Insolventierecht

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging wegens niet-nakomen inlichtingen- en…

Zaakgegevens

Op 10 juni 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 juni 2016
Datum publicatie
9 juni 2016
Zaaknummer
15/05904
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:1142
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging wegens niet-nakomen inlichtingen- en sollicitatieverplichting, achterstand boedelafdracht en laten ontstaan nieuwe schuld (art. 350 Fw).

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 december 2015

    ECLI:NL:GHSHE:2015:5310
  2. Conclusie A-G · 31 maart 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:466
  3. Hoge Raad · 10 juni 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:1142

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

10 juni 2016

Eerste Kamer

15/05904

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.

Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/02/13/216 R van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 oktober 2015;

b. het arrest in de zaak 200.179.241/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 december 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 6 – 8).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 juni 2016.