Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Kennelijk onredelijk ontslag. Aan het middel te stellen eisen; art. 407 lid 2 Rv.
Parket bij de Hoge Raad, 18 oktober 2013
ECLI:NL:PHR:2013:1149 · Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-1149
Zaakgegevens
Op 18 oktober 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 oktober 2013
- Datum publicatie
- 11 november 2013
- Zaaknummer
- 13/04235
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:1149
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Kennelijk onredelijk ontslag. Aan het middel te stellen eisen; art. 407 lid 2 Rv.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 oktober 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:1149
Hoge Raad · 6 december 2013
ECLI:NL:HR:2013:1631Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Zitting 18 oktober 2013
mr J. Spier
13/04235
80a-Conclusie inzake
[eiser]
tegen
Stichting voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine
1. [eiser] heeft tegen Zadkine een vordering ingesteld gegrond op kennelijk onredelijk ontslag. In eerste aanleg is die vordering gedeeltelijk toegewezen. In het thans bestreden arrest is zij afgewezen.
2. Mr. Broersma, die blijkens het petitum van de cassatiedagvaarding kennelijk meent bij Uw Raad als “gemachtigde” op te treden, heeft tijdig cassatieberoep bezorgd.
3. Het eerste middel komt kennelijk (vooral) op tegen rov. 3.13. Het komt niet verder dan tegen ’s Hofs oordeel in stelling te brengen dat het Ontslagbesluit naar de mening van “Rekwirant” wel degelijk van toepassing is. Deze klacht voldoet in genen dele aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.
4.Voor zover het tweede middel al voldoende begrijpelijk is, geeft het niet aan tegen welke rechtsoverweging het opkomt. Het lijkt ook op twee gedachten te hinken: enerzijds ziet het op een ontslagvergoeding en anderzijds op het niet mogen geven van het ontslag. Het verband tussen beide komt evenwel niet op begrijpelijke wijze uit de verf. Met name is niet duidelijk of het [eiser] met deze klacht te doen is om een vergoeding of om iets anders. Laat staan dat wordt uitgelegd waarom schadevergoeding op haar plaats was geweest, dan wel [eiser] “volgens het toepasselijke sociaal plan (..) op grond van anciënniteit (…) niet voor ontslag in aanmerking” had mogen komen en waarom hetgeen het Hof heeft geoordeeld (ik vermoed dat bedoeld is: in rov. 4) onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Ook deze klacht voldoet daarom in het geheel niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.
5. Ook het derde middel is onbegrijpelijk. Duister is waarom ’s Hofs oordeel de toets der kritiek in cassatie niet zou kunnen doorstaan. In rov. 4 lees ik niets wat correspondeert met stellingen als in het middel geëtaleerd. Bovendien wordt kennelijk – helemaal duidelijk is het niet – beroep gedaan op stellingen die in feitelijke aanleg zouden zijn geëtaleerd zonder dat wordt onthuld waar dat zou zijn gebeurd. Ook deze klacht voldoet daarom in geen enkel opzicht aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal