Verbintenissenrecht
bestaan overeenkomst niet voldoende onderbouwd.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 april 2020
ECLI:NL:GHSHE:2020:1229 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 7 april 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/verbintenissenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2020-1229
Zaakgegevens
Op 7 april 2020 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 7 april 2020
- Datum publicatie
- 7 april 2020
- Zaaknummer
- 200.274.212_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.A Korolev te Eindhoven, mr. S.H.O Aben te Weert
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1229
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
bestaan overeenkomst niet voldoende onderbouwd.
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:9266Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBLIM:2018:6224Rechtbank Limburg · 16 oktober 2019
ECLI:NL:RBLIM:2019:9165Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 11 februari 2020
ECLI:NL:GHSHE:2020:430Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 7 april 2020deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2020:1229
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 24 augustus 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:2615Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 24 augustus 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:2618Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 20 december 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:4542
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.274.212/01
arrest van 7 april 2020
gewezen in het incident ex artikel 222 Rv jo 220 Rv in de zaak van
[tapasbar] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. A.A. Korolev te Eindhoven,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. S.H.O. Aben te Weert,
op het bij exploot van dagvaarding van 14 januari 2020, hersteld bij exploot van 10 februari 2020, ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 oktober 2019, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellante – [tapasbar] – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als (mede)gedaagde in conventie, (mede)eiser in reconventie.
1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/237687 / HA ZA 17-354)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep;
-
het herstelexploot van 10 februari 2020;
-
de memorie in het incident tot voeging ex artikel 220 jo 222 Rv;
-
het H16-formulier van 2 maart 2020 van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
3 De beoordeling
In het incident
Ingevolge artikel 222 lid 1 Rv, dat op grond van artikel 353 lid 1 Rv ook van toepassing is in hoger beroep, kan, ingeval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, daarvan de voeging worden gevorderd. Van verknochtheid in deze zin is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de zaken identiek zijn dan wel een zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken geboden is. Daaraan kan ook zijn voldaan bij zaken tussen verschillende partijen.
Vooropgesteld wordt dat de vordering tot voeging door [tapasbar] , gelet op de artikelen 222 lid 2 juncto 220 lid 2 juncto artikel 353 lid 1 Rv, tijdig is ingesteld.
[tapasbar] vordert de voeging van de onderhavige zaak met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.269.451/01 (waarin [Grieks restaurant] B.V. - in eerste aanleg tezamen met [geïntimeerde] gedaagden in conventie, eisers in reconventie - van hetzelfde vonnis in hoger beroep is gekomen en [tapasbar] heeft gedagvaard).
[geïntimeerde] refereert zich aan het oordeel van het hof.
Naar het oordeel van het hof bestaat er tussen beide voornoemde zaken een zodanige band, dat het belang van een goede en doelmatige behandeling meebrengt dat deze zaken zoveel mogelijk gelijktijdig worden behandeld en beslist door dezelfde rechter. Partijen komen in hoger beroep van hetzelfde vonnis. Beide procedures hebben betrekking op hetzelfde feitencomplex en op dezelfde schriftelijke documentatie.
Het hof zal de vordering tot voeging derhalve toewijzen. De beslissing over de proceskosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van grieven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4 De beslissing
Het hof:
in het incident:
beveelt de voeging van de onderhavige zaak met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.269.451/01;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 19 mei 2020 voor memorie van grieven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 april 2020.
griffier rolraadsheer