Strafrecht overig

Artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 september 2026

Zaakgegevens

Op 2 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
11 september 2026
Zaaknummer
20-001249-25
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2471
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren.

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 25 april 2025

    ECLI:NL:RBOBR:2025:2522
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2471

Uitspraak

Parketnummer : 20-001249-25

Uitspraak : 2 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-323126-24, en het herstelvonnis van diezelfde datum, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het aan hem primair en subsidiair tenlastegelegde en ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde, te weten: ‘medeplichtigheid tot het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft aan de voorwaardelijke gevangenisstraf – samengevat – naast algemene voorwaarden de volgende bijzondere voorwaarden verbonden:

  • meldplicht bij Reclassering Nederland;

  • inspanningsplicht tot het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur;

  • inzage in zijn sociale contacten;

  • een contactverbod met [medeverdachte 1] .

Aan de reclassering is de opdracht gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voormelde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot hoofdelijke betaling van een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2024. De verdachte is daarbij hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld die door de benadeelde partij zijn gemaakt. De kosten zijn tot op de datum van het vonnis begroot op nihil. De benadeelde partij is voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Ten slotte is de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk aan de verdachte opgelegd..

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Uit het wensenformulier van 16 augustus 2025 volgt dat de benadeelde partij de hoogte van het verzoek tot schadevergoeding in hoger beroep met € 2.500,00 heeft verlaagd. Gelet daarop is dat gedeelte van de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep niet meer aan de orde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Voorts heeft de raadsman bepleit dat de vordering van de benadeelde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:


hij op of omstreeks 12 mei 2024 te [pleegplaats] , gemeente Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/nabij een woning gelegen aan [adres] door opzettelijk

- een of meerdere cobra(’s), althans een explosief voorwerp, aan/op een of meer butaangasfles(sen) te tapen/vast te plakken/te bevestigen en/of die butaangasfles(sen) met daarop/daaraan een of meerdere cobra(’s), althans een explosief voorwerp, voor de voordeur, althans in de directe nabijheid, van de woning aan [adres] te plaatsen en/of

- ( vervolgens) die cobra(’s), althans een explosief voorwerp, met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding/ontploffing te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor aangrenzende en/of omliggende woning(en) en/of aldaar geparkeerde auto(’s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of levensgevaar, althans gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, voor de zich in voornoemde woning bevindende personen, te weten onder andere [slachtoffer] en/of haar zoon, en/of anderen zich in aangrenzende/omliggende woningen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 12 mei 2024 te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/nabij een woning gelegen aan [adres] door opzettelijk

een of meerdere cobra(’s), althans een explosief voorwerp, aan/op een of meer butaangasfles(sen) te tapen/vast te plakken/te bevestigen en/of die butaangasfles(sen) met daarop/daaraan een of meerdere cobra(’s), althans een explosief voorwerp, voor de voordeur, althans in de directe nabijheid, van de woning aan [adres] te plaatsen en/of

(vervolgens) die cobra(’s), althans een explosief voorwerp, met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding/ontploffing te brengen

terwijl daarvan gemeen gevaar voor aangrenzende en/of omliggende woning(en) en/of aldaar geparkeerde auto(’s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of

levensgevaar, althans gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, voor de zich in voornoemde woning bevindende personen, te weten onder andere [slachtoffer] en/of haar zoon, en/of anderen zich in aangrenzende/omliggende woningen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was

welk hiervoor omschreven feit verdachte, op of omstreeks 12 mei 2024 te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben uitgelokt door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, immers heeft hij en/of zijn mededader(s):

- op 12 mei 2024 omstreeks 22:44 uur via Whatsapp tegen die [medeverdachte 1] gezegd: “Bro, iemand gaat je bellen, komt van mij. Kijken of je fit bent. Beginnen klein”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [medeverdachte 1] een locatie van een adres gestuurd (te weten het adres van [medeverdachte 2] ) en/of (vervolgens) aan die [medeverdachte 1] gevraagd naar die woning toe te gaan en/of

- dreigend tegen die [medeverdachte 1] gezegd: “gooi die twee cobra’s tegen het huis van die vrouw” en/of “als je dat niet doet, krijg je problemen met mij” en/of “als jij dit tegen iemand zegt, worden de problemen heel groot” en/of “ik heb een pistool”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- de hoogte van de beloning afgesproken met die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 1] betaald voor het uitvoeren van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of

- met die [medeverdachte 1] afspraken gemaakt over de locatie van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of

- met die [medeverdachte 1] afspraken gemaakt over de wijze waarop voornoemde brandstichting en/of ontploffing moest plaatsvinden en/of die [medeverdachte 1] een of meerdere gasfles(sen) met daaraan vast getaped/vastgepakt een of meerdere cobra(’s), althans een explosief voorwerp, gegeven;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op of omstreeks 12 mei 2024 te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/nabij een woning gelegen aan [adres] door opzettelijk

- een of meerdere cobra(’s), althans een explosief voorwerp, aan/op een of meer butaangasfles(sen) te tapen/vast te plakken/te bevestigen en/of die butaangasfles(sen) met daarop/daaraan een of meerdere cobra(’s), althans een explosief voorwerp, voor de voordeur, althans in de directe nabijheid, van de woning aan [adres] te plaatsen en/of

- ( vervolgens) die cobra(’s), althans een explosief voorwerp, met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding/ontploffing te brengen
terwijl daarvan gemeen gevaar voor aangrenzende en/of omliggende woning(en) en/of aldaar geparkeerde auto(’s) in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of levensgevaar althans gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemde woning bevindende personen, te weten onder andere [slachtoffer] en/of haar zoon, en/of anderen zich in aangrenzende/omliggende woningen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was

welk hiervoor omschreven feit [medeverdachte 2] , op of omstreeks 12 mei 2024 te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland,

opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of misbruik van gezagen/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, immers heeft hij:

- dreigend tegen die [medeverdachte 1] gezegd: “gooi die twee cobra’s tegen het huis van die vrouw” en/of “als je dat niet doet, krijg je problemen met mij” en/of “als jij dit tegen iemand zegt, worden de problemen heel groot” en/of “ik heb een pistool”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [medeverdachte 1] betaald voor het uitvoeren van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of

- met die [medeverdachte 1] afspraken gemaakt over de locatie van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of

- met die [medeverdachte 1] afspraken gemaakt over de wijze waarop voornoemde brandstichting en/of ontploffing moest plaatsvinden en/of die [medeverdachte 1] een of meerdere gasfles(sen) met daaraan vast getaped/vastgepakt een of meerdere cobra(’s), althans een explosief voorwerp, gegeven,

tot het plegen van dit misdrijf, hij, verdachte, op of omstreeks 12 mei 2024 te [pleegplaats] , gemeente Oss, in elk geval in Nederland,

opzettelijk

gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

voor de uitvoering van die brandstichting en/of ontploffing [medeverdachte 1] te benaderen en/of naar de woning van [medeverdachte 2] te sturen ten behoeve van de uitvoering van de voorgenomen brandstichting en/of ontploffing.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 12 mei 2024 te [pleegplaats] , gemeente Oss, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht aan/nabij een woning gelegen aan [adres] , door opzettelijk

- meerdere cobra’s aan butaangasflessen te tapen/vast te plakken/te bevestigen en die butaangasflessen met daaraan meerdere cobra’s voor de voordeur, althans in de directe nabijheid van de woning, aan [adres] te plaatsen en

- die cobra’s met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding/ontploffing te brengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft, op gronden zoals nader vermeld in de pleitnota, bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het lijntje richting de verdachte flinterdun is en in feite op drie bewijsmiddelen berust, te weten de vermeende telefooncontacten tussen de verdachte en [medeverdachte 2] , de verklaring van [medeverdachte 1] en de chatberichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] .

Met betrekking tot de telefooncontacten tussen de verdachte en [medeverdachte 2] , voor zover deze al zouden hebben plaatsgevonden gelet op de korte duur daarvan, stelt de verdediging dat de inhoud daarvan niet is komen vast te staan en dat de verdachte die avond eveneens contact heeft gehad met getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .

Voorts stelt de verdediging zich met betrekking tot de verklaring van [medeverdachte 1] op 4 oktober 2023 op het standpunt dat deze gestuurd en onbetrouwbaar is. Volgens de verdediging is er sprake van een schending van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (pressieverbod) en artikel 6 EVRM, nu de politie tijdens dit verhoor letterlijk de woorden bij [medeverdachte 1] , die een kwetsbare verdachte betreft, in de mond heeft gelegd en ontoelaatbare druk op hem heeft uitgeoefend. Er is aldus sprake van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a, derde lid, Sv, reden waarom de verklaring van [medeverdachte 1] dient te worden uitgesloten van het bewijs. Daar komt bij dat de verklaring van [medeverdachte 1] onbetrouwbaar is, aangezien hij bij de rechter-commissaris is teruggekomen op zijn eerdere verklaring.

Ten slotte wordt in de berichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] in het geheel niet gesproken over een explosie. Het is volgens de verdediging logischer en aannemelijker dat de berichten betrekking hebben op iets anders, zoals het brengen van drugs dan wel lachgas, zoals ook de verdachte heeft verklaard. Er bestaat kortom geen enkele aanwijzing dat de verdachte vermoedens/wetenschap had van een ontploffing die [medeverdachte 2] voor ogen zou hebben.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Pressieverbod en betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]

Artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord, een rechter of ambtenaar zich dient te onthouden van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd.

Het hof stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] driemaal door de politie is verhoord, telkens in het bijzijn van zijn raadsman. Dat betekent dat de raadsman de belangen van [medeverdachte 1] bewaakte, meer in het bijzonder de wijze van verhoor. Bij die raadsman ligt de primaire taak (en bevoegdheid) te waken voor eventuele schendingen van het pressieverbod. Van opmerkingen op dit punt van deze raadsman is het hof niet gebleken. Bovendien is het verhoor van 4 oktober 2024 mede uitgevoerd door een gecertificeerd Verhoorder Kwetsbare Verdachte (VKV).

Met de rechtbank acht het hof voorstelbaar dat de verhoren bij de politie door medeverdachte [medeverdachte 1] als vervelend en belastend werden ervaren. Dat geldt echter nagenoeg voor iedere verdachte die wordt onderworpen aan een verhoor. Hieruit kan niet worden afgeleid dat hij een verklaring heeft afgelegd in strijd met het pressieverbod. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris aangegeven het verhoor aldaar als vervelend en belastend te ervaren. Uit de antwoorden van [medeverdachte 1] aan de rechter-commissaris volgt dat hij de verhoren vervelend vond en een druk ervaarde omdat er veel vragen aan hem werden gesteld. Van groter belang is de omstandigheid dat [medeverdachte 1] in zijn verhoor bij de rechter-commissaris niet is teruggekomen op zijn eerdere verklaringen bij de politie. Integendeel, hij heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij het verhaal over [verdachte] tegen de politie heeft verteld omdat het zo is gegaan, hij de waarheid heeft verteld en hij dit uit zichzelf deed en door de manier van vragen niets heeft gezegd wat niet waar is. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van schending van het pressieverbod, zoals de verdediging heeft betoogd.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, ziet het hof voorts geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] . De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn immers op wezenlijke onderdelen consistent en worden op belangrijke punten ondersteund door andere, ook objectieve bewijsmiddelen, zoals de berichten van de verdachte aan [medeverdachte 1] waarvan de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend deze te hebben gestuurd, terwijl ook [medeverdachte 2] bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij via de verdachte in contact is gekomen met [medeverdachte 1] . Het hof ziet aldus geen redenen tot bewijsuitsluiting van de verklaring van [medeverdachte 1] en zal deze bezigen tot het bewijs.

Alternatieve verklaring

De verdachte en de raadsman hebben een alternatief scenario geschetst, namelijk dat de berichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] zouden hebben gezien op het door [medeverdachte 1] in opdracht van de verdachte leveren van lachgas dan wel drugs en dat de verdachte derhalve geen enkele wetenschap had van het plan van [medeverdachte 2] om [medeverdachte 1] in te zetten voor een aanslag als de onderhavige. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep in dat kader verklaard dat hij [medeverdachte 1] voor 12 mei 2024 maar één keer had gezien op een terras en hem toen al had ingelicht over zijn opslagplaats van drugs en lachgas. Toen [medeverdachte 2] hem, de verdachte, die bewuste avond van 12 mei 2024 vroeg of hij tijd had, nam de verdachte – gelet op zijn eerdere ervaringen met [medeverdachte 2] – zonder nadere vraag aan dat [medeverdachte 2] hem wilde vragen hash of lachgas te leveren. Bij gebrek aan tijd heeft de verdachte toen het nummer van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] gegeven, zodat [medeverdachte 2] een en ander rechtstreeks kon afstemmen met [medeverdachte 1] . De verdachte verklaarde er niets van te hebben geweten dat [medeverdachte 2] vervolgens aan [medeverdachte 1] heeft gevraagd om de aanslag te plegen. Zijn bericht aan [medeverdachte 1] die nacht of het was gelukt, was in feite een vraag of de levering van hash of lachgas was gelukt.

Het hof overweegt in dit kader als volgt.

Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, de navolgende feiten en omstandigheden af:

  • [medeverdachte 1] heeft de verdachte om hulp gevraagd. Hij had geld nodig voor zijn moeder en de verdachte wilde hem daarbij helpen. Hij had met [medeverdachte 2] over geld gesproken en ook met [verdachte] . Die had wat geregeld. [medeverdachte 1] had die nacht tegen de verdachte gezegd “doe maar 200 euro”;

  • Op 12 mei 2024 om 21:32 (inkomend), 21:33 en 21:36 uur (beiden uitgaand) is er telefonisch contact tussen het nummer van de verdachte en het nummer van [medeverdachte 2] ;

  • [medeverdachte 1] ontvangt op 12 mei 2024 om 22:45 uur de volgende berichten van het nummer van de verdachte: “iemand gaat je bellen”, “komt van mij”, “Kijken of je fit bent. Beginnen klijn.”. Het hof merkt op dat het meervoud van “kijken” en “beginnen” wijst op een wij en niet op een enkelvoud (ik);

  • [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het nummer van [medeverdachte 1] van de verdachte heeft gekregen;

  • [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op 12 mei 2024 omstreeks 23:00 uur/23:30 uur via de telefoon heeft gehoord dat hij naar een adres moest gaan. Op 12 mei 2024 om 22:57 uur is er telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en het nummer van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] is vervolgens naar dat adres gegaan en kreeg daar van [medeverdachte 2] twee cobra’s aan (gas)flessen getaped met de opdracht die tegen het huis van een mevrouw te gooien. [medeverdachte 2] heeft bekend aan [medeverdachte 1] die opdracht te hebben gegeven;

  • Op 12 mei 2024 omstreeks 23:58 uur hoorden de bewoners van het adres aan [adres] een hele harde knal;

  • Kort na die harde knal, om 13 mei 2024 om 00:12:58 uur, wordt door de verdachte het volgende bericht naar [medeverdachte 1] gestuurd: “Gelukt g?”, door [medeverdachte 1] opgevat als een vraag of “het vuurwerk” was gelukt, waarop [medeverdachte 1] om 00:13:24 uur “Ja man” antwoordt en waarop vervolgens door de verdachte wordt gereageerdmet “Soldaat !”;

  • Er is op 13 mei 2024 om 00:19 uur belcontact vanaf het nummer van de verdachte naar het nummer van [medeverdachte 2] ;

  • Op 13 mei 2024 om 00:39 uur wordt er door [medeverdachte 2] naar de rekening van [medeverdachte 1] een bedrag van 200,00 euro overgemaakt, met daarbij de tekst “Bedankt [medeverdachte 1] ”.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend dat het telefoonnummer [telefoonnummer] aan hem toebehoorde en dat hijzelf de berichten aan [medeverdachte 1] op 12 en 13 mei 2024 met zijn telefoon heeft gestuurd. Over de belcontacten tussen het nummer van de verdachte en het nummer van [medeverdachte 2] op 12 en 13 mei 2024 heeft de verdachte verklaard dat het zou kunnen dat hij het is geweest die heeft deelgenomen aan die gesprekken, maar dat hij zich dat niet meer kan herinneren. De verdachte wist nog wel dat [medeverdachte 2] hem die dag had gebeld met de vraag of hij tijd had, waarop hij ontkennend had geantwoord en [medeverdachte 2] toen het nummer van [medeverdachte 1] had gegeven. Bij gebrek aan een alternatief scenario waarbij ook iemand anders die avond en nacht met dat nummer telefonisch contact zou hebben gehad met [medeverdachte 2] , gaat het hof ervan uit dat het alleen de verdachte was die die avond en nacht telefonisch contact had met [medeverdachte 2] .

Het hof verwerpt het alternatief scenario. Het hof acht het volstrekt ongeloofwaardig dat iemand die een voorraad heeft met drugs en lachgas (de verdachte) aan een onbekende ( [medeverdachte 1] ) op een terras, die hij voor de eerste keer ziet, alle informatie geeft om bij die opslagplaats te komen, laat staan hem na afloop van het leveren van drugs daar niet nader naar zou vragen behoudens het enkele “gelukt”g?.

Zijn alternatieve verklaring is bovendien in strijd met de bewijsmiddelen. De verdachte vraagt vrijwel direct na de ontploffing aan [medeverdachte 1] of het is gelukt. Kort nadat hij van [medeverdachte 1] antwoord krijgt op de vraag of het is gelukt – waarover [medeverdachte 1] heeft verklaard dat die vraag zag op het vuurwerk – belt de verdachte naar [medeverdachte 2] . Kort na dat telefoongesprek maakt [medeverdachte 2] , zonder dat uit het dossier is gebleken dat hij zelf nog contact heeft met [medeverdachte 1] , het die nacht door [medeverdachte 1] met de verdachte afgesproken bedrag van 200,00 euro aan [medeverdachte 1] over met daarbij de tekst “Bedankt [medeverdachte 1] ”.

Uit de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof derhalve van oordeel dat de verdachte wel degelijk wist dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] wilde inzetten voor het tot stand brengen van deze aanslag. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de rol van de verdachte hierin moet worden gezien.

Medeplegen

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De verdachte heeft [medeverdachte 1] in samenspraak met [medeverdachte 2] benaderd voor het tot stand brengen van een ontploffing aan het adres [adres] . Zo heeft de verdachte op de avond van de ontploffing met [medeverdachte 1] gesproken over een klus waar [medeverdachte 1] een geldbedrag voor zou krijgen, vervolgens het contact tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tot stand gebracht en heeft de verdachte kort na de aanslag aan [medeverdachte 1] gevraagd of het gelukt was. Direct na het contact met [medeverdachte 1] heeft hij contact opgenomen met [medeverdachte 2] , die de afgesproken beloning vervolgens aan [medeverdachte 1] voldeed. Hoewel de verdachte en de medeverdachten verschillende taken hadden, vormden de handelingen van hen gezamenlijk de uitvoering van de tenlastegelegde ontploffing. De onderlinge taakverdeling en de wijze waarop zij hun handelen op elkaar afstemden, wijzen op een bewuste en nauwe samenwerking. Het hof is van oordeel dat de verdachte in het bijzonder een belangrijke initiërende en coördinerende rol heeft gehad bij het tot stand brengen van de ontploffing en dat zijn rol dan ook als die van medepleger kan worden aangemerkt.

Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander

Het hof stelt voorop dat voldoende uit het dossier blijkt dat er door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. De vraag die het hof moet beantwoorden is of er daarnaast levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt door de ontploffing.

Om levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dergelijk gevaar te duchten was. Dit betekent dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest.

Vaststaat dat er een ontploffing heeft plaatsgevonden bij de voordeur van de woning aan [adres] die heeft geleid tot schade aan en rond de voordeur van de woning van [slachtoffer] . Uit het dossier blijkt dat de cobra’s tegen/nabij de voordeur van de woning zijn gegooid en de ontploffing rond middernacht heeft plaatsgevonden. In de voordeur en in de directe omgeving hiervan was weliswaar glaswerk aanwezig, maar het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat onder deze concrete feiten en omstandigheden, namelijk de wijze van uitvoering van de ontploffing, niet kan worden gesteld dat voor de verdachte en medeverdachten in redelijkheid voorzienbaar was dat deze ontploffing zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar teweeg zou brengen voor derden, onder wie de personen die in de woning aanwezig waren op dat moment. De verdachte zal daarom ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze als in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Op 12 mei 2024, rond middernacht, heeft medeverdachte [medeverdachte 1] butaangasflessen met daaraan meerdere cobra’s aan/nabij de woning van [slachtoffer] geplaatst/gegooid en deze tot ontploffing gebracht.

De ontploffing heeft geleid tot schade aan – voornamelijk – de voordeur van de woning van [slachtoffer] , bestaande uit beschadigingen in het hout van de deur, een barst ter hoogte van de deurgreep en gebarsten ruiten. Dit soort ontploffingen zorgt niet alleen bij de aanwezigen in de woning, en de overige bewoners in de straat en de betreffende woonwijk, maar ook ver daarbuiten voor grote gevoelens van onveiligheid.

[medeverdachte 1] had de verdachte om hulp gevraagd omdat hij geld nodig had. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben vervolgens de jeugdige [medeverdachte 1] ingezet om met butaangasflessen met daaraan meerdere cobra’s een ontploffing teweeg te brengen aan/nabij de woning van [slachtoffer] . De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben daarbij misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid en de jonge leeftijd van hun medeverdachte [medeverdachte 1] door hem te ronselen voor het plegen van een dergelijke aanslag. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 juni 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld, waaronder voor een soortgelijk feit.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Daaruit volgt onder meer dat de verdachte momenteel uit andere hoofde is gedetineerd en dat hij binnenkort in het kader van die strafzaak zal worden onderzocht in het Pieter Baan Centrum. Het hof heeft voorts kennis genomen van het Reclasseringsadvies d.d. 25 maart 2025 van Reclassering Nederland, waaruit onder meer naar voren komt dat de verdachte in het verleden onder toezicht heeft gestaan van de reclassering.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf eveneens acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Ten aanzien van een plofkraak waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is, hetgeen naar het oordeel van het hof gelijk kan worden gesteld aan een aanslag zoals gepleegd in onderhavige zaak, zou volgens de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren als passend kunnen worden beschouwd.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Alles afwegende, daarbij tevens rekening houdend met de omstandigheid dat aan medeverdachte [medeverdachte 2] – van wie klaarblijkelijk het idee om de aanslag te plegen uitging – een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren is opgelegd, acht het hof een oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof ziet, gelet op het eerdere toezicht vanuit de reclassering en het feit dat de verdachte in een andere lopende strafzaak nog in het Pieter Baan Centrum zal worden onderzocht, geen aanleiding om aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden te koppelen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.500,00, en heeft bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachten in de kosten, begroot op nihil. De benadeelde partij [slachtoffer] is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft bij wensenformulier van 16 augustus 2025 te kennen gegeven dat de vordering met € 2.500,00 wordt verlaagd, zodat in hoger beroep een bedrag van
€ 12.500,00 aan het oordeel van het hof is onderworpen.

De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite integrale vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard.

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is in de bijlage bij het verzoek tot schadevergoeding te kennen gegeven dat de benadeelde partij nog lange tijd gevoelens van onveiligheid zal ervaren en altijd bang zal zijn door deze traumatische gebeurtenis. Voorts betreft het een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten traumatiserend zijn en psychische schade veroorzaken. Er is bij de benadeelde partij [slachtoffer] sprake van pijn, verdriet en gederfde levensvreugde.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna telkens: BW) een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad, of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Het hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Het hof acht het voorstelbaar dat het bewezenverklaarde een impact op de benadeelde partij heeft gehad en zij zich daardoor onveilig en bang heeft gevoeld. Het hof is echter van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending niet van dien aard zijn dat alleen al daarom de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Nu uit de stukken ter onderbouwing van de immateriële schade voorts onvoldoende concrete gegevens zijn aangevoerd op grond waarvan aan de hand van objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld, en een onderzoek daarnaar een onevenredige belasting van het strafgeding zal opleveren, zal het hof bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de verdachte begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. C.M.A. Ellens - Veenhof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp en mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffiers,

en op 2 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. M.J.M.A. van der Put en C.M.A. Ellens-Veenhof zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.