Strafrecht overig

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de opiumwet gegeven…

Zaakgegevens

Op 12 februari 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
12 februari 2026
Datum publicatie
2 april 2026
Zaaknummer
20-000047-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:898
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de opiumwet gegeven verbod.

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de opiumwet gegeven verbod.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-000047-24

Uitspraak : 26 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-088655-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de

Opiumwet gegeven verbod en

feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de

Opiumwet gegeven verbod

veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en

- een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

Tevens heeft de rechtbank beslist omtrent het beslag.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 22 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de bewezenverklaring en de straf.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf.

Standpunt verdediging

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof neemt de navolgende strafmaatoverwegingen van de rechtbank over:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in cocaïne en hennep/hasjiesj. Door de handel in hard- en softdrugs wordt het grote criminele drugscircuit, waaronder het gebruik van verdovende middelen in stand gehouden en kunnen de dealers in die verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt.

Daarbij is ook van belang dat drugs veelal verslavend werken en schadelijk kunnen zijn

voor de gezondheid. Drugshandel is in toenemende mate de oorzaak van geweldsexplosies,

waarbij ook nietsvermoedende burgers worden getroffen. Verdachte heeft zich kennelijk om

dit alles niet bekommerd en heeft enkel gehandeld uit geldzucht.

De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in beginsel enkel een gevangenisstraf.

(..).

De rechtbank heeft in strafverzwarende zin rekening gehouden met de aard en intensiteit van de handel en de rol die verdachte hierin heeft gespeeld. Het ging om een intensieve handel die al langere tijd bezig was. Er was sprake van een samenwerking in georganiseerd verband tussen de verschillende verdachten, waarbij verdachte een aansturende en organiserende rol heeft gespeeld.

(..)..

Het hof vult deze overwegingen van de rechtbank aan met de vaststelling dat de verdachte in eerste aanleg en ter zitting in hoger beroep geen antwoord heeft willen geven op vragen naar de ten laste gelegde feiten. Door deze procesopstelling heeft de verdachte er geen blijk van gegeven het verwijtbare van zijn handelen in te zien.

Deze opstelling van de verdachte gevoegd bij de ernst van de feiten brengen het hof tot het oordeel dat de strafduur en strafmodaliteit waar de rechtbank voor heeft gekozen niet passend is en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden deze ten nadele van de verdachte wegende factoren beter tot uitdrukking brengt.

Met de rechtbank stelt het hof tegelijkertijd vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden.

Het hof stelt de aanvang van deze termijn op de datum van het eerste verhoor van de verdachte op 30 maart 2021 en het einde ervan op de datum van het vonnis zijnde 22 december 2023. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaren met ruim 8 maanden overschreden.

Voor wat betreft de fase van het hoger beroep stelt het hof de aanvang van de termijn op 4 januari 2024, zijnde de datum waarop door de verdachte hoger beroep is ingesteld. Het einde van de termijn stelt het hof op de datum van dit arrest, zijnde 26 maart 2026. Daarmee is termijn van 2 jaren met ruim 2 maanden overschreden.

Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding de duur van voormelde gevangenisstraf te matigen naar 12 maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Het dictum van het bevestigde vonnis luidt verder:

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. EUR, ibn 30-03-2021 (Omschrijving: G_662305)

2 160 EUR, ibn: 29-03-2021(Omschrijving: G_662254)

3.1

STK Personenauto, [kenteken] ,5750 (Omschrijving: G2313849, Grijs, merk: Ford, chassisnr: [chassisnummer] , bouwjaar 2015)

4 1 STK Vorderingen 1789.58 (Omschrijving: Betreft geblokkeerde beslagrekening derdenbeslagen [rekeningnummer] t.n.v. [verdachte] ., [bank] ).

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1. STK Telefoontoestel (Omschrijving: G_662231, koperkleurig, merk: Apple.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Aldus gewezen door:

mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. G.M. Goes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,

en op 26 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest te ondertekenen.