Civiel recht overig

Art. 80a lid 1 RO. Kennelijk onredelijk ontslag. Aan het middel te stellen eisen; art. 407 lid 2 Rv.

Hoge Raad, 6 december 2013

Zaakgegevens

Op 6 december 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 december 2013
Datum publicatie
5 december 2013
Zaaknummer
13/04235
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. F.A. Broersma
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:1631
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. Kennelijk onredelijk ontslag. Aan het middel te stellen eisen; art. 407 lid 2 Rv.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 oktober 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:1149
  2. Hoge Raad · 6 december 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:1631

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

6 december 2013

Eerste Kamer

nr. 13/04235

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. F.A. Broersma,

t e g e n

STICHTING VOOR EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS ZADKINE,
gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Zadkine.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 949869 CV EXPL 09-82 van de kantonrechter te Rotterdam van 16 april 2010;

b. het arrest in de zaak 200.073.337/01 van het gerechtshof Den Haag van 7 mei 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen Zadkine is verstek verleend.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 25 oktober 2013 op dit standpunt gereageerd.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3, 4 en 5).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Zadkine begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 6 december 2013.