Strafprocesrecht
Opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne. Redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de…
ECLI:NL:GHSHE:2015:3568 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 september 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2015-3568
Zaakgegevens
Op 16 september 2015 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 16 september 2015
- Datum publicatie
- 15 september 2015
- Zaaknummer
- 20-003675-14
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2015:3568
Samenvatting
Opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne. Redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet. Het in dat kader gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wordt verworpen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-003675-14
Uitspraak : 16 september 2015
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 21 november 2014 in de strafzaak met parketnummer 04-194526-12 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
wonende te [adres] ,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is bewezen verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod doch is aan de verdachte geen straf of maatregel opgelegd.
De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis.
De verdediging heeft op meerdere gronden vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 april 2012 in de gemeente Venlo opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,6 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 1,7 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 25 april 2012 in de gemeente Venlo opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,6 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en 0,8 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
1.
De bevindingen van de verbalisant van politie [A] , voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:
Op 25 april 2012 hield ik op de Maagdenbergweg te Venlo als verdachte aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977. De verdachte werd overbracht naar Districtsbureau aan het Monseigneur Nolenplein 31 te Venlo.
2.
De bevindingen van de verbalisanten van politie [A] , [B] en [C] , voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:
Ik, verbalisant [A] , heb verdachte [verdachte] laten plaatsnemen in ons dienstvoertuig. Verdachte [verdachte] nam plaats op de achterbank aan de bijrijderszijde. Vervolgens hebben wij, verbalisanten [C] en [A] , verdachte [verdachte] overgebracht naar het bureau van politie. Ik, verbalisant [B] , opende het rechterachterportier van het dienstvoertuig. Ik zag dat op de bodem, in het voetencompartiment, achter de bijrijdersstoel een zwart tasje lag. Toen ik dit tasje opende zag ik dat hierin diverse gebruikersartikelen zaten waaronder enkele sealtjes. Ik, verbalisant [B] , heb ditzelfde dienstvoertuig gebruikt op 19 april 2012. Gedurende deze dienst is een verdachte aangehouden. Na het overbrengen van deze verdachte heb ik het gehele dienstvoertuig gecontroleerd op aanwezigheid van verdovende middelen. Hierbij heb ik niets aangetroffen. Uit nadere bevraging bleek dat er na deze verdachte geen andere verdachte meer in het dienstvoertuig had gezeten tot verdachte [verdachte] . Hieruit kunnen wij concluderen dat het aangetroffen tasje enkel van verdachte [verdachte] kan zijn.
3.
De kennisgeving van inbeslagneming, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:
Inbeslagneming:
Plaats: Monseigneur Nolenplein 31 te Venlo
Volgnummer 2:
Object: verdovende middelen
Aantal/eenheid: 1 sealtje
SIN: AADK4786NL
Inhoud: 0,6 gram netto
Bijzonderheden: in zwart tasje
Volgnummer 3:
Object: verdovende middelen
Aantal/eenheid: 1 zakje
SIN: AADK4787NL
Inhoud: 0,6 gram netto
Bijzonderheden: in zwart tasje
Volgnummer 5:
Object: verdovende middelen
Aantal/eenheid: 1 sealtje
SIN: AADK4789NL
Inhoud: 0,2 gram netto
Bijzonderheden: in zwart tasje
4.
De bevindingen en conclusies van ing. A.G.A. Sprong, NFI-deskundige forensische drugsanalyse, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:
Onderzoeksmateriaal en conclusie:
|
Kenmerk: |
Omschrijving: |
Conclusie: |
|
|
AADK4786NL |
Monster beige poeder |
Bevat heroïne |
|
|
AADK4787NL |
Monster crèmekleurig poeder en brokjes |
Bevat cocaïne |
|
|
AADK4789NL |
Monster crèmekleurig poeder en brokjes |
Bevat cocaïne |
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Rechtmatigheid van de staandehouding en aanhouding van de verdachte:
De verdediging heeft primair betoogd dat de staandehouding en daarop volgende aanhouding van de verdachte onrechtmatig zijn geweest nu in het onderhavige geval geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet. De omstandigheid dat de verdachte op straat heeft gesproken met een prostituee en daarna met een andere mannelijke persoon, terwijl niet is waargenomen dat daarbij iets is overgedragen, is volgens de verdediging onvoldoende om te komen tot een redelijk vermoeden van schuld. De verdediging heeft betoogd dat aldus inbreuk is gemaakt op de rechten van een burger die erop moet kunnen vertrouwen dat niet zonder aanleiding dwangmiddelen zoals aanhouding, overbrenging en vordering tot uitlevering van verdovende middelen op hem worden toegepast, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de als gevolg van de onrechtmatige staandehouding en aanhouding verkregen onderzoeksresultaten. De verdediging heeft geconcludeerd dat de verdachte bij gebrek aan voldoende overig wettig en overtuigend bewijs van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op grond van het door de verbalisanten [A] , [B] en [C] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2012 stelt het hof vast dat:
-
de verbalisanten ter plaatse zijn gegaan naar aanleiding van een melding waarin wordt gesproken over de verkoop op straat van verdovende middelen;
-
de verbalisanten hebben waargenomen dat de verdachte op straat vanuit een auto met een Duits kenteken contact had met een prostituee met betrekking tot wie het de verbalisanten ambtshalve bekend was dat zij verslaafd is aan harddrugs;
-
verbalisant [A] heeft waargenomen dat de verdachte vervolgens in een steegje contact had met een mannelijk persoon;
-
het verbalisant [A] ambtshalve bekend was dat in de omgeving wordt gehandeld in verdovende middelen waarbij verdovende middelen aan ‘drugstoeristen’ wordt verkocht;
-
de verdachte, nadat hij door verbalisant [A] was staande gehouden, tegenover verbalisant [A] heeft gezegd dat hij voor 20 euro ‘bruin’ (naar het hof begrijpt heroïne) wilde kopen van de mannelijk persoon;
-
bij de verdachte een potje met daarin een poederachtige stof is aangetroffen;
-
de verdachte vervolgens is aangehouden ter zake van overtreding van de Opiumwet.
Anders dan door de verdediging is betoogd is het hof van oordeel dat op grond voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, het redelijke vermoeden kon bestaan dat de verdachte zich had schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. Mitsdien acht het hof de staandehouding en daarop volgende aanhouding van de verdachte rechtmatig, zodat geen sprake is van een vormverzuim en de onderzoeksresultaten die na de staandehouding en aanhouding van de verdachte zijn verkregen (het aantreffen van een tasje in het dienstvoertuig waarmee de verdachte naar het politiebureau was overgebracht met daarin een hoeveelheid heroïne en een hoeveelheid cocaïne) voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
Opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid heroïne en een hoeveelheid cocaïne:
De verdediging heeft subsidiair betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat het zwarte tasje met de verdovende middelen dat in het dienstvoertuig is aangetroffen van de verdachte was. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte heeft ontkend dat het tasje hem toebehoort, terwijl de verdachte ook niet op andere wijze met het tasje in verband kan worden gebracht. De verdediging heeft geconcludeerd dat aldus niet kan worden bewezen dat de verdachte een hoeveelheid heroïne of een hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad, zodat hij van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte op 25 april 2012 na zijn aanhouding in een dienstvoertuig naar het politiebureau is overgebracht, dat vervolgens bij de plaats waar de verdachte in het voertuig had gezeten een zwart tasje is aangetroffen en dat het dienstvoertuig op 19 april 2012 voor het laatst was gebruik voor het overbrengen van een verdachte en dat het voertuig daarna is gecontroleerd op de aanwezigheid van verdovende middelen waarbij niets is aangetroffen. Gelet op deze feiten en omstandigheid, in onderlinge samenhang bezien, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het zwarte tasje door de verdachte in het dienstvoertuig is achtergelaten.
Op grond van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen stelt het hof voorts vast dat in het zwarte tasje een sealtje met 0,6 gram heroïne, een zakje met 0,6 gram cocaïne en een sealtje met 0,2 gram cocaïne zaten.
Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte 0,6 gram van een materiaal bevattende heroïne en (in totaal) 0,8 gram van een materiaal bevattende cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad, zoals hiervoor bewezen verklaard.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf of maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft een hoeveelheid heroïne en een hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig gehad. Het bezit en gebruik van harddrugs als de onderhavige brengt allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten met zich en kan de volksgezondheid schaden.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 juli 2015 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet in verband met harddrugs. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden om zich opnieuw aan strafbaar handelen schuldig te maken.
Gelet op het vorenstaande is het hof, anders dan de politierechter en de verdediging, van oordeel dat niet worden volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf. In plaats daarvan zal het hof een geldboete opleggen. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Een en ander in aanmerking genomen acht het hof een geldboete van € 250,-, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 26 september 2012 onder CJIB-nummer 2132-5420-0105-2330.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mr. G.T.C. van der Bilt en mr. H.D. Bergkotte, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. F. Gerritsen, griffier,
en op 16 september 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. G.T.C. van der Bilt en mr. H.D. Bergkotte zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.