Insolventierecht

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 lid 3 Fw); ontstaan nieuwe schulden.

Zaakgegevens

Op 24 juni 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 juni 2016
Datum publicatie
23 juni 2016
Zaaknummer
16/01343
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:1298
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 lid 3 Fw); ontstaan nieuwe schulden.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 25 april 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:527
  2. Hoge Raad · 24 juni 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:1298

    Conclusie gevolgd

  3. Uitspraak · 2016

    ECLI:NL:GHARL:2016:1713

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

24 juni 2016

Eerste Kamer

16/01343

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.

Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer R 12-86 van de rechtbank Noord-Nederland van 1 april 2015 en 17 december 2015;

b. het arrest in de zaak 200.182.782/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 maart 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a lid 1 RO.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 7 - 11).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 juni 2016.