Personen- en familierecht

Toewijzing verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking over…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 januari 2025

Zaakgegevens

Op 9 januari 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
9 januari 2025
Datum publicatie
10 januari 2025
Zaaknummer
200.347.270_02
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. M. Koppelmans-de Goeij, thans zonder procesvertegenwoordiging
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:35
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Toewijzing verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking over kinderalimentatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 9 januari 2025

Zaaknummer: 200.347.270/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/403332 / FA RK 24-1414

op het incidenteel verzoek in de zaak in hoger beroep van:

[de bewindvoerder] h.o.d.n. [naam]

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verzoeker in het incident,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

in zijn hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Koppelmans-de Goeij,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: thans zonder procesvertegenwoordiging, voorheen: mr. A. Elias.

In het kort:

Deze zaak gaat over de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 augustus 2024, betreffende de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige [minderjarige] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 augustus 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De (bewindvoerder van de) man is op 22 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.347.270/01 (de hoofdzaak).

De (bewindvoerder van de man) heeft bij beroepschrift in incident verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring te schorsen totdat in de hoofdzaak is beslist.

Kosten rechtens. Het schorsingsverzoek is ingeschreven bij het hof onder zaaknummer 200.347.270/02. De onderhavige beschikking ziet uitsluitend op deze kwestie.

2.2.

De vrouw heeft geen verweerschrift in het incident ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van het verzoek van (de bewindvoerder van) de man tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking heeft plaatsgevonden op 18 december 2024. Bij die gelegenheid is gehoord:

- de advocaat van (de bewindvoerder van) de man.

2.3.1.

De man is met bericht van verhindering, niet op de mondelinge behandeling verschenen.

2.3.2.

De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen. De bewindvoerder van de man is evenmin op de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • V6-formulier met bijlage van de advocaat van (de bewindvoerder van) de man van 1 november 2024;

  • V6-formulier met bijlagen (productie 7 en 8) van de advocaat van (de bewindvoerder van) de man van 9 december 2024;

  • V6-formulier met bijlage (brief) van de advocaat van (de bewindvoerder van) de man van 16 december 2024.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en samengewoond. De samenleving van de man en de vrouw is in april 2022 geëindigd. Tijdens hun relatie is geboren: [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2021.

3.2.

De man heeft [minderjarige] erkend. De man en de vrouw oefenen samen het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] .

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in dit incident van belang, bepaald dat de man met ingang van 1 april 2024 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] een bedrag van € 400,- per maand dient te betalen, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De man is in die procedure niet verschenen.

De standpunten in het incident

3.4.

De (bewindvoerder van de) man voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat – het volgende aan.

De man heeft er belang bij dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de beslissing over de kinderalimentatie wordt geschorst. De rechtbank heeft bepaald dat de man met ingang van 1 april 2024 een bedrag van € 400,- per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De man noch zijn bewindvoerder was op de hoogte van het feit dat de vrouw een procedure was opgestart. Omdat zij niet tijdig op de hoogte waren van het door de vrouw ingediende verzoek heeft de (bewindvoerder van) de man niet tijdig verweer kunnen voeren en heeft de rechtbank ook geen inhoudelijk oordeel over het verzoek van de vrouw kunnen geven.

De man is gezien zijn financiële positie niet in staat de kinderalimentatie te voldoen. De man is sinds 6 februari 2024 afhankelijk van een bijstandsuitkering in de zin van de Participatiewet. Daarbij komt dat de man sinds 1 maart 2024 onder bewind staat vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden. De man heeft belang bij behoud van de bestaande toestand die bestond voorafgaand aan de beschikking van de rechtbank, namelijk dat er nog geen kinderalimentatie was vastgesteld. Dit belang van de man weegt zwaarder dan het belang van de vrouw om tot tenuitvoerlegging van de beslissing over te gaan. De vrouw heeft op 21 oktober 2024 aan de man laten weten dat zij het LBIO (Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen) heeft ingeschakeld. De man komt ernstig in de problemen als het LBIO tot inning overgaat.

In beginsel kan een minimale draagkracht van € 25,- per maand worden aangenomen bij de niet-verzorgende ouder met een bijstandsuitkering, maar er kan bij gebrek aan financiële gegevens van de vrouw geen draagkrachtvergelijking worden gemaakt en bovendien gaat die draagkracht bij de man op aan kosten in het kader van de zorgregeling.

3.5.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

De motivering van de beslissing

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.

De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de vrouw de beschikking met ingang van 13 augustus 2024 mag uitvoeren ondanks het hoger beroep van (de bewindvoerder van) de man. Het hof kan op grond van artikel 360 lid 2 tweede volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – als uitzondering – toch beslissen dat de beschikking nog niet mag worden uitgevoerd zolang het hoger beroep loopt. De Hoge Raad heeft daarvoor maatstaven ontwikkeld (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet gemotiveerd. De maatstaven komen er dan, kort gezegd, op neer dat het hof de belangen van beide partijen bij het al dan niet direct uitvoeren van de beschikking tegen elkaar moet afwegen. Het hof gaat daarbij uit van de overwegingen en beslissingen in de beschikking van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft hierbij buiten beschouwing. Dit alles leidt in deze zaak tot de volgende beslissing.

3.6.2.

De (bewindvoerder van de) man heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn belang bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om de bestreden beschikking direct ten uitvoer te leggen. De rechtbank heeft het verzoek met betrekking tot de kinderbijdrage als niet weersproken en op de wet gegrond toegewezen. De rechtbank heeft niet zelfstandig de behoefte en de draagkracht beoordeeld. Uit de door de (bewindvoerder van de) man als productie 2 bij het beroepschrift overgelegde stukken volgt dat de man met ingang van 6 februari 2024 maandelijks een bijstandsuitkering (in de zin van de Participatiewet) ontvangt van een bedrag van € 1.219,64 per maand (exclusief vakantietoeslag). Voorts blijkt uit de door (de bewindvoerder van) de man als productie 3 overgelegde beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant dat het vermogen van de man met ingang van 1 maart 2024 voor de duur van vijf jaar onder bewind is gesteld omdat de man vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden (tijdelijke of duurzaam) niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

In het kader van deze schorsingsbeslissing staat daarmee naar het oordeel van het hof voldoende vast dat de man in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren als de werking van de bestreden beschikking niet wordt geschorst en hij met ingang van 1 april 2024 een bedrag van € 400,- per maand aan de vrouw zal moeten betalen. De man heeft verder onweersproken gesteld dat hij de minimale draagkracht van € 25,- per maand die op grond van de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatie wordt aangenomen bij een alimentatieplichtige ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet, aanwendt in het kader van de zorgregeling, zodat zijn resterende draagkracht nihil is.

3.6.3.

Het hof zal het verzoek om schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking daarom toewijzen zoals door (de bewindvoerder van) de man is verzocht. Het hof merkt daarbij uitdrukkelijk op dat bij deze beslissing de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing is gelaten en derhalve niet vooruit gelopen is op de nog te nemen beslissing in de hoofdzaak in hoger beroep; in de hoofdzaak zal de situatie met terugwerkende kracht worden beoordeeld.

4 De beslissing

Het hof:

schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 augustus 2024 ten aanzien van de daarin aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren te ’ [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2021.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.M.D.M. van der Linden, en M.I. Peereboom - Van Drunick en is in het openbaar uitgesproken door mr. E.M.D.M. van der Linden op 9 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.