Hoge Raad, cassatie belastingrecht

ECLI:NL:HR:1927:392

Op 22 June 1927 heeft de Hoge Raad een cassatie procedure behandeld op het gebied van belastingrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 3357, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:HR:1927:392. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
3357
Datum uitspraak:
22 June 1927
Datum publicatie:
30 April 2026
Formele relaties:
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1927:2

Indicatie

Uitspraak

No 3357.

DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen te Haarlem d.d. 11 Februari 1927, betreffende zijn aanslag in de Inkomstenbelasting over 1925/1926;

Gezien de stukken;

Gelet op de schriftelijke conclusie van den Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep;

Overwegende dat belanghebbende, die voor het belastingjaar 1 Mei 1925 - 30 April 1926 in de Inkomstenbelasting was aangeslagen naar een zuiver inkomen van f 6000, tegen dezen aanslag een bezwaarschrift heeft ingediend bij den Inspecteur der directe belastingen te Haarlem, 2de Afd. die bij beschikking van 12 Maart 1926 den aanslag heeft gehandhaafd;

dat belanghebbende zich hierop heeft gewend tot den Raad van Beroep, betoogende, dat zijn zuiver inkomen slechts f 4000 bedraagt, en daaronder ten onrechte is gebracht, datgene, wat ingevolge eene overeenkomst tusschen zijn werkgeefster en derden getroffen, wordt gebruikt tot betaling van zijne achterstallige, voor zijne schuldeischers geen reëele waarde hebbende, schuldvorderingen;

dat de Raad van Beroep in de bestreden uitspraak heeft overwogen:

"dat belanghebbende voorheen was commissionair in effecten te Amsterdam tezamen met den heer [A], handelende onder de firma [B], welke firma in begin 1924 haar bedrijf heeft gestaakt met een aanzienlijke schuld, waarvoor belanghebbende als lid dezer vennootschap onder - firma hoofdelijk aansprakelijk is;

"dat nu belanghebbende in Juli 1924 in bovengenoemde dienstbetrekking bij de Crediet Maatij de Nederlanden kwam tegen een salaris van f 4000, welk salaris appellant ook op 1 Mei 1925 genoot, terwijl tevens door die Crediet Mij. met de crediteuren der vroegere firma [B] een overeenkomst werd aangegaan, waarbij werd in aanmerking genomen, dat het in dienstnemen van belanghebbende door de Crediet Maatij. in het belang der crediteuren was en dat zij zich bereid verklaarden hunne effectenzaken bij die afdeeling der Crediet Mij. te doen en waarbij onder meer werd bepaald, dat uit de inkomsten en de vermogensvermeerdering, welke de heeren [C] en [A] zoowel als lid van de genoemde firma als op andere wijze mochten ten deel vallen, ten behoeve van de crediteuren een fonds zal worden gevormd beheerd door een trustee, gevormd door een der crediteuren en den directeur der Crediet Mij., welke trustee tevens zal bepalen welk deel van de genoemde inkomsten en vermogensvermeerdering aan dat fonds zal ten goede komen;

"dat nu als gevolg dier overeenkomst weder is overeengekomen tusschen de Crediet Mij. en de trustee, dat de Crediet Mij. aan de trustee zoude uitkeeren 1/4 van de winst in haar afdeeling Effecten gemaakt, terwijl tevens aan die trustee werd uitgekeerd de rente van f 6000 4% obligaties van de Vereening v.d. Effectenhandel, die belanghebbende destijds als commissionair had genomen en die hij moest blijven bezitten om als lid van de Vereeniging v.d. Effectenhandel zijn functie bij de Crediet Mij. te kunnen waarnemen;

"dat de Inspecteur nu de opbrengst van het gestelde 1/2 gedeelte der winst alsook de rente der obligatiën voor belanghebbende beschouwt als inkomen, hetwelk krachtens de gestelde overeenkomst dienen moet tot afbetaling van schulden, terwijl belanghebbende stelt dat de overeenkomst geheel buiten hem om tot stand is gekomen, voor hem geen inkomen schept en hij immers over de uit dien hoofde aan de trustee uitgekeerde bedragen geenszins de beschikking heeft;

"dat belanghebbende daarbij nog opmerkt, dat de overeenkomst tusschen de Crediet Mij. en de crediteuren geheel staat afgescheiden van zijn praestaties en hierop is gegrond, dat de Crediet Mij, door het niet faillietverklaren van belanghebbende door de crediteuren, als het ware van hen kreeg de beschikking over het commissionairschap van belanghebbende en bovendien hunne effectenorders, hetgeen de Crediet Mij. derhalve naast de betaling van arbeid aan belanghebbende ook een uitkeering aan de crediteuren waard was;

"dat de Raad deze stelling van belanghebbende onjuist acht, daar toch de bovenomschreven overeenkomst tusschen de crediteuren van belanghebbende en de Crediet Mij. duidelijk zegt, dat de trustee beheert een ander te bepalen deel van het inkomen en de vermogensvermeerdering van belanghebbende en uit die overeenkomst derhalve geen argument is te putten dat de deswege uitgekeerde bedragen geen inkomen van belanghebbende zijn, terwijl voorts belanghebbende heeft erkend, dat hem bij het aangaan van zijn dienst betrekking dit contract is voorgelegd en dit de basis is geweest van zijn arbeidsovereenkomst met de Crediet Mij .;

"dat mitsdien de Raad zich ten deze geheel vereenigt met het standpunt van den Inspecteur, terwijl ook de rente 4% van f 6000 obligaties bovengenoemd = f 240, als inkomen van belanghebbende is te beschouwen, daar die obligaties belanghebbende persoonlijk toebehooren, waaraan het feit, niet afdoet dat die rente ook moet strekken tot betaling van schuld waarvoor belanghebbende ten volle (immers hoofdelijk met [D]) aansprakelijk is;

"dat echter wat betreft de begrooting van het bedrag der 25% winst overeenkomstig artikel 14 der wet, de Raad de raming van den Inspecteur op f 1760 te hoog acht;

"dat de Raad, gelet op het feit, dat deze effecten afdeeling der Crediet Mij. op 1 Mei 1925 nog geen jaar werkte en gelet op de bekende gegevens van andere soortgelijke zaken van gelijken omvang en de byzondere omstandig heden die tot het maken van meer of minder winst aanleiding geven, het winstbedrag ten deze begroot op f 1000;

"dat mitsdien belanghebbende's inkomen is te stellen op f 4000 + f 240 + f 1000 = f 5240;"

op alle welke gronden de aanslag vernietigd is en belanghebbende's zuiver inkomen is vastgesteld op f 5240;

Overwegende dat tegen deze uitspraak wordt opgekomen met het navolgend middel van cassatie:

Schending of verkeerde toepassing van artikel 10 der wet van 14 December 1914 (Staatsblad no 563), tot toelichting waarvan is betoogd:

dat de Raad van Beroep geheel ten onrechte onder belanghebbende's inkomen heeft opgenomen een bedrag dat door zijn werkgeefster is gebruikt voor voldoening van schulden eener vennootschap onder firma waarvan hij vroeger was, daar niet hij over die tot aflossing dier schulden besteed zijnde gelden heeft beschikt, doch zijn werkgeefster waarbij hij dan nog opmerkt, dat men hier te doen heeft met me een soortgelijk geval als de pensioensbijdrage van een ambtenaar waarover ook de werkgever beschikt om voor de toekomst van den ambtenaar te zorgen en die desniettemin niet als inkomen wordt belast;

Overwegende hieromtrent:

dat de Raad van beroep feitelijk en dus in dezen stand der zaak onaantastbaar heeft beslist, dat tusschen de schuldeischers van belanghebbende en zijn tegenwoordige werkgeefster, de Crediet Maatschappij

"de Nederlanden" is overeengekomen, dat een gedeelte van het inkomen van belanghebbende zou besteed worden tot betaling van zijne schulden;

dat dit contract hem bij het aangaan van zijne dienstbetrekking bij de Credietmaatschappij is voorgelegd en de basis is geweest van zijn arbeidsovereenkomst met die maatschappij;

dat hieruit volgt, dat hij er in heeft toegestemd, dat een gedeelte van zijn inkomen voor een bepaald doel, namelijk tot delging van zijn schulden zou worden besteed;

dat nu geen wetsartikel voorschrijft, dat slechts die uit bronnen van inkomsten voortvloeiende bedragen tot het inkomen van een belastingplichtige behooren waarover hij de vrije beschikking heeft en dat daar niet onder zou vallen arbeidsloon, dat niet aan hem wordt ter hand gesteld, doch met zijne toestemming, gegeven toen hij de arbeidsovereenkomst met zijn werkgever sloot, door dezen wordt besteed tot delging van zijne, des belastingplichtigen, schulden;

dat inderdaad het laatste lid van artikel 10 bepaalt, dat tractementen en andere belooningen worden verminderd met verplichte bijdragen voor pensioenen en fondsen, doch dat dit geval, waar hier inkomen wordt besteed tot afbetaling van schulden, zich niet voordoet en over niet analogische wetstoepassing, waartoe overigens geen aanleiding zou bestaan, nimmer met vrucht in cassatie kan worden geklaagd;

dat mitsdien het middel niet tot cassatie kan leiden;

Verwerpt het beroep.

Gedaan bij de Heeren Fentener van Vlissingen, President, Segers, Kosters, Kirberger en Polak, Raden, in bijzijn van den Griffier Kist, en door den President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van den twee en twintigsten Juni 1900 Zeven en Twintig.