Insolventierecht
Faillissementswet. Heeft griffier de gefailleerde, zoals art. 3 F. voorschrijft, terstond bij brief ervan in…
Hoge Raad, 17 december 2010
ECLI:NL:HR:2010:BO1796 · Hoge Raad · 17 december 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2010-bo1796
Zaakgegevens
Op 17 december 2010 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 december 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/02828
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P Garretsen, mr. G. Snijders
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2010:BO1796
Samenvatting
Faillissementswet. Heeft griffier de gefailleerde, zoals art. 3 F. voorschrijft, terstond bij brief ervan in kennis gestekd dat hij binnen 14 dagen na de dag der verzending van de brief een WSNP-verzoek kan indienen? Misbruik van bevoegdheid? (art. 81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 17 december 2010deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2010:BO1796
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 december 2010
ECLI:NL:PHR:2010:BO1796
Uitspraak
17 december 2010
Eerste Kamer
10/02828
EV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker], handelend onder de naam [A],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1.UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,
gevestigd te Amsterdam,
2. COLLEGE ZORGVERZEKERINGEN,
gevestigd te Amstelveen,
VERWEERSTERS in cassatie,
advocaat: mr. G. Snijders.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en UWV c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 10/264 F van de rechtbank Utrecht van 25 mei 2010,
b. het arrest in de zaak 200.067.528 van het gerechtshof te Amsterdam van 28 juni 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
UWV c.s. hebben verweer gevoerd.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor UWV c.s. mede door mr. R.T. Wiegerink, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
[Verzoeker] heeft bij brief van 1 november 2010 met bijlagen op die conclusie gereageerd. De Hoge Raad heeft deze brief terzijde gelegd nu deze niet door tussenkomst van een advocaat is toegezonden.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 december 2010.