Insolventierecht
Hoge Raad · Cassatie · Insolventierecht
Hoge Raad, 12 juli 2002
ECLI:NL:HR:2002:AE2508 · Hoge Raad · 12 juli 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2002-ae2508
Zaakgegevens
Op 12 juli 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 juli 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R01/128HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.H van 't Hof, mr. J.H.M. van Swaaij
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2002:AE2508
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 12 juli 2002deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2002:AE2508
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 juli 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AE2508
Uitspraak
12 juli 2002
Eerste Kamer
Nr. R01/128HR
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker], handelende onder de naam [...], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.H. van 't Hof,
t e g e n
Mr. Drs. Serge Nicolaas VLAAR, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verzoeker], wonende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van 5 september 2001 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage ten aanzien van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de schuldenaar - de toepassing van de definitieve schuldsaneringsregeling uitgesproken met benoeming van verweerder in cassatie - verder te noemen: de bewindvoerder - tot bewindvoerder en mr. A.C.M. Höppener tot rechter-commisaris.
De bewindvoerder heeft op 7 september 2001 de Rechtbank verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350 lid 3 sub c en e F. te beëindigen.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 20 september 2001 het verzoek afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de bewindvoerder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 6 november 2001 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank van 20 september 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de toepassing van de definitieve schuldsaneringsregeling zoals uitgesproken bij vonnis van 5 september 2001 beëindigd, en de schuldenaar in staat van faillissement verklaard.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de schuldenaar beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De bewindvoerder heeft bij verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 juli 2002.