Belastingrecht
Hoge Raad · Cassatie · Belastingrecht
ECLI:NL:HR:1928:445 · Hoge Raad · 15 februari 1928
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-1928-445
Zaakgegevens
Op 15 februari 1928 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 februari 1928
- Datum publicatie
- 14 juli 2025
- Zaaknummer
- 3608
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1928:445
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 januari 1928
ECLI:NL:PHR:1928:3Hoge Raad · 15 februari 1928deze uitspraak
ECLI:NL:HR:1928:445
Uitspraak
No 3608.
De Hooge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van [X], wonende te [Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen I te [Z] van 28 September 1927, betreffende zijn aanslag in de Inkomstenbelasting, belastingjaar 1926/1927;
Gezien de stukken;
Gelet op de schriftelijke conclusie van den Advocaat- Generaal Besier, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep;
Overwegende dat ten deze vaststaat:
dat belanghebbende bij aanslagbiljet gedagteekend 26 April 1927 in gemelde belasting is aangeslagen;
dat belanghebbende op denzelfden dag een bezwaarschrift tegen dien aanslag heeft ingediend, waarop de Inspecteur op 5 Mei 1927 eene beschikking heeft gegeven, tegen welke beschikking belanghebbende bij den Raad in beroep is gekomen;
dat belanghebbende op 27 Mei 1927 opnieuw een bezwaarschrift tegen gemelden aanslag heeft ingediend, doch de Inspecteur hem daarin niet ontvankelijk heeft verklaard bij beschikking van 1 Juni 1927 en belanghebbende ook tegen deze beschikking in beroep is gekomen;
dat de Raad van Beroep bij de bestreden uitspraak gegeven op laatstgemeld beroep de beschikking van den Inspecteur van 1 Juni 1927 heeft gehandhaafd;
dat de Raad evenals de Inspecteur belanghebbende in zijn tweede bezwaarschrift niet ontvankelijk acht, 1e in dit bijzonder geval, omdat belanghebbende in zijn tweede bezwaarschrift dezelfde bezwaren opwerpt, welke hij bij zijn beroep tegen de beschikking op het eerste bezwaarschrift aanvoert en de wet " het recht gevende om bij den Raad van Beroep in hooger beroep te komen, geacht moet worden, in ieder geval te hebben willen uitsluiten, dat diezelfde grieven tegen des Inspecteurs beschikking tevens bij dezen zouden worden aanhangig gemaakt; 2e. in het algemeen, omdat de wetgever heeft bedoeld, dat tegen iedereen aanslag rechtsgeldig slechts een bezwaarschrift kan worden ingediend, daar in hooger beroep, nog nieuwe bezwaren tegen den aanslag kunnen worden ingebracht en de wetgever het recht tot het indienen van bezwaren heeft willen beperken, terwijl een ander stelsel tot de niet te aanvaarden ongerijmdheid zou voeren, dat hij, die den termijn van hooger beroep tegen een uitspraak van den Inspecteur heeft laten verloopen nog door een nieuw bezwaar mits binnen den voorgeschreven termijn bij den Inspecteur in te dienen in de gelegenheid zou zijn om alsnog een uitspraak van den Raad van Beroep en vervolgens van den Hoogen Raad te verkrijgen;
Overwegende dat belanghebbende tegen de uitspraak als middel van cassatie opwerpt:
Schending of verkeerde toepassing van artikel 73 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, door te beslissen, dat het onmogelijk is binnen den in het genoemde artikel vermelden termijn rechtsgeldig bij den Inspecteur in te dienen een tweede bezwaarschrift inhoudende andere bezwaren, dan bij het eerste bezwaarschrift ter sprake zijn gekomen, hetwelk hij ten aanzien van de beide gronden, waarop de Raad zijn uitspraak doet steunen nader toelicht en wel wat den tweeden grond betreft hiermede: dat de wet het recht om bezwaren tegen den aanslag bij den Inspecteur voor te dragen - hetgeen niet is eene instantie, maar eene voortgezette behandeling van de aanslagregeling - slechts in zóóver beperkt, dat dit schriftelijk moet geschieden en binnen twee maanden na den aanslag; dat de wet echter niet den eisch stelt, dat de bezwaren worden ingediend bij één schriftelijk stuk ;- dat de termijn, welke aan een belanghebbende voor de indiening van zijn bezwaarschrift wordt gegeven niet eindigt en dus wordt verkort doordat de Inspecteur op een hem kenbaar gemaakt bezwaar binnen de twee maanden eene beschikking neemt; dat men wel is waar in hooger beroep nieuwe grieven kan inbrengen, maar dat dit niet goedmaakt eene verkorting van rechten van een belanghebbende bij het inbrengen van bezwaren bij den Inspecteur, hetgeen te meer klemt, als men let op de verhooging van den aanslag, welke ingevolge artikel 91 der wet op de Inkomstenbelasting 1914 hem, die in hooger beroep gaat, bedreigt; dat de ongerijmdheid, waarvan de Raad spreekt, slechts ontstaat, wanneer de Inspecteur binnen den termijn van twee maanden zijne beschikking geeft;
Overwegende hieromtrent:
dat de administratieve behandeling van den aanslag, welke door de indiening van het bezwaarschrift wordt geopend, eindigt, zoodra de Inspecteur hierop zijne beschikking heeft gegeven , daar de wet er van uitgaat, dat een belanghebbende verder slechts door middel van beroep zijne bezwaren kan doen gelden;
dat trouwens, indien men iets anders aannam niet alleen zich de ongerijmdheid kan voordoen, waarop de Raad wijst, maar bovendien naar aanleiding van eenzelfden aanslag meer dan een beschikking op bezwaarschrift, elk met beroep op den Raad en beroep in cassatie zou kunnen voorkomen, hetgeen met het stelsel der wet onvereenigbaar is;
dat hiertegen niet afdoet hetgeen belanghebbende als bovenvermeld ter toelichting van het middel aanvoert en hij daarin onvoldoende onderscheidt aanvulling van het ingediend bezwaarschrift voor de beschikking van den Inspecteur en het zich hier voordoende geval van indiening van een nieuw bezwaarschrift nå die beschikking;
Overwegende dat uit het voorgaande reeds volgt, dat het beroep moet worden verworpen, weshalve de eerste grond, waarop de Raad zijn uitspraak doet steunen en het daartegen door belanghebbende ingebrachte buiten beschouwing kan blijven;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heeren Fentener van Vlissingen, President, Visser, van den Dries, Kirberger en Polak, Raden, in bijzijn van den Substituut-Griffier Somer, en door den President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van den vijftienden Februari 1900 Acht en Twintig.