Strafrecht overig
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod…
ECLI:NL:GHSHE:2026:908 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 31 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-908
Zaakgegevens
Op 31 maart 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 31 maart 2026
- Datum publicatie
- 3 april 2026
- Zaaknummer
- 20-001204-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:908
Samenvatting
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 22 april 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:2641Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 31 maart 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:908
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-001204-24
Uitspraak : 31 maart 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 april 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-255537-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
volgens opgave van de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting van het hof op 17 maart 2026: wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 1), en
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 2),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van het voorarrest, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Door de verdediging is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust.
Hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Het hof heeft geconstateerd dat de door de rechtbank bewezenverklaarde hoeveelheden cocaïne en 3-CMC enigszins afwijken van hetgeen uit de bewijsmiddelen volgt. Het hof is evenwel, met de raadsvrouw en de advocaat-generaal, van oordeel dat die verschillen zodanig gering zijn, dat deze worden omvat door de in de bewezenverklaring opgenomen aanduiding ‘ongeveer’.
BESLISSING
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 31 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.