Strafrecht overig
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet geven verbod.
ECLI:NL:GHSHE:2026:1383 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1383
Zaakgegevens
Op 17 april 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 17 april 2026
- Datum publicatie
- 28 mei 2026
- Zaaknummer
- 20-001055-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1383
Samenvatting
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet geven verbod.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-001055-25
Uitspraak : 17 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 7 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-394214-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet geven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft de rechtbank het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis afgewezen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de verdachte partieel vrij te spreken van het tenlastegelegde gewicht van 27.000 gram. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en is verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hetgeen de raadsman hiertoe heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel dan de rechtbank.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, al dan niet met een deels voorwaardelijke (gevangenis)straf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
De verdachte heeft zich samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan het voorhanden
hebben van een grote hoeveelheid 4-MMC. Door zijn handelwijze heeft de verdachte
bijgedragen aan de productie van en handel in harddrugs die, eenmaal in handen van
gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren. De productie
van en handel in harddrugs gaat bovendien (steeds meer) gepaard met andere (zware)
vormen van criminaliteit zoals witwassen, bedreigingen en levensdelicten. De verdachte heeft kennelijk gehandeld uit winstbejag en heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs.
Met de rechtbank gaat het hof bij de straftoemeting uit van een netto gewicht van 20.000 gram. Het oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van 10.000 tot en met 20.000 gram harddrugs is 30 maanden gevangenisstraf en bij meer dan 20.000 gram harddrugs een gevangenisstraf vanaf 36 maanden. In het onderhavige geval sluit het hof aan bij het oriëntatiepunt tot en met 20.000 gram.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een grote hoeveelheid
harddrugs voorhanden heeft gehad. Daarbij zijn anderen betrokken. De verdachte heeft geen volledige openheid van zaken gegeven. Hij heeft desgevraagd geweigerd de pincode van zijn iPhone te geven en aanvankelijk geen vragen willen beantwoorden over de Google telefoon. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte wel verklaard dat hij via deze telefoon berichten ontving die met de overdracht verband hielden, maar heeft hij geen informatie willen verstrekken over de persoon van wie hij deze telefoon heeft gekregen. Over het gebruik van een code om in deze Google telefoon bij de ontvangen berichtjes te kunnen komen heeft de verdachte op zitting in hoger beroep aanvankelijk verklaard dat deze code niet werkte om vervolgens te verklaren, mede in verband met vragen die waren gesteld over de onlogische route die de verdachte heeft gereden, dat hij naar de adressen is gegaan die naar deze Google telefoon waren gestuurd.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 december 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld. Dit feit dateert evenwel van relatief lang geleden. Het hof weegt die omstandigheid dan ook niet ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging mee. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is gestart met parttime werkzaamheden bij [bedrijf] en als zelfstandige werkzaam is in de bouwsector.
Naar het oordeel van het hof kan in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in het de hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. In de door de raadsman naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om anders te beslissen.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Voorlopige hechtenis
Voorts is het hof gebleken dat de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds 6 juni 2025 (tot de dag van de uitspraak in hoger beroep) is geschorst. Het hof is van oordeel dat het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis thans kan worden opgeheven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 15 (vijftien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 17 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.