Verbintenissenrecht
Externe bestuurdersaansprakelijkheid.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 augustus 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:3435 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 augustus 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/verbintenissenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2017-3435
Zaakgegevens
Op 1 augustus 2017 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 1 augustus 2017
- Datum publicatie
- 1 augustus 2017
- Zaaknummer
- 200.212.156_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. B.G Arends te Eindhoven, mr. H.G.A.M Spoormans te Breda
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3435
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Externe bestuurdersaansprakelijkheid.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 augustus 2017deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2017:3435
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBOBR:2017:641Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 mei 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:1996Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 september 2020
ECLI:NL:PHR:2020:778Hoge Raad · 16 oktober 2020
ECLI:NL:HR:2020:1635Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.212.156/01
arrest van 1 augustus 2017
gewezen in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. B.G. Arends te Eindhoven,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. H.G.A.M. Spoormans te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 3 maart 2017 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 4 mei 2016 en 18 januari 2017, gewezen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en onder meer geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.
1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/294727 / HA ZA 15-422)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep;
-
de incidentele memorie tot voeging ex artikel 222 Rv met één productie van [appellant] ;
-
de memorie van antwoord in het incident van [geïntimeerde] .
Het hof heeft een datum voor arrest in het incident bepaald.
3 De beoordeling
In het incident
De vordering van [appellant] strekt tot voeging van de onderhavige zaak met de zaak waarin [appellant] op 18 april 2017 door [appellant in de zaak waarmee voeging wordt gevorderd] is gedagvaard te verschijnen op de rol van 28 november 2017. Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [appellant] dat de zaken betrekking hebben op dezelfde vonnissen, dat hetzelfde feitencomplex aan de orde is en dat de zaken zich ook overigens in alle opzichten lenen voor gezamenlijke behandeling.
[geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer.
Het hof stelt vast dat de onderhavige zaak en de zaak waarmee voeging wordt gevorderd betrekking hebben op dezelfde vonnissen. Die vonnissen zijn gewezen tussen [appellant in de zaak waarmee voeging wordt gevorderd] , appellant in de zaak waarmee voeging wordt gevorderd, en [geïntimeerde] als eisers en [appellant] als gedaagde. Te verwachten valt dat het feitencomplex en de juridische geschillen in beide zaken zodanig met elkaar samenhangen dat voeging in beginsel wenselijk is. De door [appellant in de zaak waarmee voeging wordt gevorderd] aanhangig gemaakte zaak is echter nog niet op de rol bij het hof geïntroduceerd. De appeldagvaarding is uitgebracht tegen 28 november 2017 en gesteld noch gebleken is dat [appellant] op de voet van artikel 126 Rv aan [appellant in de zaak waarmee voeging wordt gevorderd] een vroegere roldatum heeft aangezegd. Dat betekent dat voeging van beide zaken zou leiden tot ernstige vertraging in de voortgang van de onderhavige zaak. De incidentele vordering tot voeging wordt daarom afgewezen. De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de hoofdzaak niet wordt geschorst door het indienen van een incidentele memorie, dat de (ambtshalve) peremptoirstelling voor het nemen van de memorie van grieven daardoor niet vervalt en dat nu door [appellant] geen memorie van grieven is genomen, noch een nader uitstel daarvoor is verkregen, het recht van [appellant] om de memorie van grieven te nemen is komen te vervallen en hij daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in hoger beroep.
Juist is dat [appellant] op de rol dat hij de incidentele conclusie heeft genomen
– 6 juni 2017 – ambtshalve peremptoir stond voor het nemen van de memorie van grieven. Ook is juist dat ingevolge HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5664, de hoofdzaak niet wordt geschorst door het indienen van een incidentele memorie. In deze zaak heeft echter de rolraadsheer op 6 juni 2017 op de voet van artikel 209 Rv bepaald dat eerst in het incident wordt beslist voordat in de hoofdzaak wordt doorgeprocedeerd en geoordeeld dat geen akte van niet dienen wordt verleend, maar dat voor het nemen van de memorie van grieven uitstel wordt verleend. Dat betekent dat ingevolge deze beslissing van de rolraadsheer in dit geval het recht van [appellant] om de memorie van grieven te nemen niet is komen te vervallen. Het verweer van [geïntimeerde] faalt. De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven, ambtshalve peremptoir.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4 De beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering van [appellant] af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 29 augustus 2017 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellant] ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 augustus 2017.
griffier rolraadsheer