Belastingrecht
Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht
Hoge Raad, 5 juni 2026
ECLI:NL:HR:2026:856 · Hoge Raad · 5 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-856
Zaakgegevens
Op 5 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 juni 2026
- Datum publicatie
- 5 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/04076
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:856
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
HR: 81.1 RO
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 15 oktober 2024
ECLI:NL:GHARL:2024:6420Hoge Raad · 7 februari 2025
ECLI:NL:HR:2025:187Hoge Raad · 14 maart 2025
ECLI:NL:HR:2025:401Hoge Raad · 5 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:856
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04076
Datum 5 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024, nrs. BK-ARN 23/413 en 23/414, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 22/258 en 22/259) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Bij arrest van 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:187, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van het beroep in cassatie ontbraken. Daarna is uit nader onderzoek gebleken dat de niet-ontvankelijkverklaring niet terecht is geweest omdat de gronden tijdig waren ontvangen, maar niet in het digitale dossier van deze zaak zijn opgenomen. Daarom heeft de Hoge Raad bij arrest van 14 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:401, het arrest van 7 februari 2025 vervallen verklaard en bepaald dat het geding wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond toen het arrest van 7 februari 2025 werd gewezen.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.