Strafrecht overig
Veroordeling ter zake van 'met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit…
ECLI:NL:GHSHE:2026:1753 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1753
Zaakgegevens
Op 2 juni 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Datum publicatie
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- 20-001946-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1753
Samenvatting
Veroordeling ter zake van 'met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd' (feit 1) en 'met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd’ (feit 2). Horen van deskundige op de terechtzitting in hoger beroep. Hof ziet geen reden om op basis van de conclusie van de deskundige aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers te twijfelen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-001946-24
Uitspraak : 2 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 juli 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-086520-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
wonende te [adres]
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van ‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd
en met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn, naast de gebruikelijke algemene voorwaarden, bijzondere voorwaarden verbonden bestaande uit:
-
een meldplicht bij de reclassering;
-
een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
-
een locatieverbod voor het (volledige) dorp [plaatsnaam] .
De rechtbank heeft aan de reclassering de opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving hiervan.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte is voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal het hof verzocht vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen, te weten in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor het (volledige) dorp [plaatsnaam] , voor de duur van vijf jaren en daarbij te bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van tien dagen voor iedere keer dat de verdachte het verbod overtreedt, met een totale duur van ten hoogste zes maanden. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen per datum einduitspraak.
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering en aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de strafoplegging. Het hof zal dientengevolge tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Verbetering van de bewijsmiddelen
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals uitgewerkt opgenomen in de bijlage op pagina’s 26 tot en met 85 van het vonnis, worden door het hof bevestigd, doch met verbetering daarvan als volgt:
- Op pagina’s 33 en 39 van het vonnis, met betrekking tot het “Relaas verbalisant [verbalisant 1] , proces-verbaal van bevindingen [verbatim uitwerking studioverhoor [slachtoffer 2] ] d.d. 19 februari 2024 [pagina 124-176]”:
Het hof schrapt de volgende passages:
(p. 33/34)
V: Maar hoe vaak is dat nou gebeurd dat jullie aan zijn
G: Ik denk wel
V: Piemel
G: Ik denk wel iets van duizend of honderd keer.
V: Duizend of honderd keer.
G: Ja
(p. 39)
V: Maar hoe lang zit je dan eh lik je dan aan de piemel
G: Denk ik wel tien honderd uur. Au.
Het navolgende bewijsmiddel (op pagina’s 53 t/m 67 van het vonnis) komt in zijn geheel te vervallen:
- Relaas verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , proces-verbaal van bevindingen (2e studioverhoor [slachtoffer 1] ) d.d. 29 februari 2024 [pagina 226 t/m 239].
Aanvulling en verbetering van de bewijsoverwegingen
Het hof schaart zich achter de bewijsoverwegingen van de rechtbank, zoals uitgewerkt op pagina’s 3 tot en met 18 van het vonnis, doch met verbetering en aanvulling daarvan als volgt:
- Aan het kopje ‘Verklaring schoolplein’ op pagina 4 wordt voor ‘verklaring’ het woord ‘Disclosure’ toegevoegd;
- In het kopje ‘Disclosure verklaring veilig thuis’ op pagina 4 wordt het woord ‘disclosure’ geschrapt;
- In de overweging onder ‘Verklaring schoolplein’ op pagina 4 wordt na ‘kinderlijk geheimpje’ de volgende tekst toegevoegd:
(te weten: ‘wij komen zo bij jullie voorlezen’)
- In de overweging onder ‘Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 1] ’ in de laatste alinea op pagina 10 wordt de zin: “De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] daar een puntgave verklaring heeft afgelegd voor een kind van zeven jaar oud.” gewijzigd in:
“Het hof overweegt dat [slachtoffer 1] daar een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd voor een kind van zeven jaar oud.”
- Na het kopje ‘7. Beïnvloeding’ op pagina 11 wordt het navolgende kopje toegevoegd:
7a. Deskundigenrapport en het horen van de deskundige ter terechtzitting in hoger beroep
Het hof heeft in hoger beroep een rechtspsychologisch onderzoek naar de betrouwbaarheid van de in de onderhavige strafzaak afgelegde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , ook in onderlinge samenhang, van belang geacht. Daarop heeft de raadsheer-commissaris rechtspsycholoog prof. mr. dr. E.G.C. Rassin als deskundige benoemd en hem opgedragen een dergelijk onderzoek te verrichten. Deze deskundige heeft op 1 juli 2025 een rapport uitgebracht. In zijn rapport heeft hij de vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vertaald naar de vraag in hoeverre kan worden uitgesloten dat hun verklaringen zouden kunnen worden afgelegd indien de verdachte de kinderen niet zou hebben misbruikt. Deskundige Rassin komt tot de conclusie dat hij niet durft uit te sluiten dat de belastende verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bestaanbaar zijn in een alternatief scenario waarin er sprake is van een initieel verzonnen verhaal dat door bezorgde reacties uit de omgeving niet meer wordt ingetrokken, maar juist wordt volhardt.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn er door het hof en de advocaat-generaal vragen gesteld over het deskundigenrapport van 1 juli 2025. Op de terechtzitting is het hof meermalen gebleken dat de deskundige over onvoldoende dossierkennis beschikte. Herhaaldelijk verklaarde Rassin het dossier ‘niet meer paraat te hebben’. Tevens bleek de deskundige op de meest cruciale punten het dossier niet, dan wel onvoldoende gelezen te hebben. Zo concludeerde de deskundige in zijn rapport dat het niet duidelijk was waarom het tussen [slachtoffer 2] en de meisjes op school over geheimpjes ging, noch over welke geheimpjes en suggereerde hij dat de meisjes ‘vieze’ geheimpjes hadden en [slachtoffer 2] daarom mogelijk ook een ‘vies’ geheimpje (te weten: het misbruik door de verdachte) vertelde om stoer te doen. Uit het dossier blijkt echter dat het geheimpje van de meisjes inhield dat zij die dag bij de kleuters zouden gaan voorlezen, en was dus wel degelijk duidelijk dat het niet om het delen van ‘vieze’ geheimpjes ging. Toen de deskundige hiermee op de terechtzitting geconfronteerd werd, verklaarde hij daar overheen gelezen te hebben. Voorts verklaarde hij dat het moeilijker te verklaren is waarom [slachtoffer 2] over het misbruik zou beginnen, als het niet reeds over ‘vieze’ geheimpjes zou zijn gegaan.
Hiernaast merkt het hof op dat de deskundige niet in staat bleek zaaksgericht antwoord te geven op de gestelde vragen, maar bleef steken in algemeenheden. Zo is het het hof bijvoorbeeld niet duidelijk geworden hoe de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tijdens de verhoren met betrekking tot de door hen verklaarde gedragingen van hun opa concreet beïnvloed zouden zijn, hoe het mogelijk is dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (indien het misbruik niet zou hebben plaatsgevonden) hun verklaringen consistent hebben kunnen volhouden, en hoe groot de kans is dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hun verklaringen (gezien hun jonge leeftijd) hebben kunnen coördineren. Uit de antwoorden van de deskundige, maakt het hof op dat, in zijn algemeenheid, doorvragen vrijwel altijd tot het stellen van suggestieve vragen leidt en dat daardoor dus vrijwel altijd vraagtekens bij de authenticiteit van verklaringen geplaatst kunnen worden.
Nu de conclusie van de deskundige dat hij “niet durft uit te sluiten dat de belastende verklaringen bestaanbaar zijn in een alternatief scenario” is gebaseerd op deze algemeenheden en niet op omstandigheden die blijken uit het dossier, ziet het hof geen reden om op basis daarvan aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te twijfelen.
- In de overweging onder ‘8. Steunbewijs’ op pagina 13 wordt de navolgende tekst geschrapt:
Moeder verklaart dat ze zag dat [slachtoffer 1] tranen in haar ogen kreeg toen ze tegen haar moeder vertelde dat ze een stom, vervelend, geheimpje had met opa [verdachte] . De rechtbank overweegt dat ook deze eigen waarneming van moeder, ten aanzien van de emotionele toestand van [slachtoffer 1] tijdens het opbiechten van opa’s geheimpje, steun biedt aan de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring.
Op te leggen straf en maatregelen
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De ernst van het bewezenverklaarde
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn kleindochters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. [slachtoffer 1] was zes jaar oud toen het seksueel misbruik begon en [slachtoffer 2] was vier jaar oud. De seksuele handelingen vonden plaats in de woning van de verdachte en zijn vrouw, telkens op het moment dat zijn vrouw even niet thuis of in de buurt was. Met zijn handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van die situatie en het gevoel van veiligheid en vertrouwen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ernstig geschaad. De slachtoffers waren aan de zorg en waakzaamheid van hun opa toevertrouwd en zij hadden in elk opzicht gesteund en veilig bij hem moeten zijn. Toch heeft de verdachte ernstig misbruik gemaakt van hun afhankelijkheid en kwetsbaarheid. Juist daar waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bij hun opa veilig hadden moeten voelen, heeft de verdachte gezorgd voor een uitermate onveilige situatie
Het is algemeen bekend dat kinderen als gevolg van dergelijke handelingen ernstige geestelijke schade kunnen ondervinden. Deze geestelijke schade kan van lange duur zijn, omdat seksueel misbruik een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is niet voor niks dat door de wetgever de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen jonger dan zestien jaar uitdrukkelijk wordt beschermd. Dat heeft de verdachte er echter niet van weerhouden zijn eigen seksuele behoefte voorop te zetten en zijn eigen kleindochters te misbruiken. Met zijn handelen heeft de verdachte geen enkel respect getoond en een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van de slachtoffers. Dat het bewezenverklaarde tot op de dag van vandaag nog steeds impact heeft op de slachtoffers en de gehele familie blijkt uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring. Het hof acht het voorts kwalijk dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen. Van enig berouw heeft de verdachte tot op de dag van de terechtzitting in hoger beroep geen blijk gegeven. Hij is in zijn ontkennende houding blijven volharden.
De persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 19 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke of andere misdrijven. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.
Conclusie op te leggen straf
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het de hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die (gedeeltelijk) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren passend en geboden.
Het hof zal, net als de rechtbank, aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor het (volledige) dorp [plaatsnaam] . Het hof wil hiermee voorkomen dat de slachtoffers ongewild geconfronteerd worden met de verdachte.
Met oplegging van (gedeeltelijk) voorwaardelijke straffen wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van de verdachte is bij beslissing van dit hof van 19 januari 2026 onder voorwaarden geschorst tot aan het moment waarop het hof in de onderhavige zaak eindarrest zal wijzen. Dat moment, dat zich heden voordoet, leidt ertoe dat de voorlopige hechtenis van rechtswege herleeft. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat een schorsing van de voorlopige hechtenis zich niet langer met de strafoplegging verhoudt. Het hof is van oordeel dat de belangen van de verdachte thans niet langer zwaarder wegen dan de strafvorderlijke belangen, zodat het hof niet opnieuw het jegens de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis zal schorsen. Evenmin ziet het hof tegen voormelde achtergrond gronden aanwezig om het jegens de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis, dat herleeft nu de eerdere schorsing eindigt, op te heffen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 244, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] of op het telefoonnummer [telefoonnummer] , en blijft zich - gedurende de proeftijd van driejaren - melden bij deze instelling op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.
- dat de verdachte gedurende de proeftijd van drie jaren geen contact zal opnemen, zoeken of hebben - in welke vorm dan ook, ook niet via derden - met
1) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2016, en;
2) [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2018,
tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd;
- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd van drie jaren niet zal bevinden in het (volledige) dorp [plaatsnaam] , tenzij deze aanwezigheid plaatsvindt met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. J.J. Peters en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,
en op 2 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.