Insolventierecht

Art. 80 a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging, art. 350 lid 3, onder d, Fw.

Zaakgegevens

Op 5 juni 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 juni 2015
Datum publicatie
4 juni 2015
Zaaknummer
15/00726
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. M.A.R. Schuckink Kool.
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:1487
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Art. 80 a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging, art. 350 lid 3, onder d, Fw.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 10 april 2015

    ECLI:NL:PHR:2015:829
  2. Hoge Raad · 5 juni 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2015:1487

    Conclusie gevolgd

  3. Uitspraak · 2015

    ECLI:NL:GHARL:2015:804

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

5 juni 2015

Eerste Kamer

15/00726

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool.

Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak C/16/13/551 R van de rechtbank Midden-Nederland van 1 december 2014;

b. het arrest in de zaak 200.160.959 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 februari 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 20 april 2015 op dit standpunt gereageerd.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 5 juni 2015.