Strafrecht overig

Feitelijk leiding geven aan witwassen, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Primair…

Zaakgegevens

Op 1 april 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
1 april 2026
Datum publicatie
13 april 2026
Zaaknummer
20-002952-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:979
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Feitelijk leiding geven aan witwassen, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Primair tenlastegelegde feit betreft opzetwitwassen en het subsidiaire feit betreft schuldwitwassen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-002952-24

Uitspraak : 1 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-880603-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

in het BRP geregistreerd zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

ter terechtzitting opgegeven te verblijven te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld ter zake van “feitelijk leiding geven aan witwassen, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de meervoudige kamer een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.

Door de raadsvrouw is bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit van opzet-witwassen en heeft zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van het hof. Tevens heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd en bepleit dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd tot een bedrag van € 420.000,-.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met uitzondering van de opgelegde straf en de vordering van de benadeelde partij, en met verbetering en aanvulling van de gronden waarop dit berust, in zoverre dat het hof respectievelijk de bewijsmiddelen zal aanvullen en verbeteren en de bewijsoverwegingen zal aanvullen naar aanleiding van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht.

Verbetering van de bewijsmiddelen

Het hof is van oordeel dat het eerste door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel, zoals opgenomen onder de bewijsmiddelen (p. 2-4) van het vonnis, op de volgende wijze aanvulling behoeft:

1. Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van 2 februari 2015, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [aangever] alsmede als aanvullende verklaring van verbalisant [verbalisant] (p. 258 t/m 260):

In juli 2014 waren twee facturen ontvangen van [benadeelde 1] met factuurdatum 30 juni 2014. Op deze twee facturen was sprake van een ander rekeningnummer van [benadeelde 1] dan in het crediteurenbestand voorkwam. (…) Het rekeningnummer [rekeningnummer 1] is toegevoegd aan het crediteurenbestand.

Op 4 december 2014 was bekend geworden welk bedrag moest worden overgemaakt door het [benadeelde 2] aan [benadeelde 1] . Dit bedrag was € 433.182,40. Hierop is door [benadeelde 1] op 4 december 2014 een factuur voor dit bedrag opgemaakt en verzonden naar [benadeelde 2] . Op 24 december 2014 is door [benadeelde 2] het voornoemde bedrag overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer 1] . Op 26 januari 2015 bleek dat het bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] niet het rekeningnummer van [benadeelde 1] betrof en dat daarom het geld ook niet was ontvangen bij [benadeelde 1] . Het rekeningnummer [rekeningnummer 1] is inmiddels geblokkeerd, maar er staat geen geld meer op.

Aanvullende gegevens verstrekt door verbalisant

Er is met een vervalste factuur een bedrag van € 433.182,40 overgemaakt op een vals rekeningnummer.

Het hof is van oordeel dat het vijfde door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel, zoals opgenomen onder de bewijsmiddelen (p. 2-4) van het vonnis, dient te worden vervangen voor het volgende:

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 17 september 2018, incl. bijlagen, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte (p. 41-95):

Pagina 42:

V: Wat kunt u verklaren over het bedrijf [bedrijf 1] ?

Ve: Dat heb ik overgenomen van de heer [medeverdachte 1] . Toen ik het overnam stond er een aardige som geld op de bankrekening.

V: Volgens mij vergis je je? Er stond geen groot geldbedrag op de rekening van [bedrijf 1] .

Ve: Er is een bedrijf waar veel geld op de rekening stond en dat nam ik over van [medeverdachte 1] . Ik kreeg daar € 20.000 provisie voor en ik kocht goud voor dat bedrijf. Ik heb in die tijd wel meer bedrijven op mijn naam gehad waar ik een vergoeding voor kreeg. Ik weet het niet precies meer. Je doet wel eens vaker verkeerde dingen.

V: Volgens onze gegevens is op de bankrekening van [bedrijf 1] een bedrag van€ 20.000 aan provisie gestort. [bedrijf 1] stond op uw naam.

Ve: Ja, dat klopt.

Pagina 43:

Noot verbalisant:

Ik toon u een Kamer van Koophandel (KvK) uitdraai van de onderneming [bedrijf 1] met KvK nummer [KVK-nummer 1] die als bijlage 1 bij dit proces-verbaal wordt gevoegd.

V: In het KvK staat u hier als bestuurder geregistreerd vanaf 01-11-2014. Wat kunt u hierover verklaren?

Ve: Die heeft op mijn naam gestaan. Zoals ik al zei. Ik heb meerdere bedrijven op naam gehad. Met name omdat ik toen net vrij was en daar wat mee kon verdienen.

V: Wat waren de bedrijfsactiviteiten binnen [bedrijf 1] ?

Ve: Dat weet ik niet. De meeste heb ik op naam gehad omdat ik daar een vergoeding voor kreeg.

V: Waar waren de vergoedingen dan voor?

Ve: Om die bedrijven op naam te zetten.

V: Van wie kwamen die vergoedingen dan?

Ve: Die kwamen van de heer [medeverdachte 2] . Ik wist dat het niet helemaal klopte want het is vreemd dat ze zo maar iemand € 20.000 euro betalen.

V: Van wie heeft u het bedrijf overgenomen?

Ve: Volgens mij van meneer [medeverdachte 1] . Als ik me niet meer vergis. Aangezien het er meer waren is het moeilijk uit elkaar te houden.

V: Maar waarom nam u [bedrijf 1] van de heer [medeverdachte 1] over?

Ve: Omdat ik daar een vergoeding voor kreeg. Ik weet niet wat die bedrijven dan deden. Ik kreeg alleen de vergoeding om het bedrijf op mijn naam te zetten. Het is makkelijk om een bedrijf op iemands naam te zetten en er dan dingen mee te doen die het daglicht niet mogen zien.

Pagina 44:

Noot verbalisant:

Ik toon u een uitdraai van de KvK die als bijlage 2 bij dit proces-verbaal wordt gevoegd van [bedrijf 2] met KvK nummer [KVK-nummer 2] met datums 06-05-2016 en 02-07-2018.

V: Wat kunt u verklaren over het bedrijf [bedrijf 2] ?

Ve: Daar weet ik zelf nog bitter weinig over. Volgens mij stond op de rekening van dat bedrijf veel geld. Het bedrijf stond op naam van iemand uit Eindhoven Valkenswaard . Ik heb toen de bankgegevens nog opgehaald bij iemand die in een dorp woont op de grens tussen België en Nederland .

V: Wat kunt u verklaren omtrent de bankrekening van de [bank 1] voorzien van het nummer [rekeningnummer 1] op naam van [bedrijf 2] ?

Ve: Er stond een grote som geld op. Ik zag dit door in te loggen.

V: Hoe wist u dat er een grote som geld op zou staan?

Pagina 45:

Ve: Ik hoorde dat van de heer [medeverdachte 2] . Ik hoorde dat er een groot geldbedrag op stond, dat ik daar provisie voor kreeg en dat ik van het andere geld goud moest kopen. Ik heb dat ook via de bank overgemaakt naar België en ik heb daar ook het goud opgehaald. (…) Ik heb het via meneer [medeverdachte 2] overgenomen.

V: Wat was op dat moment het bedrag, toen u inlogde, op de rekening met nummer [rekeningnummer 1] op naam van [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) ?

Ve: Volgens mij 420 duizend en een paar centen of zo. Dat stond er al op toen ik het bedrijf overnam.

V: Waarom nam u [bedrijf 2] van hem over?

Ve: Dat was voor het geld. € 20.000. Dat was omdat het goud gekocht moest worden. Dat heb ik ook afgegeven. Dat heb ik niet zelf gehouden. Dat goud heb ik aan een Marokkaanse man gegeven in de parkeergarage onder winkelcentrum Duckenburg in Nijmegen .

Pagina 46:

V: Wat waren de bedrijfsactiviteiten die [bedrijf 2] uitvoerde?

Ve: Dat weet ik ook niet. Ik heb me er niet in verdiept.

V: Wist u voor de overname waarom u het bedrijf over moest nemen?

Ve: Ja, dat ik daar goud voor moest kopen. Waar dat geld vandaan kwam is niet verteld. Ik had 20.000 redenen om niet te vragen waar dat geld vandaan kwam.

Pagina 47:

V: Hebt u toen ook gekeken waar het geld vandaan was gekomen?

Ve: Ik heb daar nooit naar gekeken. Ik heb gewoon die transacties gedaan. Ik neem aan dat het ook niet zo maar kleine jongens zijn die hier achter zitten en als ik daar vragen over had gesteld dan had ik denk ik ook steeds achterom moeten kijken. .

Pagina 48:

V: Ik toon u twee overzichten van de [bank 2] en van banktransacties van [bedrijf 2] op 20-01 -2015 van € 150.000 en € 250.000 Wat kunt u over deze transacties verklaren?

Ve: Dat heb ik gedaan. Ik heb dat geld overgeboekt.

V: Waar was u?

Ve: Thuis bij mij. Dat was [adres 2] - [adres 3] .

Pagina 49:

V: De spoedopdracht betaling van € 150.000,00 op 20 januari 2015 heeft als bijschrift: “ [bank 2] bel aankoop goud tav mevr. [betrokkene 1] .” Hierbij is de [bank 1] -ID [nummer 2] vermeld. Wat kunt u hierover verklaren?

Ve: Niets maar ik denk dat dat de vrouw is die daar werkt. Ik weet het niet maar er was een vrouw die mij daar geholpen heeft. Die heeft mij ook een kaartje gegeven met de gegevens erop dus ik neem aan dat zij dat is.

V: Op 20 januari 2015 vond er nog een spoedopdracht betaling van€ 250.000,00 met als bijschrift: “ [bank 2] bel betaling faktuur ”. Hierbij is de [bank 1] -ID [nummer 1] vermeld. Wat kunt u hierover verklaren?

Ve: Dat is het tweede gedeelte van het bedrag wat ik overmaakte naar Antwerpen .

V: U bent op dat moment bestuurder en enige met een bankpas van [bedrijf 2] . Wat kunt u hierover verklaren?

Ve: Ja. Dat klopt.

Noot verbalisant:

Aan de verdachte wordt een kopie verkoopbordel met datum, 23-01-2015 getoond plus een

gewaarmerkt kopie van het KvK formulier van [bedrijf 2] . Deze verkoopbordel is afkomstig van [bank 2] te Antwerpen en is gericht aan [bedrijf 2] , [adres 4] .

Hier is de koop van 10,81081 kg smeltgoud fijn met een totaalprijs €399.999,97 zichtbaar.

Verkoopbordel is getekend door [verdachte] met twee handtekeningen en met de opmerking “Goud compleet geleverd en ontvangen”.

V: Wij tonen u een kopie verkoopbordel met datum, 23-01-2015 plus een gewaarmerkt kopie van het KvK formulier van [bedrijf 2] . Deze verkoopbordel is afkomstig van [bank 2] te Antwerpen en is gericht aan [bedrijf 2] , [adres 4] . Wat kunt u hierover verklaren?

Ve: Die heb ik ondertekend. Zoals u ziet komt de handtekening ook overeen met de handtekening in mijn paspoort. Ook de tekst die erop staat is door mij geschreven. Ik zou zo het adres niet kunnen zeggen. Ik zou er wel zo naartoe kunnen lopen.

V: Wanneer heeft u het goud opgehaald?

Ve: Dat weet ik niet meer. Ik heb het in twee keer opgehaald. Volgens mij heb ik één keer 4 kilo opgehaald en daarna nog een keer 7,8 kilo. 11,8 kilo totaal.

V: Op de verkoop bordereel staat dat er 10,8 kilo is verkocht. Wat kunt u daarover verklaren?

Ve: Dan ben ik abuis. Het zal wel kloppen.

Pagina 50:

V: Tevens verklaart de zaakvoerder dat de [verdachte] omschreven kan worden als een vrij slanke mager man, zeker tussen de 1.90 en 1.95 meter. Leeftijd schatte zij toen ergens rond de vijftig en bruin haar. (Als ik zo naar u kijk dan komt dat wel overeen met u.) Wat kunt u hierover verklaren?

Ve: Ik ben daar geweest. Dat is heel simpel.

V: Verder is er een betaling zichtbaar op 16 januari 2015 van een bedrag van€ 20.000,00 van bankrekening [rekeningnummer 1] op naam van [bedrijf 2] naar de bankrekening

[rekeningnummer 2] op naam van [bedrijf 1] met als bijschrift: “Restbetaling verrichte werkzaamheden”. Wat kunt u over deze betaling verklaren?

Ve: Dat is mijn provisie voor de goudtransactie. Die heb ik ook zelf overgemaakt en zelf opgemaakt.

V: Wat wordt bedoeld met de omschrijving: "verrichte werkzaamheden"?

Ve: De goudoverdracht he.

Pagina 51-52:

V: Als we alles op een rijtje zetten was u directeur en enige bestuurder van [bedrijf 2] vanaf 14 januari 2015 met als aandeelhouder [bedrijf 3] . Dat met terugwerkende kracht vanaf 8 januari 2015. Hiervan bent u de enige bestuurder. De bankrekening van [bedrijf 2] is [rekeningnummer 1] . Op 20 januari 2015 werd met twee spoedopdrachten/ betalingen € 150.000,00 en € 250.000,00 overgedaan van [bedrijf 2] voorzien van het bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] naar [bank 2] voorzien van het bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] . Volgens de zaakwaarnemer van [bank 2] bent u driemaal op kantoor geweest. Eén keer om de goudtransactie te bespreken en twee keer om fysiek goud op te halen. U bent degene die het goud heeft opgehaald en u hebt het twee keer aan een voor u onbekende Marokkaanse man in een witte auto afgegeven op de parkeerplaats bij winkelcentrum Duckenburg in Nijmegen waar die man vlak bij de uitgang geparkeerd stond. Die man kende u niet. Dit alles deed u in opdracht van de heer [medeverdachte 2] . De heer [medeverdachte 1] kende u niet voor dit voorval en van de heer [betrokkene 2] hebt u nog nooit gehoord. Wat kunt u hierover verklaren?

Ve: Dat klopt.

V: Wat hebt u met de 20.000 euro gedaan die u verdiende met de goudtransactie?

Ve: Daar heb ik kleding van gekocht. Een auto gekocht. Genoten.

Het hof is tevens van oordeel dat het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgenomen op pagina 2-4 van het vonnis, op de volgende wijze aanvulling behoeft:

6. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2026, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik tijdens mijn verhoor bij de politie heb gezegd dat ik wist dat het niet helemaal klopte dat ik € 20.000,- zou verdienen door alleen een bedrijf op mijn naam te zetten. Ik heb meerdere bedrijven op mijn naam laten zetten; ik had dat eerder ook gedaan als stroman, katvanger. Dat was wat ik deed. Het is wel fout als je als stroman gebruikt wordt. Ik heb het geld overgemaakt naar [bank 2] . Ik wist dat het niet deugde. Ik weet dat mensen daar andere dingen mee doen met die bedrijven maar ik wist niet wat ze precies deden. Ik wist niet dat er een factuur vervalst was. Ik wist dat er iets niet mee in orde was, maar ik wist niet waarom. Op de vraag van de jongste raadsheer of dit kan worden samengevat als “het kon gewoon niet kloppen”, zeg ik ja, er moest iets fout zijn.

Aanvulling van de bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, alsmede de overige door het hof overgenomen bewijsmiddelen in het vonnis waarvan beroep, in onderlinge samenhang beschouwd.

II.

Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank, zoals opgenomen in het kopje “Nadere bewijsoverweging” op pagina 5 van het vonnis waarvan beroep. Hetgeen de raadsvrouw daaromtrent in hoger beroep nog heeft aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Ter aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank zal het hof reageren op hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit van opzetwitwassen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De twee medeverdachten, de heer [medeverdachte 1] en de heer [betrokkene 2] , zijn beiden door het gerechtshof vrijgesproken voor opzetwitwassen en veroordeeld voor schuldwitwassen. Zij hebben daardoor een aanzienlijk lagere straf opgelegd gekregen dan verdachte. Volgens de raadsvrouw is de rol van de verdachte niet zodanig zwaarder geweest dat hij wel kan worden veroordeeld voor opzetwitwassen. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte niet betrokken was bij de wijze waarop was gefraudeerd richting [benadeelde 2] en de herkomst van het geld niet kende toen hij de bankrekening van [bedrijf 2] overnam. Volgens de raadsvrouw heeft de rechtbank de drempel voor opzetwitwassen ten onrechte verlaagd door te oordelen dat het er niet toe doet van welk misdrijf het geld afkomstig was.

Het hof overweegt als volgt.

Op 4 december 2014 ontvangt [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ) een valse factuur ter hoogte van € 433.182,40 van het bedrijf [benadeelde 1] Op deze valse factuur staat het bankrekeningnummer van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) vermeld - te weten [rekeningnummer 1] - in plaats van het rekeningnummer van [benadeelde 1] . Als gevolg van deze valsheid in geschrifte/oplichting voldoet [benadeelde 2] op 24 december 2014 de factuur en boekt een bedrag van € 433.182,40 over op de rekening van [bedrijf 2] . De verdachte is op 14 januari 2015 tegen betaling van € 20.000,- als stroman bestuurder geworden van [bedrijf 2] met de opdracht om van het nog op de rekening van [bedrijf 2] staande bedrag van ruim € 420.000,- na aftrek van zijn provisie - goud te kopen en dat af te geven aan een hem onbekende persoon. Dat heeft de verdachte vervolgens ook gedaan.

Het hof is van oordeel dat dit een klassiek voorbeeld is van witwassen. Het geldbedrag dat op de rekening stond van [bedrijf 2] werd voor het overgrote deel (€ 400.000,-) omgezet in goud en voor het restant als provisie naar hemzelf (via zijn vennootschap [bedrijf 1] ) overgeboekt onder de verhullende omschrijving ‘Restbetaling verrichte werkzaamheden’.

Voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van de artikelen 420bis Sr indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Daarvan is hier sprake. Hier is zelfs duidelijk van welk concreet (bepaald) misdrijf het door verdachte omgezette en verhulde geldbedrag van €420.000 afkomstig was (oplichting/valsheid in geschrifte). Daarnaast is voor de bewezenverklaring van witwassen onder art. 420bis Sr noodzakelijk dat de verdachte wist (waaronder ook voorwaardelijk opzet is begrepen) dat zijn gedraging een uit enig misdrijf afkomstig goed betrof. Niet noodzakelijk is dat de verdachte precies wist van welk misdrijf dit bedrag afkomstig was.

Anders dan de raadsvrouw betoogt, is derhalve niet van belang of de verdachte wist dat het geld door middel van een vervalste of valse factuur op de rekening van [bedrijf 2] was overgemaakt. Dat de verdachte wetenschap had van de criminele herkomst (van enig misdrijf) van die € 420.000, volgt uit de bewijsmiddelen. De verdachte heeft bij de politie, bij de rechtbank en bij het hof immers verklaard dat hij wist dat het niet klopte/niet deugde dat hij € 20.000 zou ontvangen voor het als stroman op naam zetten van [bedrijf 2] om vervolgens de gelden op de bedrijfsrekening om te zetten in goud en dit af te geven aan een onbekende derde. Volgens de verdachte had hij echter “20.000 redenen om niet te vragen waar het geld vandaan kwam”.

Om deze reden acht het hof het primair tenlastegelegde feit, te weten opzetwitwassen, wettig en overtuigend bewezen. Het feit dat de medeverdachten in deze zaak zijn veroordeeld voor schuldwitwassen, en derhalve lagere straffen opgelegd hebben gekregen, doet daar niet aan af. Alleen al omdat de rol van de verdachte - los van zijn wetenschap - wezenlijk anders was dan die van de medeverdachten. Zo heeft de verdachte het geld overgemaakt aan [bank 2] , heeft hij het goud opgehaald en het vervolgens in een parkeergarage aan een onbekend persoon overhandigd. Daarnaast heeft de verdachte zelf een bedrag van € 20.000,- verdiend aan het verdonkeremanen van dit geld.

Op te leggen straf

De raadsvrouw heeft bepleit dat het hof bij een eventuele bewezenverklaring, een lagere straf dan in eerste aanleg dient op te leggen, te weten een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, subsidiair een taakstraf van 120 uur. De raadsvrouw heeft het hof verzocht om rekening te houden met de opgelegde straffen van de medeverdachten, de rol van verdachte als katvanger, alsmede de ruime overschrijding van de redelijke termijn. Volgens de raadsvrouw zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen doel meer dienen, nu de feiten ook van elf jaar geleden zijn en verdachte geen recente documentatie heeft.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van € 420.000,00.

Verdachte heeft willens en wetens als stroman - bestuurder van [bedrijf 2] van het van misdrijf afkomstige geld op de bedrijfsrekening - voor € 400.000,00 aan goud gekocht en een bedrag van € 20.000,-, verhuld als restbetaling, als beloning voor zichzelf opgenomen. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daardoor de criminele herkomst van gelden wordt verhuld en het traceren daarvan wordt bemoeilijkt. Door het handelen van de verdachte is het voor het [benadeelde 2] onmogelijk geworden het onverschuldigde op rekening van [bedrijf 2] overgemaakte bedrag op enigerlei wijze met succes terug te vorderen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 december 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte, waaruit naar voren komt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke vermogensfeiten. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat uit voornoemd uittreksel volgt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)’ ten aanzien van fraude. Voor een bedrag van € 250.000,- tot € 500.000,- gaan de oriëntatiepunten in beginsel uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij in een chalet woont en sinds ongeveer drie weken een baan heeft in de steigerbouw. Hij is inmiddels 55 jaar oud en heeft verklaard zich niet langer bezig te willen houden met strafbare feiten.

Redelijke termijn

Voorop wordt gesteld dat ingevolge artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak naar het oordeel van het hof te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

In het onderhavige geval is de redelijke termijn naar het oordeel van het hof aangevangen op 17 september 2018, de dag waarop de verdachte voor het eerst door de politie is verhoord. Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 26 januari 2022, maar de zaak is door het gerechtshof terugverwezen naar de rechtbank op 21 juli 2023. De rechtbank heeft vervolgens op 23 oktober 2024 het vonnis waarvan beroep gewezen. Deze vertraging in de beoordeling van de zaak is niet aan de verdachte te wijten. Aldus is er sprake van een tijdsverloop in eerste aanleg van 6 jaren en circa 1 maand, zodat de eerste rechter niet binnen de hiervoor genoemde termijn tot een einduitspraak is gekomen.

Nu de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden dient dit naar het oordeel van het hof consequenties te hebben ten aanzien van de strafoplegging. Het hof weegt daarbij ook mee dat het een oud feit betreft. Zonder de schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van de hierna aan te geven straf.

Alles afwegende acht het hof, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 446.247,36. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De vordering valt uiteen in de volgende posten:

  • € 433.182,40 voor betaling van de vervalste c.q. valse factuur;

  • € 13.064,96 voor de kosten van het [bedrijf 4] voor onderzoek naar de geleden schade.

De raadsvrouw heeft verzocht dat het hof de schadevergoeding zal matigen naar een bedrag van € 420.000,-.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het bedrag van € 433.064,96.

Dit bedrag valt uiteen in drie bedragen, te weten:

  • € 400.000,-, het bedrag dat door de verdachte is opgenomen en omgezet in goud;

  • € 20.000,- aan zijn eigen provisie; en

  • € 13.064,96 voor de kosten van het bedrijfsrecherchebureau.

Het bedrag van € 420.000,- is de schade van [benadeelde 2] die de verdachte zelf heeft veroorzaakt. De verdachte heeft immers gefrustreerd dat [benadeelde 2] dit onverschuldigd op rekening van [bedrijf 2] overgemaakte geldbedrag nog met succes zal kunnen terugvorderen, doordat hij € 400.000 hiervan heeft omgezet in goud en dit vervolgens aan een onbekende derde heeft afgegeven en € 20.000 zelf heeft opgemaakt.

Het hof is van oordeel dat de vordering tot het bedrag van € 433.064,96 genoegzaam is onderbouwd, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Door de advocaat van de benadeelde partij is verzocht de verdachte hoofdelijk te veroordeling tot betaling van dit bedrag. Het hof zal hiertoe overgaan omdat op basis van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte het witwassen van voormeld geldbedrag samen met een of meer anderen heeft gepleegd. Nu de verdachte en de mededader(s) elk een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij dan ook hoofdelijk toewijzen zoals is gevorderd.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. De wettelijke rente voor het bedrag van € 420.000,- zal ingaan op 20 januari 2015, de datum waarop de verdachte het gehele bedrag van € 420.000 van de rekening van [bedrijf 2] had gehaald tot aan de dag der algehele voldoening. De wettelijke rente ten aanzien van de kosten van het bedrijfsrecherchebureau zal, ingaan op 15 september 2015, de dag van betaling van de factuur – zijnde de datum waarop de schade wordt geacht te zijn geleden – tot aan de dag der algehele voldoening.

De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van deze uitspraak is bepaald.

De vordering van de benadeelde partij wordt voor het overige afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 433.064,96. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het bedrag van € 420.000,- is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en het bedrag van € 13.064,96 is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Proceskosten

De benadeelde partij heeft proceskosten gevorderd voor een bedrag van € 12.047,-, bestaande uit € 6.428,- voor de rechtsgang in eerste aanleg en € 5.619,- voor de

rechtsgang in hoger beroep.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof zal het gehele gevorderde bedrag voor de proceskosten toekennen aan de benadeelde partij. De benadeelde partij komt voor de rechtsgang in eerste aanleg twee punten toe, voor een bedrag van € 6.428,-.

Bij een vordering met een geldswaarde van € 390.000,- tot € 1.000.000,- (tarief VII), wordt (per 1 februari 2026) elk punt in hoger beroep gewaardeerd op een bedrag van € 5619,-. De benadeelde partij komt in dit verband één punt toe voor de rechtsgang in hoger beroep voor de aanwezigheid van zijn advocaat ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof zal aldus de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, begroot op een totaalbedrag van (€ 6.428+ € 5619,- =) € 12.047,-.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 51, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, en doet in zoverre opnieuw recht:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 433.064,96 (vierhonderddrieëndertigduizend vierenzestig euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 12.047,00 (twaalfduizend zevenenveertig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 433.064,96 (vierhonderddrieëndertigduizend vierenzestig euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

  • 20 januari 2015 over een bedrag van € 420.000,00 ter zake van definitief weggenomen bedrag;

  • 15 september 2015 over een bedrag van € 13.064,96 ter zake van [bedrijf 4] .

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of een of meer van zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. R. Lonterman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E. Vogelvang, griffier,

en op 1 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.