Strafrecht overig

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Gevangenisstraf 5 maanden, met…

Zaakgegevens

Op 28 mei 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 mei 2025
Datum publicatie
30 mei 2025
Zaaknummer
20-002710-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:1504
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Gevangenisstraf 5 maanden, met aftrek voorarrest.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-002710-23

Uitspraak : 28 mei 2025

TEGENSPRAAK (na eerdere aanhouding, ONIP)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 september 2023 met parketnummer

02-076671-23 en de van dat vonnis deeluitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummers

02-130144-22 en 02-197245-21, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘poging tot afpersing’ (feit 1 primair) en ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van het in beslag genomen goed (een mes) heeft de politierechter de onttrekking aan het verkeer gelast. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand in de zaak met parketnummer 02-130144-22. De politierechter heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 02-197245-21 aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen afgewezen. Ten slotte heeft de politierechter het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van 19 september 2023.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024 en d.d. 14 mei 2025 en in eerste aanleg.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 9 augustus 2024 is de zaak voorgedragen, waarna de zaak inhoudelijk is behandeld in bijzijn van verdachte en zijn raadsman. Tevens zijn de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen onder de parketnummers 02-130144-22 en 02-197245-21 besproken, alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst voor het opmaken teneinde een reclasseringsrapport omtrent de persoon van verdachte te doen opmaken.

Op 21 januari 2025 heeft de GGZ Reclassering Limburg een reclasseringsadvies omtrent verdachte uitgebracht.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 4 februari 2025 is het onderzoek ter terechtzitting wederom voor onbepaalde tijd aangehouden, in verband met ziekte van de raadsman. De verdachte was evenmin ter terechtzitting aanwezig.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft op de terechtzitting van 14 mei 2025 gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.

De verdediging heeft op de terechtzitting van 9 augustus 2024 primair aangevoerd dat de verdachte de tenlastegelegde bedreigingen niet heeft geuit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de bedreigingen niet zijn geuit met het oogmerk van afpersing. Het hof begrijpt dat namens de verdediging vrijspraak is bepleit van het onder 1 (primair en subsidiair) en 2 tenlastegelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis – met aanvulling van de gronden waarop dit berust – en zal het vonnis dan ook bevestigen, behalve ten aanzien van de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde feit en de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Aanvullende bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024 heeft de verdediging bepleit dat de verdachte integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd –namens de verdachte aangevoerd dat het uiten van de woorden ‘voor de trein gooien’ en ‘kapot slaan’ betrekking heeft op de telefoon van aangeefster [slachtoffer 1] en niet op één of meer personen, onder wie [slachtoffer 1] .

Het hof verenigt zich met hetgeen de politierechter in het vonnis hierover heeft opgenomen en overwogen (pagina 5 onder het kopje 3.2) en maakt die overwegingen tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof dat uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , in onderling verband en samenhang bezien, helder volgt dat de bedreigende woorden van de verdachte aan hen waren gericht en niet betrekking hadden op het kapot slaan en voor de trein gooien van een telefoon. Nu hun verklaringen steun vinden in elkaar, acht het hof deze betrouwbaar en wordt de andersluidende verklaring van de verdachte hieromtrent als ongeloofwaardig ter zijde geschoven.

Verbetering van de kwalificatie van feit 2

De politierechter heeft onder feit 2, kort gezegd, bewezenverklaard dat de verdachte op 18 maart 2023 te Rijen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen “als je nu belt sla ik je kapot en gooi ik hem voor de trein” en door die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “ik sla je kapot” en heeft dit feit als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Gelet op hetgeen door de politierechter is bewezenverklaard – welke bewezenverklaring door het hof wordt bevestigd – dient feit 2 te worden gekwalificeerd als:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van [slachtoffer 2] op het station in Rijen. Tijdens deze poging heeft de verdachte de aangever achterna gezeten, tegen hem geschreeuwd en gedreigd hem kapot te slaan indien hij niet zou betalen. Dit is een beangstigende ervaring geweest voor de aangever en dit soort delicten zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht jegens [slachtoffer 2] en de te hulp schietende [slachtoffer 1] . Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangevers en bij hen gevoelens van onveiligheid en onbehagen teweeggebracht. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof neemt bij het bepalen van de hoogte van de straf de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt. Het oriëntatiepunt voor een straatroof met verbale bedreiging – volgens het hof voor wat betreft de straftoemeting vergelijkbaar met de afpersing in onderhavige zaak – is een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. In het onderhavige geval is sprake van een poging, waarvoor doorgaans (ongeveer) een derde deel in mindering wordt gebracht. Bij voornoemd uitgangspunt is echter nog geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte zich tevens meermalen schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De omstandigheid dat de verdachte twee personen heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, waaronder mevrouw [slachtoffer 1] , die slechts een medeburger te hulp is geschoten, werkt naar het oordeel van het hof strafverzwarend.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 februari 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor misdrijven is veroordeeld, zowel voor feiten in de vermogenssfeer, laatstelijk in 2021 en in 2022, als voor feiten betreffende verbale of fysieke agressie naar personen, laatstelijk in 2017 en in 2022. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof weegt deze omstandigheid in het nadeel van de verdachte mee bij de op te leggen straf. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 21 januari 2025. De reclassering schat het risico op recidive, het risico op letsel, alsmede het risico op onttrekking aan voorwaarden in als hoog en adviseert bij een veroordeling van de verdachte tot een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf oplegging van een aantal bijzondere, in het rapport genoemde, voorwaarden.

Gelet reeds op de aard en ernst van het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Naar het oordeel van het hof kan evenmin worden volstaan met een straf als door politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, omdat daarin de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen en voormelde eerdere veroordelingen onvoldoende tot uitdrukking komen.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof ziet, anders dan de reclassering, voorts, mede gelet op voormelde eerdere veroordelingen, alsmede op de overige inhoud van het reclasseringsadvies waaruit o.a. blijkt dat de verdachte in het verleden (forensisch) ambulante en klinische behandelingen niet heeft afgerond en de door de reclassering ingeschatte risico’s op herhaling, letsel en onttrekking aan voorwaarden als hoog worden ingeschat, thans onvoldoende grond voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde feit en de opgelegde straf.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter,

mr. A. Muller en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E.E. Vrieler en mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffiers,

en op 28 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.