Civiel recht overig
Arbeidsrecht. Loonvordering in kort geding na ontslag op staande voet. Kosten buitengerechtelijke rechtsbijstand.
Hoge Raad, 16 december 2016
ECLI:NL:HR:2016:2886 · Hoge Raad · 16 december 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2016-2886
Zaakgegevens
Op 16 december 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 december 2016
- Datum publicatie
- 16 december 2016
- Zaaknummer
- 15/04871
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H.J.W. Alt
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2016:2886
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Arbeidsrecht. Loonvordering in kort geding na ontslag op staande voet. Kosten buitengerechtelijke rechtsbijstand.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 18 augustus 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:2196Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 oktober 2016
ECLI:NL:PHR:2016:1259Hoge Raad · 16 december 2016deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2016:2886
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
16 december 2016
Eerste Kamer
15/04871
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 3222769/14-21212 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 29 september 2014;
b. de arresten in de zaak 200.159.087/01 van het gerechtshof Den Haag van 10 maart 2015 en 18 augustus 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 18 augustus 2015 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur- Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
3 Beoordeling van het middel
Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, om het volgende. [verweerder] is in dienst geweest van [eiseres]. In 2014 is hij op staande voet ontslagen.
[verweerder] vordert in dit kort geding onder meer doorbetaling van loon en betaling van € 8.554,11 aan voorschot voor kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand. Hij heeft daaraan, samengevat, ten grondslag gelegd dat het hem gegeven ontslag op staande voet nietig is. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [verweerder] toegewezen. Met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten overwoog de voorzieningenrechter (in rov. 3.5) dat [eiseres] tegen deze vordering geen verweer heeft gevoerd.
Het hof heeft het vonnis van de voorzieningen-rechter bekrachtigd. Het heeft de eerste grief van [eiseres], die gericht was tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, verworpen. Het overwoog voorts het volgende:
“13. (…) Voor zover grieven zijn opgeworpen die in het voorgaande niet aan de orde geweest zijn, zullen die grieven niet alsnog worden besproken nu, wat er van die grieven ook zij, deze niet tot een andere uitkomst van de procedure kunnen leiden.”
Onderdeel 2.9 klaagt onder meer dat het hof grief 3 heeft miskend, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.
Bij de beoordeling van deze klacht wordt vooropgesteld dat het hof met de hiervoor in 3.2.2 geciteerde zinsnede “grieven (…) die in het voorgaande niet aan de orde geweest zijn” kennelijk doelt op de grieven 2, 3 en 4.
Grief 3 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [eiseres] met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten geen verweer heeft gevoerd (zie hiervoor in 3.2.1). Het hof heeft grief 3 onbesproken gelaten en heeft zijn oordeel dat deze kosten toewijsbaar zijn, derhalve ontoereikend gemotiveerd. Het bestreden arrest kan dan ook ten aanzien van de beslissing over de buitengerechtelijke kosten niet in stand blijven. De klacht is gegrond.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad acht termen aanwezig om ondanks de gegrondheid van een van de klachten van onderdeel 2.9, de kosten van het geding in cassatie te compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 augustus 2015;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 16 december 2016.