Strafrecht overig
Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep
ECLI:NL:GHSHE:2023:76 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2023-76
Zaakgegevens
Op 10 januari 2023 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 10 januari 2023
- Datum publicatie
- 16 januari 2023
- Zaaknummer
- 20-001329-20 (OWV)
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2023:76
Samenvatting
Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-001329-20 (OWV)
Uitspraak : 10 januari 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 juni 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-702551-19 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij uitspraak waarvan beroep is het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 90.631,78 en is aan hem de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van het op dat bedrag geschatte voordeel, met bepaling van de duur van de gijzeling als bedoeld in artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 365 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beroepen uitspraak zal bevestigen.
De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Subsidiair is verzocht om een aanzienlijke matiging van het op te leggen bedrag, ook vanwege het tijdsverloop.
Uitspraak waarvan beroep
Het hof verenigt zich met de uitspraak van de rechtbank en met de redengeving waarop deze berust. Wel zal het hof twee omissies in die uitspraak verbeteren, in de navolgende zin.
Verbetering uitspraak rechtbank
Op pagina 2 van de uitspraak van de rechtbank is in de eerste regel van alinea 3.2.1 vermeld dat de betrokkene bij vonnis van de rechtbank d.d. 5 juni 2020 is veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. Het vonnis is evenwel gewezen op 19 juni 2020, zodat de betreffende datum in de ontnemingsuitspraak in die zin wordt verbeterd.
Op pagina 4 van de uitspraak is in de laatste zin vermeld dat de opbrengst in kweekruimte 2 volgens de tabel in de BOOM-rapportage 39,3 gram per plant is. Hetzelfde getal staat in de tweede regel op pagina 5 van de uitspraak. Gelet op het getal dat is vermeld op pagina 105 van het politiedossier, dat is gebaseerd op de tabel op pagina 107A van dat dossier, wordt 39,3 gram in de uitspraak telkens verbeterd in: 30 gram. Dit heeft overigens geen gevolgen voor de schatting van de hoogte van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat in de berekening daarvan kennelijk wel is uitgegaan van 30 gram opbrengst per plant in kweekruimte 2.
Op te leggen betalingsverplichting
Van de zijde van de betrokkene is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om het aan de staat te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te matigen. Het hof ziet daar evenwel geen aanleiding toe omdat, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene thans of op enig moment alsnog niet in staat zou zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het openbaar ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.
Wat betreft het tijdsverloop overweegt het hof dat in de onderhavige ontnemingszaak, evenals in de strafzaak met parketnummer 20-001328-20, het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van de betrokkene op een openbare behandeling van de ontnemingszaak binnen een redelijke termijn is geschonden. Met die schending is door het hof rekening gehouden in de strafzaak, doordat de aan de betrokkene als verdachte op te leggen straf is verminderd. Om die reden zal het hof in de ontnemingszaak volstaan met de constatering dat in hoger beroep sprake is geweest van een schending van de redelijke termijn en daar geen verdere gevolgen aan verbinden.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt de uitspraak waarvan beroep, met in achtneming van het bovenstaande.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. G.C. Bos, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,
en op 10 januari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. G.C. Bos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.