nota van afrekening is verrekend. Bij gebrek aan nadere gegevens kan het hof hieraan voor wat betreft 2024 geen bedrag koppelen, zodat er geen vordering kan worden toegewezen. Voor wat betreft 2023 heeft de man een regresvordering op de vrouw van € 48,57 (½ x € 97,14).
Incident 843a Rv
De vrouw heeft een incident opgeworpen ex art. 843a Rv (oud). Zij verzoekt te bepalen dat de man zijn bankafschriften van zijn bank- en spaarrekening over de maanden november 2022 tot en met februari 2023 aan de vrouw dient te verstrekken op grond van artikel 843a Rv. De man heeft in zijn verweer op het incident verklaard dat hij de bankafschriften tijdig aan de vrouw zal doen toekomen, maar dat heeft hij nagelaten, zodat het verzoek nog immer voorligt. Het hof zal het verzoek niettemin afwijzen nu de vrouw onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarin haar rechtmatig belang is gelegen. De enkele door de vrouw gestelde omstandigheid dat er veel geld van de rekeningen van de man ‘verdwenen’ is, dat zij wenst te weten waar het geld naar toe is gegaan, dat de man grote uitgaven heeft gedaan en dat de vrouw niet weet of de man spaargelden naar elders heeft overgeboekt is daartoe onvoldoende. Een voldoende concretisering van benadeling van de gemeenschap of het verborgen houden van gelden (zo het de vrouw daarom al te doen zou zijn) ontbreekt bovendien.
6 De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk bekrachtigen – al dan niet onder aanvulling van gronden – en gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de financiële afwikkeling van de beperkte gemeenschap van goederen betreft.
7 De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 26 februari 2024, voor zover:
-
het verzoek van de man, strekkende tot toekenning van een vergoedingsrecht ten bedrage van € 2.965,-- is afgewezen;
-
het verzoek van de vrouw om belastingteruggaven en -aanslagen te verrekenen voor wat betreft de periode 1 januari 2022 tot 16 februari 2023 is afgewezen;
-
de rechtbank heeft bepaald dat de vrouw een bedrag aan de man moet betalen van € 72,45 per maand te rekenen vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap tot en met 31 december 2023, in verband met door de man betaalde inboedel- en opstalverzekering;
-
het verzoek van de man, strekkende tot toekenning van een vordering op de vrouw van in totaal € 510,98 – zijnde de helft van de door de man over 2023 betaalde waterschapsbelasting van in totaal € 97,14 en de helft van de overige gemeentelijke eigenaarslasten van in totaal € 924,81 – te vermeerderen met de helft van de eigenaarslasten vanaf 1 januari 2024 tot en met april 2024, is afgewezen,
en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man een regresvordering heeft op de vrouw ten bedrage van € 2.965,-- uit hoofde van door hem betaalde kosten ten behoeve van de aankoop van de (voormalige) echtelijke woning van partijen;
bepaalt dat partijen gehouden zijn om belastingteruggaven en -aanslagen te verrekenen voor zover betreft de periode 1 januari 2022 tot 16 februari 2023, met inachtneming van hetgeen in de bestreden beschikking in rov. 3.13.10 ten aanzien van de hypotheekrenteteruggave is overwogen;
bepaalt dat de vrouw vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap tot en met 31 december 2023, in verband met door de man betaalde inboedel- en opstalverzekering, een bedrag aan de man dient te voldoen van € 36,22 per maand (zijnde ½ x € 72,45);
bepaalt dat de vrouw over de maanden januari 2024 tot en met april 2024 in verband met de door de man betaalde inboedel en -opstalverzekering een bedrag aan de man dient te voldoen van in totaal € 154,14;
bepaalt dat de vrouw in verband met de door de man betaalde waterschapsbelasting 2023 een bedrag van € 48,17 aan de man dient te voldoen en in verband met de door de man betaalde gemeentelijke eigenaarslasten over 2023 een bedrag van € 462,40;
bepaalt dat de vrouw de door haar ontvangen hypotheekrenteteruggave over de periode 1 januari 2024 tot 26 juli 2024 aan de man dient te vergoeden;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, al dan niet onder verbetering van gronden, voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, A.J.F. Manders en E.F.M. van Swaaij en is op 13 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.